Het verweer. Het verweer houdt zakelijk en samengevat het volgende in: 3.1 Op 4 april 2017 ▇▇▇▇▇ dochter telefonisch dat klaagster een aantal treden van een vlizotrap was gevallen. Er is direct spoedvisite gereden. Er was pijn bij palpatie sternum en ribben. Geen aanwijzing voor breuk in ribben/bovenbeen/arm/bekken. Waarschijnlijk wel pijnlijke kneuzingen. Klaagster gaf aan niet veel pijn te hebben. Verweerder gaf het advies te starten met paracetamol en als dit niet voldoende zou zijn te bellen voor sterkere pijnstillers. Later is gebeld en heeft verweerder naproxen als extra pijnstiller laten bezorgen. Medisch is hier een afweging gemaakt bij op dat moment geen aanwijzing voor ernstig letsel. Een rib of sternumfractuur op zich wordt ook behandeld met pijnstilling, identiek aan een contusie. Pijnstilling moet inwerken dus moest het effect van paracetamol even worden afgewacht. 3.2 Verweerder had er wellicht beter aan gedaan om klaagster door te sturen voor onderzoek en dan was de sternumfractuur eerder gevonden. Voor het beleid met pijnstilling maakt dit niet uit. Ook in het ziekenhuis is conservatief behandeld. Tijdens de opname in het ziekenhuis zijn de wervelfracturen ook niet direct gevonden. 3.3 Op 15 mei 2017 heeft verweerder tijdens een visite een gesprek met klaagster gevoerd. Hij heeft de inhoud niet als zodanig genoteerd, maar weet zich het nog goed te herinneren. Klaagster vertelde dat ze voelt dat dochters zich te veel zorgen maken, durven haar niet alleen te laten uit angst dat er iets gebeurt. Op 29 mei 2017 werd telefonisch contact opgenomen met de praktijk omdat klaagster nog veel pijn ervaart. Verweerder laat dan foto’s maken om uit te zoeken waarom klaagster nog zoveel rugpijn heeft. Hieruit bleek dat er 3 wervelfracturen aanwezig waren. Na overleg met de orthopeed heeft verweerder verwezen voor beoordeling door de specialist en zo mogelijk behandeling. De POH spreekt met klaagster op 29 mei 2017 (telefonisch). Ze geeft dan aan dat het allemaal niet zo dramatisch is als dochter doet voorkomen. Ze wil geen andere pijnmedicatie en afgesproken wordt later nogmaals contact op te nemen om met haar te praten. De specialist oordeelde dat een operatie niet mogelijk was en verwees klaagster voor korset en behandeling naar de pijnpoli. In deze periode zijn fysiotherapie, ergotherapie en een diëtiste betrokken geweest. Voorts hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar benauwdheid en hartfalen. Klaagster wordt in deze periode door de geriater, GGZ en de cardioloog onderzocht. Klaagster wordt vervolgens meegenomen in het ouderenzorgprogramma (via de POH, die ook bloeddrukcontroles etc verricht en al 20 jaar in de praktijk werkt en klaagster ook goed kent). Later wordt dit overgenomen door een Verpleegkundig Specialist die door verweerder wordt op- en begeleid met de bedoeling om ouderenzorg verder vorm te gaan geven in de praktijk. Vanaf februari 2020 werkt een andere verpleegkundige (oud-dementieconsulente) in de praktijk en heeft de ouderenzorg overgenomen. 3.4 Op maandag 27 juli 2020 neemt de dochter telefonisch contact op en de verpleegkundige bezoekt klaagster thuis. Klaagster heeft zondag een wandeling gemaakt en kon ineens niet verder lopen. De verpleegkundige onderzoekt klaagster en vraagt functieonderzoek aan, gericht op eventueel hartfalen of een doorgemaakt hartinfarct. Verweerder ziet niet in dat dit verwijtbaar is. 3.5 Verweerder bezoekt klaagster op woensdag 29 juli 2020. Klaagster blijft benauwd. Verweerder overlegt met de cardioloog en verwijst klaagster. Klaagster wordt gezien op de EHH (eerst hart hulp) De diagnose: benauwdheid bij iemand die veel rookt. Op 31 juli 2020 wordt klaagster weer gezien door de HAP i.v.m. benauwdheid en wordt niets nieuws gevonden. Klaagster wordt verwezen naar longarts en fysiotherapie. Klinisch lijkt het beeld op een longaanval bij COPD, maar klaagster is hiermee niet bekend. Behandeling volgt met prednison. Uit het dossier is niet duidelijk op welke datum de medicatie is voorgeschreven, maar de medicatie is bij de overdracht op één datum ingeboekt. 