ZITTING 1963—1964 — 762 8 (R 410 )
ZITTING 1963—1964 — 762 8 (R 410 )
Overeenkomst, op 23 mei 1963 Ie Tunis ondertekend, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tunesische Republiek inzake de bevordering van kapitaal- investeringen en de bescherming
van eigendom
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Nr. 1
Ter griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-Gravenhage 15 april 1964.
ontvangen: 23 april 1964.
De wens, dat de/c overeenkomst aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal zal worden onder-
▇▇▇▇▇▇, kan door of namens de Kamer of door ten
minste dertig leden der Kamer of door de GevoI- machtigde Minister van Suriname, onderscheidenlijk van de Nederlandse Antillen te kennen worden gegeven uiterlijk op 23 mei 1964.
Aan
de Heer Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 60, lid 2, en
onder verwijzing naar artikel 61, lid 3, van de Grondwet, als- ook naar artikel 24, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer U Hoogcdelgestrenge hier- nevens de tekst en de vertaling in het Nederlands van de op
23 mei 1963 te Tunis ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tunesische Republiek in- zake de bevordering van kapitaalinvesteringen en de bescher- ming van eigendom, met brieven, (Trh. 1963, 106) ' ) over te leggen.
Een toelichtende nota bij deze overeenkomst gelieve U Hoogcdelgestrenge hiernevens aan te treffen.
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, zal de over- eenkomst voor het gehele Koninkrijk gelden.
Aan de Gouverneurs van Suriname en van de Nederlandse Antillen is verzocht, bovengenoemde stukken op 23 april 1964 over te leggen aan de Staten van Suriname, respectievelijk van de Nederlandse Antillen.
De Gevolmachtigde Ministers van Suriname en van de Nederlandse Antillen zijn van de overlegging in kennis gesteld.
De Minister van Buitenlandse Zaken a.i.,
V. G. M. MARIJNEN.
Toelichtende nota
Op 23 mei 1963 werd te Tunis een Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tunesische Republiek ondertekend inzake de bevordering van kapitaalinvesteringen en de bescherming van eigendom. Het tot stand komen van deze overeenkomst is van meer belang dan alleen voor de betrekkingen met Tunesië. Immers dit is de eerste maal dat het Koninkrijk een overeenkomst tot bevordering van investeringen met een ontwikkelingsland sluit.
Het Nederlandse bedrijfsleven heeft met het oog op moge- lijke investeringen op het sluiten van een dergelijke overeen- komst aangedrongen. Voorts was aanleiding tot de overeen- komst het Tunesisch besluit van 30 augustus 1961, waarbij in principe de eis wordt gesteld, dat natuurlijke en rechtsper- sonen de Tunesische nationaliteit moeten bezitten voor het uit- oefenen van commerciële activiteiten. Slechts in enkele ge- vallen behoeft aan dit vereiste niet te worden voldaan, onder meer indien betrokkene de nationaliteit bezit van een staat, waarmede Tunesië een vestigingsovereenkomst of een overeen- komst tot bevordering van investeringen heeft gesloten.
Voor de onderhavige overeenkomst heeft de Tunesisch- Zwitserse Overeenkomst van 2 december 1961, welke de eerste Tunesische overeenkomst van gelijke strekking vormde, model gestaan, terwijl laatstgenoemd akkoord op zijn beurt was ge- inspireerd door een in O.E.S.O.-verband opgesteld ontwerp van een multilateraal verdrag tot bescherming van buitenlandse eigendom.
') Nedergelegd ter griffie, ter inzage van de leden.
7628 (R 410) 1
2
De basis van de verkregen garanties is gelegen in het prin- cipe van een nict-discriminatoirc behandeling, die ten minste gelijk is aan die, welke in Tunesië aan de eigen onderdanen wordt toegekend. Deze basis kent derhalve een dubbele veilig- heid: meestbegunstiging en nationale behandeling. Hoewel deze laatste onder de meeste omstandigheden wel verder zal gaan dan de eerste, is het denkbaar — niet speciaal wat Tunesië betreft, maar deze overeenkomst kan tot uitgangspunt dienen voor soortgelijke overeenkomsten met andere ontwikkelings- landen —, dat de omstandigheden in een ontwikkelingsland zich zodanig wijzigen, dat de bescherming, die aan eigendom en inkomsten van eigen onderdanen wordt gegeven, geen aan- vaardbare vergelijking meer oplevert.
Een belangrijk punt wordt gevormd door de transferregeling inzake winsten. Deze impliceert namelijk, dat naderhand niet een minder gunstige regeling kan worden toegepast dan de huidige bestaande wettelijke maatregelen. Evenwel moest ten aanzien van liquidatieopbrengstcn een beperking worden aan- vaard tot die investeringen voor welke voorafgaande goed- keuring van de Tunesische autoriteiten is verkregen.
Voorts zijn enige voorzieningen getroffen voor het geval van onteigening of nationalisatie. In het desbetreffende artikel wordt de overmaking van een passende schadevergoeding ter zake geregeld. Tevens wordt bepaald, dat onteigening, natio- nalisatie of aantasting van het bezitsrecht noch discriminatoir, noch in strijd met een specifieke verbintenis mag zijn.
Van bijzonder belang in een overeenkomst als deze is de regeling van de wijze waarop geschillen, die zich over de uit- voering van de onderhavige overeenkomst mochten voordoen, worden beslecht. Voorzien is in een arbitrageclausule, die, naar de mening van ondergetekenden, een alleszins aanvaardbaar compromis vormt voor wat betreft de mate waarin detailvoor- zieningen zijn getroffen.
In de bijgevoegde briefwisseling wordt bepaald, dat met de sluiting van de overeenkomst wordt voldaan aan de voor- waarden waaronder handelsactiviteiten in Tunesië mogen wor- den uitgeoefend. Daarnaast blijft evenwel voor het uitoefenen van bepaalde handels- of daarmede gelijk gestelde activiteiten in Tunesië de voorafgaande goedkeuring van de Tunesische Regering noodzakelijk — uitgezonderd voor die activiteiten, welke verband houden met investeringen, die door de Tune- sische Regering zijn goedgekeurd.
Ten slotte moge worden gewezen op de in titel en preambule tot uitdrukking gebrachte betekenis van de overeenkomst als stimulans voor investeringen in Tunesië. Als zodanig vormt de regeling een bijdrage tot de realisatie van het Tunesische ont- dellijk na de sluiting van de overeenkomst tot uiting kwam.
De Regeringen van Suriname en van de Nederlandse An- tillen hebben er geen bezwaar tegen de overeenkomst ook voor hun respectieve landen te doen gelden.
De Minister van Economische Zaken,
J. E. ANDRIESSEN.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
▇. ▇▇▇▇.
De Minister van Financiën,
▇. ▇. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇.
