Effectbeoordeling Voorbeeldclausules

Effectbeoordeling. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten van de effectbeoordeling samengevat per discipline. Gezien de problemen om bepaalde effecten goed kwantitatief te beschrijven, is gekozen voor een semi- kwantitatieve aanpak. Hierbij worden de effecten beschreven in relatie tot hun grootte, hun reikwijdte (omvang) en hun tijdelijk of permanente karakter. De beschreven effecten worden in de vorm van een relatieve plusmin-beoordeling weergegeven. Volgende definities zijn van toepassing: Symbool Omschrijving Beschrijving Beoordeling milieu/ organismen ++ Significant positief effect Meetbaar positief effect, van grote omvang (BDNZ), tijdelijk of permanent karakter Zeer positief + ▇▇▇▇▇ positief effect Meetbaar positief effect, van beperkte omvang (projectgebied), tijdelijk of permanent karakter Positief 0/+ Gering positief effect Meetbaar klein positief effect, van beperkte omvang (projectgebied), steeds tijdelijk karakter Neutraal 0 (vrijwel) geen effect Onmeetbaar effect of niet relevant Geen 0/- Gering negatief effect Meetbaar klein negatief effect, van beperkte omvang (projectgebied), steeds tijdelijk karakter Verwaarloosbaar - Matig negatief effect Meetbaar negatief effect, van beperkte omvang (projectgebied), tijdelijk of permanent karakter Aanvaardbaar -- Significant negatief effect Meetbaar negatief effect, van grote omvang (BDNZ), tijdelijk of permanent karakter Onaanvaardbaar Bij de effectbeoordeling wordt onderscheid gemaakt in effecten tijdens de constructie, de exploitatie, de ontmanteling en de bekabeling. Tevens wordt aangegeven welke milderende (effectbeperkende) maatregelen mogelijk zijn. Er wordt zowel aandacht besteed aan de negatieve effecten als aan de mogelijke positieve effecten voor het milieu. Algemeen kan gesteld worden dat de effecten gelijkaardig zullen zijn voor de oorspronkelijke als de uitgebreide concessiezone. Indien relevant wordt binnen de verschillende disciplines een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de scenario’s.
Effectbeoordeling. Het Voorkeursalternatief is gezamenlijk met het Alternatief Meerenakkerweg en het MMA onderzocht in het MER en vergeleken met de referentiesituatie (de situatie zo- als vastgelegd met het Tracébesluit A2/A67 Randweg Eindhoven). In hoofdstuk 6 van het MER staat het integrale overzicht van de beoordelingen van de alternatie- ven. Samengevat is de volgende beoordeling gegeven: Ten aanzien van het aspect verkeer en vervoer zijn het Voorkeursalternatief en het Alternatief Meerenakkerweg beoordeeld op de criteria verandering in bereikbaarheid (verkeersafwikkeling, snelheden en reistijden) en betrouwbaarheid (voertuigverlie- suren). Geconcludeerd is dat bij de referentiesituatie in 2020 een aantal knelpunten in de doorstroming ontstaat: het bedrijventerrein De Hurk is door de afsluiting van de Hurksestraat niet goed bereikbaar en de kruispunten op de Noord-Brabantlaan kun- nen de hoeveelheid verkeer moeilijk verwerken. Het Voorkeursalternatief, het Alter- natief Meerenakkerweg en het MMA zorgen voor een verbetering van deze twee knelpunten. Ze hebben een positief effect op de doorstroming. In het geval van het Alternatief Meerenakkerweg blijft een knelpunt bestaan bij de Hurksestraat, omdat bij dit alternatief verkeer van en naar bedrijventerrein De Hurk gebruik blijft maken van de aansluiting op de Noord-Brabantlaan. Het Voorkeursalternatief en het MMA hebben het meest positieve effect op de doorstroming en prestatie van het netwerk.
Effectbeoordeling 

Related to Effectbeoordeling

  • Beoordeling 1. Over de wijze waarop de werknemer zijn functie heeft uitgeoefend en over zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie wordt periodiek een beoordeling opgemaakt. 2. De werkgever stelt regels vast voor beoordelingen. 3. De werknemer is verplicht de beoordeling voor gezien te ondertekenen.

  • De beoordeling 5.1. De eerst te beantwoorden vraag is of het Tuchtcollege bevoegd is om van de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

  • Verdeling Als verzekeraars op de verzekering betrokken zijn door tussenkomst van een namens hen optredende gevolmachtigde agent en deze maakt gebruik van een bij de Coöperatieve Vereniging Nederlandse Assurantie Beurs B.A. gedeponeerde vaste verdeling, dan is door hen getekend voor de aandelen van de verzekeraars volgens de bedoelde verdeling. Op verzoek van verzekerde verstrekt de makelaar of de Coöperatieve Vereniging Nederlandse Assurantie Beurs B.A. een overzicht van de verzekeraars en hun aandelen.

  • Rolverdeling 1. Onderwijsinstelling is ten aanzien van de in diens opdracht uit te voeren Verwerkingen van Persoonsgegevens de Verwerkingsverantwoordelijke. De Onderwijsinstelling heeft en houdt zelfstandige zeggenschap over (het bepalen van) het doel en de middelen van de Verwerking van de Persoonsgegevens. 2. Verwerker draagt er zorg voor dat de Onderwijsinstelling bij het sluiten van deze Verwerkersovereenkomst toereikend wordt geïnformeerd over de dienst(en) die de Verwerker verleent, en de uit te voeren Verwerkingen. De gegeven informatie stelt de Onderwijsinstelling in staat om te doorgronden welke Verwerkingen onlosmakelijk zijn verbonden met een aangeboden dienst en voor welke Verwerkingen Onderwijsinstelling gebruik kan maken van eventueel aangeboden optionele diensten. 3. In aanvulling op lid 2 en onverminderd hetgeen elders in deze Verwerkersovereenkomst is bepaald, informeert ▇▇▇▇▇▇▇▇▇ bij het sluiten van deze Verwerkersovereenkomst de Onderwijsinstelling in Bijlage 1 over de in lid 2 bedoelde diensten, waaronder eventuele optionele diensten, en de Verwerkingen die in dat kader plaatsvinden. De in Bijlage 1 opgenomen informatie moet in begrijpelijke taal zijn beschreven, waardoor Onderwijsinstelling geïnformeerd akkoord kan gaan met de afname van deze dienst(en) en de uitvoering van de bijbehorende Verwerkingen. 4. Voor zover artikel 30 lid 5 AVG daartoe verplicht, houdt Verwerker conform artikel 30, lid 2 AVG een register bij van alle categorieën van verwerkingsactiviteiten die Verwerker ten behoeve van een Onderwijsinstelling verricht. 5. Onderwijsinstelling en Verwerker verstrekken elkaar over en weer alle benodigde informatie teneinde een goede naleving van de Toepasselijke wet- en regelgeving betreffende de Verwerking van Persoonsgegevens mogelijk te maken.

  • Bemiddeling ARAG kan bij alle gevallen die niet onder de dekking van de door u verzekerde modules vallen zorgen voor bemiddeling naar een deskundig extern juridisch dienstverlener die u verder tegen betaling van dienst kan zijn.