3.6 Zoals het uit het dossier blijkt neemt de dochter met regelmaat telefonisch contact op met de praktijk en worden visites afgelegd zoals op 5 augustus 2020 en 25 augustus 2020. Er is dan een situatie ontstaan waarbij dochter(s) vinden dat klaagster klachten heeft, maar bij visite wil klaagster zelf niet zo veel. Specialisten kunnen niets vinden naast het roken en de situatie na de val als verklaring voor de benauwdheid. Klaagster wil niet uit huis. Op 21 september 2020 vindt een MDO (Multi Disciplinair Overleg) plaats met de wijkverpleegkundige en de SOG. De SOG maakt dan een afspraak en de thuiszorg zal ook een gesprek gaan voeren met de dochters. 3.7 Op 28 oktober 2020 heeft verweerder een laatste telefoongesprek met dochter. De bloeddruk bij klaagster, die door de dochter twee maal per dag wordt gemeten, is dan erg hoog (RR 222/123). Klaagster zelf krijgt verweerder niet aan de lijn. Bij navraag blijken er geen alarmsignalen. Verweerder weet dat klaagster ook regelmatig juist een lage bloeddruk heeft (waar ook zorgen over zijn bij dochter). Hij legt uit dat er geen alarmsignalen zijn en dat hij niet de medicatie wil verhogen omdat dit juist tot een nog lagere bloeddruk kan leiden. Hij stelt voor om één keer per week een thuismeting of één dag een 24-uurs meting te doen, maar niet uit te gaan van momenten/metingen waarin klaagster huilerig of verdrietig is om niet representatieve hoge waardes te gebruiken. Verweerder legt uit dat zware hoofdpijn en braken alarmsymptomen zijn. Ook op 28 oktober 2020 heeft verweerder dochter serieus genomen en adequaat geadviseerd. Dit gesprek ontaardt in een gespannen sfeer. Dochter dreigt met een klacht en overstappen van huisarts. Verweerder antwoordt dat hij al vaker bemerkt dat hij met dochter niet goed en rustig kan communiceren over haar moeder. En dat hij oprecht niet goed weet hoe hij het beste kan helpen daar geen enkele specialist dit kan. Hierop beëindigt dochter het gesprek. Een week later wordt het dossier door een andere huisarts opgevraagd. Verweerder heeft uiteraard meegewerkt aan de overdracht en respecteert de vrije artsenkeuze. 3.8 Verweerder voelde zich bekneld door de vraag om het “beter” te maken voor moeder, terwijl er verschil zat tussen wat dochters wilden en wat klaagster zelf wilde. Dit was ook de reden om een SOG in te schakelen. Het advies van de SOG luidde om juist te luisteren naar wat klaagster zelf vertelt zonder dochters erbij. 3.9 Verweerder heeft klaagster laten onderzoeken door meerdere specialisten. Uiteindelijk is klaagster in het kader van het opzetten van ouderenzorg bezocht door de verpleegkundig specialist en een praktijkverpleegkundige. Uit de frequentie van de contacten en de inspanningen van verweerder als genoteerd blijkt dat hij klaagster serieus heeft genomen. Hij herkent zich dan ook niet in de beschrijving van klaagster. Nog voordat van de SOG een advies werd ontvangen is klaagster van huisarts veranderd. Verweerder betreurt het dat klaagster haar situatie toeschrijft aan zijn handelen en/of nalaten. Hij blijft echter van mening dat hij zich meer dan voldoende heeft ingespannen en dat hij heeft gehandeld conform een redelijk handelend beroepsgenoot.
