April 1921 Voorbeeldclausules
April 1921. ▇▇▇▇▇▇▇▇ gaat door naar Drietabbetje om de brief van ▇▇▇▇▇▇▇ aan AMAKETI te brengen.
April 1921. Kapitein JENTA laat mij verzoeken heden bij hem een kroetoe op Powi te komen bijwonen. Hij deelt in die kroetoe de aanwezigen mede dat de Granman met KANAPE is opgeroepen. Hij wijst op de ernst van de toestand waarin ▇▇▇▇▇▇ (de stam) thans verkeert. Hij voorziet ernstige maatregelen van de zijde der bakra's en doet een beroep op allen de Granman zoveel mogelijk bij te staan. Aan AKOKOMIE, die de kroetoe bijwoonde, geeft JENTA de boodschap van AMAKETI, dat TEBRIBA naar AWENSAI zal gaan. AKOKOMIE is geen kapitein van ▇▇▇▇▇▇▇▇ doch blaka djakti, vervanger van den kapitein. Sedert de dood van ▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft hij echter die functie waargenomen. Op 2 januari d.j. werd ▇▇▇▇▇▇▇ als kapitein geïnstalleerd. Hij laat echter voorlopig het bestuur in handen van AKOKOMIE. AKOKOMIE gaat vreselijk te keer. Hing het van hem af, dan zou nu niemand een vin verroeren om de Granman te helpen. Deze meent wijzer te zijn dan alle kapiteins tesamen, laat hem dus zichzelf redden. Ik wees deze spreker erop dat het niet aanging zich nu op de Granman te wreken en vooral niet omdat de gevolgen van het een en ander niet de persoon van AMAKETI alleen, doch heel Djoeka tegelijk zal treffen. Ik scheen een weinig succes te hebben, althans AKOKOMIE veranderde van toen en bepaalde zich tot het bejammeren van het feit dat KANAPE toenmaals verstoten en AMAKETI uitgeroepen werd. Daar de kroetoe mij te lang duurde nam ik afscheid na alle aanwezigen op het hart te hebben gedrukt hun plicht tegenover de Granman te blijven doen. 29 April 1921 JENTA zendt mij heden een boodschap dat ▇▇▇▇▇▇▇ heeft doen weten dat hij wegens ziekte niet naar AWENSAI gaan kan. ▇▇▇▇▇ zal daarom zijn neef en vermoedelijke opvolger ▇▇▇▇▇▇▇▇▇ erheen zenden. 30 April 1921 Van een bewoner van Powi vernam ik, dat de reis naar AWENSAI niet meer doorgaat. Ik ga daarheen om te onderzoeken wat daar weer aan de hand is. De zaak komt hierop neer, uitgezonderd JENTA wil geen kapitein de Granman bijstaan. ▇▇▇▇▇ had, toen hij besloot ▇▇▇▇▇▇▇▇▇ naar de Lawa te zenden, vele schimpscheuten moeten aanhoren. Hij was daarom boos geworden en wilde zich aan de zaak onttrekken. Bijgestaan door ▇▇▇▇▇▇ gelukte het mij gedaan te krijgen dat AKOKOMIE met ▇▇▇▇▇▇▇▇▇ samen gaan zullen en reeds morgen van hier gaan.
April 1921. Ik had er gewag van gemaakt dat sedert dat er hier over de staking gesproken werd, nagenoeg geen Djoeka's, zelfs geen zieken, bij mij komen. Sedert eergisteren heb ik als voorheen weer dagelijks een groot aantal bezoekers.