Appears in 1 contract
Sources: Complaint Resolution
Het verweer. Het verweer houdt zakelijk en samengevat het volgende in:
3.1 Op 4 april 2017 Verweerder begrijpt dat hem kwalijk wordt genomen dat hij op 28 januari 2020 aan het begin van de middag niet aanwezig was bij een gesprek tussen ▇▇▇▇▇▇, zijn dochter en de casemanager dementie. De bedoeling van dat gesprek was om een opname voor klager te regelen in een psychogeriatrisch verpleeghuis, eventueel via een RM. Verweerder had van de assistente niet vernomen dat dit gesprek was aangevraagd, hij hoorde dit pas de avond ervoor. Verweerder had die dag echter al een afspraak die hij niet kon afzeggen. Verweerder maakt excuses voor deze miscommunicatie. Bovendien wilde verweerder het gesprek niet aangaan zonder eerst onder vier ogen met klager over een eventuele opname gesproken te hebben. Het was reeds vier maanden geleden dat verweerder hem had gezien en gesproken. In de tussentijd hadden hem geen verontrustende berichten over het gedrag van klager bereikt.
3.2 Verweerder heeft in de ochtend van 28 januari 2020 de casemanager dementie en ▇▇▇▇▇▇▇ dochter telefonisch dat klaagster een aantal treden van een vlizotrap was gevallengebeld. Er is direct spoedvisite gereden. Er was pijn bij palpatie sternum De familie wilde 24-uurs zorg en ribben. Geen aanwijzing begeleiding voor breuk in ribben/bovenbeen/arm/bekken. Waarschijnlijk wel pijnlijke kneuzingen. Klaagster gaf aan klager, mede omdat zijn dochter die zorg vanwege gezondheidsproblemen niet veel pijn te hebbenkon bieden. Verweerder gaf heeft die ochtend telefonisch een uitgebreide toelichting op zijn handelen aan klagers dochter gegeven. Ze was erg boos dat verweerder niet aan het advies gesprek kon deelnemen. Het bevreemdde verweerder dat hij niet van te starten met paracetamol voren over de reden van het gesprek was benaderd en als dit ingelicht. In feite werd hij voor een voldongen feit geplaatst. Hierin kon hij niet voldoende zou zijn te bellen voor sterkere pijnstillers. Later is gebeld en heeft verweerder naproxen als extra pijnstiller laten bezorgen. Medisch is hier een afweging gemaakt bij op dat moment geen aanwijzing voor ernstig letsel. Een rib of sternumfractuur op zich wordt ook behandeld met pijnstilling, identiek aan een contusie. Pijnstilling moet inwerken dus moest het effect van paracetamol even worden afgewacht.
3.2 Verweerder had er wellicht beter aan gedaan om klaagster door te sturen voor onderzoek en dan was de sternumfractuur eerder gevonden. Voor het beleid met pijnstilling maakt dit niet uit. Ook in het ziekenhuis is conservatief behandeld. Tijdens de opname in het ziekenhuis zijn de wervelfracturen ook niet direct gevondenmeegaan.
3.3 Op 15 mei 2017 Verweerder heeft klager op 29 januari 2020 thuis bezocht. Klager vertelde verweerder tijdens een visite een gesprek met klaagster gevoerd. Hij heeft de inhoud niet als zodanig genoteerd, maar weet zich het nog goed te herinneren. Klaagster vertelde dat ze voelt dat dochters zich te veel zorgen makenhem via een truc hadden laten tekenen voor opname in een verpleeghuis. Meerdere keren vroeg hij aan verweerder of hij uit zijn woning moest, durven haar niet alleen te laten uit angst dat er iets gebeurt. Op 29 mei 2017 werd telefonisch contact opgenomen met de praktijk omdat klaagster nog veel pijn ervaart. Verweerder laat dan foto’s maken om uit te zoeken waarom klaagster nog zoveel rugpijn heeft. Hieruit bleek dat er 3 wervelfracturen aanwezig waren. Na overleg met de orthopeed heeft verweerder verwezen voor beoordeling door de specialist en zo mogelijk behandeling. De POH spreekt met klaagster op 29 mei 2017 (telefonisch). Ze geeft dan aan dat het allemaal niet zo dramatisch is als dochter doet voorkomen. Ze wil geen andere pijnmedicatie en afgesproken wordt later nogmaals contact op te nemen om met haar te praten. De specialist oordeelde dat een operatie niet mogelijk was en verwees klaagster voor korset en behandeling naar de pijnpoli. In deze periode zijn fysiotherapie, ergotherapie en een diëtiste betrokken geweest. Voorts hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar benauwdheid en hartfalen. Klaagster wordt in deze periode door de geriater, GGZ en de cardioloog onderzocht. Klaagster wordt vervolgens meegenomen in het ouderenzorgprogramma (via de POH, die ook bloeddrukcontroles etc verricht en al 20 jaar in de praktijk werkt en klaagster ook goed kent). Later wordt dit overgenomen door een Verpleegkundig Specialist die door verweerder wordt op- en begeleid met de bedoeling om ouderenzorg verder vorm te gaan geven in de praktijk. Vanaf februari 2020 werkt een andere verpleegkundige (oud-dementieconsulente) in de praktijk en heeft de ouderenzorg overgenomenvond van niet.
3.4 Op maandag 27 juli 2020 neemt De familie vond dat klager moest verhuizen omdat hij niet meer veilig alleen zou kunnen wonen. Verweerder had te weinig aanwijzingen en argumenten voor een opname in een psychogeriatrisch verpleeghuis via een RM. Het medisch dossier biedt daarvoor tot dan toe ook onvoldoende aanknopingspunten. Verweerder heeft aan ▇▇▇▇▇▇▇ dochter als optie een verhuizing naar een verzorgingshuis genoemd waar klager onder specialistische ouderenzorg zou vallen. Verweerder was op de dochter telefonisch contact op hoogte van problemen tussen de familie en de verpleegkundige bezoekt klaagster thuisthuiszorgorganisatie. Klaagster Klagers dochter wilde meer hulp en toezicht dan de hulpverleners nodig achtten. Ze uitte veel kritiek op de verzorgenden, hetgeen tot veel ergernis leidde bij de thuisorganisatie. Na 28 januari 2020 heeft zondag ▇▇▇▇▇▇▇ dochter meerdere keren bij de assistente meldingen gedaan over voorvallen en verwondingen om een wandeling gemaakt en kon ineens niet verder lopen. De verpleegkundige onderzoekt klaagster en vraagt functieonderzoek aan, gericht dossier op eventueel hartfalen of een doorgemaakt hartinfarctte bouwen. Verweerder ziet kwam samen met de thuiszorg tot de conclusie dat deze door klagers dochter gestelde verwondingen niet in dat dit verwijtbaar isernstig waren.
3.5 Verweerder bezoekt klaagster en klagers dochter verschilden aldus van mening over de te verlenen zorg aan klager. Klager wilde in zijn woning blijven en gaf op woensdag 29 juli 2020. Klaagster blijft benauwd19 februari 2020 aan dat hij zich zou verhangen als hij moest verhuizen. Verweerder overlegt met heeft op 19 februari 2020 nogmaals bij klagers dochter aangegeven dat hij geen indicatie zag voor een rechterlijke machtiging. Verweerder betwist dat sprake was van gevaar of nadeel voor omwonenden, dit valt ook niet te objectiveren aan de cardioloog en verwijst klaagster. Klaagster wordt gezien op de EHH (eerst hart hulp) De diagnose: benauwdheid bij iemand die veel rookt. Op 31 juli 2020 wordt klaagster weer gezien door de HAP i.v.m. benauwdheid en wordt niets nieuws gevonden. Klaagster wordt verwezen naar longarts en fysiotherapie. Klinisch lijkt hand van het beeld op een longaanval bij COPD, maar klaagster is hiermee niet bekend. Behandeling volgt met prednison. Uit het dossier is niet duidelijk op welke datum de medicatie is voorgeschreven, maar de medicatie is bij de overdracht op één datum ingeboektdossier.
3.6 Zoals Op 20 februari 2020 bezochten ▇▇▇▇▇▇▇ dochter en zoon het uit spreekuur van verweerder met het dossier blijkt neemt verzoek een RM voor klager aan te vragen. Zij dreigden met een klacht als hij niet aan hun wens tegemoet zou komen. Zij waren ervan overtuigd dat de dochter met regelmaat telefonisch contact afwezigheid van verweerder tijdens het gesprek op met de praktijk 28 januari 2020 ertoe heeft geleid dat ▇▇▇▇▇▇ niet werd opgenomen in het psychogeriatrische verpleeghuis. Verweerder voelde zich onder druk gezet en worden visites afgelegd zoals op 5 augustus 2020 en 25 augustus 2020. Er is dan een situatie ontstaan waarbij dochter(s) vinden dat klaagster klachten heeft, maar bij visite wil klaagster zelf niet zo veel. Specialisten kunnen niets vinden naast het roken en in de situatie na de val als verklaring voor de benauwdheid. Klaagster wil niet uit huis. Op 21 september 2020 vindt dat hij klager moest beschermen tegen een MDO (Multi Disciplinair Overleg) plaats met de wijkverpleegkundige en de SOG. De SOG maakt dan een afspraak en de thuiszorg zal ook een gesprek gaan voeren met de dochters.