April 1921. De oproepingsbrief aan AMAKETI in een kleine kroetoe voorgelezen. Hij wist vóór mijn komst te Drietabbetje dat er een officiële brief voor hem aan mij gestuurd was. Hij scheen echter nooit vermoed te hebben dat deze een oproeping voor hem kon zijn, althans het bericht bracht hem geheel van streek. Toen ik hem verder mededeelde dat ik last had van den Gouvernements-Secretaris om aan hem te zeggen dat KANAPE mede hem moest vergezellen, scheen dat een verlichting voor hem te zijn. Ik legde de ▇▇▇▇▇▇▇ met veel nadruk uit, dat niets ter wereld vermocht hem te weerhouden aan het bevel van den gouverneur gevolg te geven, daar de gevolgen anders voor hem niet zullen te overzien zijn. ▇▇▇▇▇▇▇ antwoordde dat hij alles goed had begrepen, dat hij echter verplicht was een gran-kroetoe te beleggen om alle kapiteins en andere hoofden mede te delen, wat gaande was. Ik wees hem erop dat zijn gaan naar de stad vast stond. Het oordeel van de kroetoe kan nooit invloed daarop hebben. De kroetoe werd op Zondag 1 mei bepaald. Daar ik te weten was gekomen dat verschillende boten op weg naar de Mines d'Or te Poeloegoedoe gestopt waren en sommige der vervoerders naar Drietabbetje gegaan waren omdat zij vernomen hadden dat de Boni-negers hen zouden aanvallen en de tussenkomst van den Granman inriepen en dat AMAKETI hun gezegd had dat zij maar door moesten varen -`Het zou wel een praatje zijn, dat zij zullen aangevallen worden'- eiste ik van den Granman, daar ik wel geloof aan het bericht hechtte, dat hij een kapitein naar AWENSAI zou zenden om te verne- men wat er aan de hand was. De Granman scheen in het eerst daartoe niet bereid te zijn. Toen ik echter erop bleef aandringen, besloot hij Kapitein TIBRIBA van ▇▇▇▇▇▇▇▇ met die opdracht te belasten. Aan KANAPE had ik van tevoren gezegd dat de ▇▇▇▇▇▇▇ last had gekregen zich mede door hem te doen vergezellen. KANAPE maakte toen de indruk op mij van dit minder prettig te vinden. Toen ik hem daarover sprak, antwoordde hij dat dat juist was. Hij had altijd gewenst eens door de bakra's opgeroepen te worden, maar dan niet in een onverkwikkelijke zaak als deze. In elk geval begreep hij dat hij slechts te gehoorzamen heeft en dus gaan zal als de Granman hem dit aanzegt.
April 1921. Kapitein JENTA bezoekt mij en deelt mij mede dat de ▇▇▇▇▇▇'▇ te Albina het werk niet willen hervatten omdat de Granman hier geen rekenschap aan de kapiteins gegeven heeft waarom of hij de staking weer heeft opgeheven. Ik gevoel mij zover beter, dat ik op morgen naar Drietabbetje wens te gaan om de brief van de Districts-Commissaris aan AMAKETI voor te lezen en van hem te horen welke maatregelen hij denkt te treffen, dat het volk zijn bevelen zal gehoorzamen.
April 1921. 's Middags ontving ik een brief van den Districts-Commissaris, begeleidende een missieve van den Gouvernements-Secretaris aan mij en oproepingsbrief aan AMAKETI.
April 1921. De boot van ▇▇▇▇▇▇▇ welke diens brieven betreffende de opheffing van de staking naar Albina afbracht, keert heden terug met brieven van de districtscommissaris aan mij en de Granman, berichtende dat de ▇▇▇▇▇▇'▇ te Albina niet geneigd zijn het werk weer te hervatten.
April 1921. Ik lees den brief van de Districts-Commissaris aan AMAKETI voor en vraag hem welke maatregelen hij denkt te treffen om de ▇▇▇▇▇▇'▇ te dwingen het werk te hervatten. ▇▇▇▇▇▇▇ verklaart de Granman dat hij daartegen niets vermag. KANAPE deelt mij mede dat hij bewerkt had dat een groot aantal boten zouden afvaren, ik heb de waarheid daarvan kunnen controleren, doch dat de hoge waterstand daarin vertraging heeft gebracht. Hij, KANAPE, is er zeker van dat zodra er hier boten afvaren die met lading van Albina vertrekken, zij die nog niet willen opgaan vanzelf volgen zullen. Hij meent dat deze oplossing voorlopig de enige is. Kapitein JENTA geeft zijn hart lucht in een kroetoe over de toestand van regeringloosheid, die door ▇▇▇▇▇▇▇'▇ verkeerd beleid hier is ingetreden. Den Granman vertelt hij vele harde waarheden.