3.7 Op 28 oktober 2020 heeft verweerder een laatste telefoongesprek met dochter. De bloeddruk bij klaagster, die door de dochter twee maal per dag wordt gemeten, is dan erg hoog (RR 222/123). Klaagster zelf krijgt verweerder niet aan de lijn. Bij navraag blijken er geen alarmsignalen. Verweerder weet dat klaagster ook regelmatig juist een lage bloeddruk heeft (waar ook zorgen over zijn bij dochter)te bezorgde familie. Hij legt uit dat er geen alarmsignalen zijn en heeft uitgelegd dat hij niet de medicatie wil verhogen omdat dit juist persoon is die een RM kan aanvragen en dat er bovendien volgens hem en de hulpverleners die betrokken waren bij de zorg geen indicatie was voor het aanvragen van een dergelijke machtiging.
3.7 Blijkens de stukken die klagers dochter in het geding heeft gebracht heeft de Rechtbank [plaats] het verzoek van CIZ om een RM tot een nog lagere bloeddruk kan leidenopname en verblijf als bedoeld in de Wzd op 1 april 2020 afgewezen. Hij stelt voor om één keer per week een thuismeting of één dag een 24-uurs meting te doen, maar niet uit te gaan van momenten/metingen waarin klaagster huilerig of verdrietig is om niet representatieve hoge waardes te gebruiken. Verweerder legt uit dat zware hoofdpijn en braken alarmsymptomen zijn. Ook op 28 oktober 2020 De familie heeft verweerder dochter serieus genomen en adequaat geadviseerd. Dit gesprek ontaardt in een gespannen sfeer. Dochter dreigt met een klacht en overstappen van huisarts. Verweerder antwoordt dat hij al vaker bemerkt dat hij met dochter hiervan niet goed en rustig kan communiceren over haar moeder. En dat hij oprecht niet goed weet hoe hij het beste kan helpen daar geen enkele specialist dit kan. Hierop beëindigt dochter het gesprek. Een week later wordt het dossier door een andere huisarts opgevraagd. Verweerder heeft uiteraard meegewerkt aan op de overdracht en respecteert de vrije artsenkeuzehoogte gesteld.
3.8 Verweerder voelde zich bekneld door Op 22 april 2020 is in het medisch dossier van klager genoteerd dat de vraag om nieuwe casemanager dementie niet achter het “beter” te maken beleid van ▇▇▇▇▇▇▇ dochter kon staan en een nieuwe aanvraag voor moedereen RM niet steunde. Op 28 april 2020 is in het medisch dossier genoteerd dat klagers dochter de thuiszorg heeft opgezegd per 1 mei 2020. Op 29 april 2020 is in het dossier genoteerd dat verweerder GGZ [naam] heeft ingeschakeld na uitvoerig telefonisch overleg met mevrouw [naam], terwijl er verschil zat tussen wat dochters wilden en wat klaagster zelf wildepsychiater. Dit De psychiater was ook op 30 juni 2020 van mening dat klager niet voldeed aan de reden om criteria voor een SOG in te schakelen. Het advies van de SOG luidde om juist te luisteren naar wat klaagster zelf vertelt zonder dochters erbijRM.
3.9 Verweerder heeft klaagster laten onderzoeken door meerdere specialistenop 15 april 2020 zijn praktijk aan een collega overgedragen. Uiteindelijk Hij heeft op 12 mei 2020 voor het laatst een visite aan klager afgelegd. In juni 2020 is klaagster in het kader medisch dossier genoteerd dat klagers dochter vertelde dat de woningstichting van de aanleunwoning van klager de huur had opgezegd omdat de familie de aan de aan de huur gekoppelde thuiszorg had opgezegd.
3.10 Op 17 juli 2020 ontving ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ het bericht dat de familie voor ▇▇▇▇▇▇ een nieuw onderkomen in [plaats] had gevonden, in zijn geboortestreek en dichtbij zijn zoon. Klager was tevreden met deze nieuwe plek en op 28 juli 2020 heeft verweerder afscheid van hem genomen. Klager bedankte verweerder voor de verleende zorg. Het verbaast verweerder dan ook dat klager zijn dochter heeft gemachtigd voor het indienen van deze klacht.
3.11 Verweerder is van mening dat hem niet verweten kan worden dat klager 24-uurs zorg is misgelopen omdat verweerder niet aanwezig was bij het gesprek op 28 januari 2020 dat ▇▇▇▇▇▇▇ dochter zonder voorafgaand overleg met verweerder had aangevraagd. Verweerder meent dat hij klager moest beschermen voor opname in een gesloten psychogeriatrisch verpleeghuis omdat dit geen passende setting was. Verweerder heeft ▇▇▇▇▇▇▇ dochter meermalen 24-uurs zorg en begeleiding voorgesteld in een verzorgingshuis maar klaagster heeft dit voorstel afgewezen. Daarnaast wilde klager zelf niet verhuizen en ook andere hulpverleners stonden niet achter de aanvraag van een rechterlijke machtiging.
3.12 Van een verplichting tot schadevergoeding kan pas sprake zijn als komt vast te staan dat verweerder jegens klager onzorgvuldig heeft gehandeld, dat ten gevolge daarvan schade is ontstaan die klager anders niet zou hebben geleden en dat die schade in redelijkheid aan de vastgestelde onzorgvuldigheid kan worden toegerekend. Verweerder betwist de hoogte van de onkosten voor de verhuizing en de hoogte van het opzetten maandelijks tekort aan inkomen. Het ligt op de weg van ouderenzorg bezocht door klager als eiser in deze procedure om te stellen en te bewijzen dat, en zo ja in hoeverre, de verpleegkundig specialist en gestelde schadeposten een praktijkverpleegkundige. Uit de frequentie rechtstreeks gevolg zijn van de contacten en de inspanningen aan verweerder verweten gedraging. Daartoe is het enkel benoemen van verweerder als genoteerd blijkt dat hij klaagster serieus heeft genomen. Hij herkent zich dan ook niet in de beschrijving van klaagster. Nog voordat van de SOG een advies werd ontvangen is klaagster van huisarts veranderd. Verweerder betreurt het dat klaagster haar situatie toeschrijft aan zijn handelen schadeposten zonder te benoemen en/of nalatenonderbouwen waarom die schade een rechtstreeks gevolg is van de aan verweerder verweten gedraging onvoldoende. Hij blijft echter Om die reden zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om het vereiste causaal verband vast te kunnen stellen. De verhuizing was bovendien een indirect gevolg van mening dat hij zich meer dan voldoende heeft ingespannen de door klagers dochter opgezegde thuiszorg. Klager had ook kosten voor een verhuizing gemaakt als klager als gevolg van een RM naar een andere woonvoorziening was verhuisd. De vordering betreffende aanvulling van het maandelijks tekort kan verweerder zonder nadere onderbouwing niet begrijpen. Verweerder kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de huidige financiële situatie van klager en dat hij heeft gehandeld conform een redelijk handelend beroepsgenootvoor de situatie van de komende vier jaar.
Appears in 1 contract
Sources: Complaint Resolution
Het verweer. Het verweer houdt zakelijk en samengevat het volgende in:
3.1 Op 4 april 2017 ▇▇▇▇▇ dochter telefonisch dat klaagster een aantal treden Verweerder gaat eerst in op de zorgvuldigheid ten aanzien van een vlizotrap was gevallen. Er is direct spoedvisite gereden. Er was pijn bij palpatie sternum en ribben. Geen aanwijzing voor breuk in ribben/bovenbeen/arm/bekken. Waarschijnlijk wel pijnlijke kneuzingen. Klaagster gaf aan niet veel pijn te hebben. Verweerder gaf het advies te starten met paracetamol en als dit niet voldoende zou zijn te bellen voor sterkere pijnstillers. Later is gebeld en heeft verweerder naproxen als extra pijnstiller laten bezorgen. Medisch is hier een afweging gemaakt bij op dat moment geen aanwijzing voor ernstig letsel. Een rib of sternumfractuur op zich wordt ook behandeld met pijnstilling, identiek aan een contusie. Pijnstilling moet inwerken dus moest het effect van paracetamol even worden afgewacht.
3.2 Verweerder had er wellicht beter aan gedaan om klaagster door te sturen voor onderzoek en dan was de sternumfractuur eerder gevonden. Voor het beleid met pijnstilling maakt dit niet uit. Ook in het ziekenhuis is conservatief behandeld. Tijdens de opname in het ziekenhuis zijn de wervelfracturen ook niet direct gevonden.
3.3 Op 15 mei 2017 heeft verweerder tijdens een visite een gesprek met klaagster gevoerdprocedure. Hij heeft de inhoud niet als zodanig genoteerdopdracht ontvangen van de heer C, maar weet zich gerechtelijk deskundige. Hij heeft een opdrachtbrief opgesteld die door de heer C ondertekend is. Vervolgens is het nog goed te herinnerenpand opgenomen in het bijzijn van de advocaten van beide partijen; voor klaagster was dat mr. Klaagster vertelde D. Tijdens deze opname is door partijen erkend dat ze voelt sprake was van bouwkundige gebreken, waaronder lekkende wanden en oneffenheden in de vloer. Partijen verklaarden tegenover verweerder dat dochters zich te veel zorgen maken, durven haar niet alleen te laten uit angst dat er iets gebeurt. Op 29 mei 2017 werd telefonisch contact opgenomen met de praktijk omdat klaagster nog veel pijn ervaart. Verweerder laat dan foto’s maken om uit te zoeken waarom klaagster nog zoveel rugpijn heeft. Hieruit bleek dat er 3 wervelfracturen deze bouwfouten in 2013 al aanwezig waren. Na In overleg met is besloten een bouwkundig adviesbureau in te schakelen om een rapport op te stellen, dat bij het taxatierapport gevoegd is. Daarna is het conceptrapport opgesteld en aan partijen toegezonden. Opmerkingen van de orthopeed advocaat van klaagster, mr. Klaver, hebben geleid tot een memo of zijn verwerkt in het rapport. Het definitieve rapport is daarop uitgebracht. De rechtbank heeft de uitkomst daarvan verwerkt in haar uitspraak en de waarde van het bedrijf vastgesteld in het licht van een sale & leasebackconstructie. Enige tijd later is verweerder verwezen voor beoordeling door de specialist gemachtigde van klaagster, mr. Tacoma, aansprakelijk gesteld. Vervolgens wijst verweerder op de uitgangspunten van de taxatie, waarbij verweerder zich heeft gebaseerd op een schrijven van rechtbankdeskundige C en zo de door hem verstrekte taxatieopdracht. Hierbij is eerder bepaald dat een sale & leasebackconstructie ultimo 2013 mogelijk behandelingwas. In reactie op klachtonderdeel 1. stelt verweerder dat sprake is van een interpretatieverschil. De POH spreekt met klaagster op 29 mei 2017 (telefonisch)waardepeildatum 31 december 2013 is correct. Ze De waarde is tegen die datum bepaald. Omtrent klachtonderdeel 2. geeft dan verweerder aan dat het allemaal hij zich gebaseerd heeft op de breed geaccepteerde taxatiemodule TMI/fluX, die is gestoeld op de BAR/NAR-methode. Deze methode wordt echter beïnvloed door de sale & leaseback. Zo wordt een waardering bij de BAR/NAR-methode gecorrigeerd voor een bestaand contract, maar niet zo dramatisch als er sprake is van sale & leaseback. Verweerder heeft daarnaast de comparatieve methode gehanteerd als dochter doet voorkomentweede methode. Ze wil geen Klaagster geeft ook niet aan welke andere pijnmedicatie tweede methode beter zou zijn geweest. Omtrent de relatie tussen de huurder en afgesproken wordt later nogmaals contact op de markthuur, geeft verweerder aan dat sprake is van een marktconforme huur, ter voorkoming van een te nemen om met haar te pratenhoge huurprijs bij intercompanyverhuur. Verweerder licht toe dat uitgegaan is van een eeuwigdurende beschouwingsperiode (van 65 jaar) zodat niet is uitgegaan van eenmalige mutatie voor wat betreft leegstand. Verweerder stelt dat hij de exploitatiekosten heeft bepaald aan de hand van breed geaccepteerde VEX-gegevens, in dit geval van Koeters 2012. De specialist oordeelde dat een operatie niet mogelijk was en verwees klaagster voor korset en behandeling naar de pijnpoli. In deze periode zijn fysiotherapie, ergotherapie en een diëtiste betrokken geweest. Voorts hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar benauwdheid en hartfalen. Klaagster wordt in deze periode door de geriater, GGZ en de cardioloog onderzocht. Klaagster wordt vervolgens meegenomen in omvang van het ouderenzorgprogramma (via de POH, die ook bloeddrukcontroles etc verricht en al 20 jaar in de praktijk werkt en klaagster ook goed kent). Later wordt dit overgenomen door een Verpleegkundig Specialist die door verweerder wordt op- en begeleid met de bedoeling om ouderenzorg verder vorm te gaan geven in de praktijk. Vanaf februari 2020 werkt een andere verpleegkundige (oud-dementieconsulente) in de praktijk en heeft de ouderenzorg overgenomen.
3.4 Op maandag 27 juli 2020 neemt de dochter telefonisch contact op en de verpleegkundige bezoekt klaagster thuis. Klaagster heeft zondag een wandeling gemaakt en kon ineens niet verder lopen. De verpleegkundige onderzoekt klaagster en vraagt functieonderzoek aan, gericht op eventueel hartfalen of een doorgemaakt hartinfarct. Verweerder ziet niet in dat dit verwijtbaar is.
3.5 Verweerder bezoekt klaagster op woensdag 29 juli 2020. Klaagster blijft benauwd. Verweerder overlegt met de cardioloog en verwijst klaagster. Klaagster wordt gezien op de EHH (eerst hart hulp) De diagnose: benauwdheid bij iemand die veel rookt. Op 31 juli 2020 wordt klaagster weer gezien door de HAP i.v.m. benauwdheid en wordt niets nieuws gevonden. Klaagster wordt verwezen naar longarts en fysiotherapie. Klinisch lijkt het beeld op een longaanval bij COPD, maar klaagster is hiermee niet bekend. Behandeling volgt met prednison. Uit het dossier is niet duidelijk op welke datum de medicatie is voorgeschreven, maar de medicatie achterstallig onderhoud is bij de overdracht inspectie in 2017 door partijen toegelicht. Met name de vochtproblemen waren er ook al in 2013. Verweerder stelt dat hij voor het herstel terecht een correctiepost heeft opgenomen. In reactie op één datum ingeboekt.
3.6 Zoals de opmerkingen van [taxatieadvieskantoor] voert verweerder aan dat daarbij alleen op details wordt ingegaan en geen ruimte is voor het uit marktbeeld. Ten aanzien van de beleggingswaarde licht verweerder toe dat eind 2013 het dossier blijkt neemt dieptepunt was in de dochter met regelmaat telefonisch contact op met de praktijk en worden visites afgelegd zoals op 5 augustus 2020 en 25 augustus 2020beleggingsmarkt. Verweerder meent dat hij als taxateur voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Er is dan een situatie ontstaan waarbij dochter(s) vinden dat klaagster klachten heeftweliswaar sprake van enkele verschrijvingen in het rapport, maar bij visite wil klaagster zelf niet zo veeldat heeft geen invloed gehad op de waardering. Specialisten kunnen niets vinden naast het roken en Het bijzondere uitgangspunt, de situatie na de val als verklaring voor de benauwdheid. Klaagster wil niet uit huis. Op 21 september 2020 vindt een MDO (Multi Disciplinair Overleg) plaats met de wijkverpleegkundige en de SOG. De SOG maakt dan een afspraak en de thuiszorg zal ook een gesprek gaan voeren met de dochters.
3.7 Op 28 oktober 2020 heeft verweerder een laatste telefoongesprek met dochter. De bloeddruk bij klaagster, die door de dochter twee maal per dag wordt gemetensale & leasebackconstructie, is dan erg hoog (RR 222/123). Klaagster zelf krijgt verweerder niet aan de lijn. Bij navraag blijken er geen alarmsignalen. Verweerder weet dat klaagster ook regelmatig juist een lage bloeddruk heeft (waar ook zorgen over zijn bij dochter). Hij legt uit dat er geen alarmsignalen zijn en dat hij niet de medicatie wil verhogen omdat dit juist tot een nog lagere bloeddruk kan leiden. Hij stelt voor om één keer per week een thuismeting of één dag een 24-uurs meting te doen, maar niet uit te gaan van momenten/metingen waarin klaagster huilerig of verdrietig is om niet representatieve hoge waardes te gebruiken. Verweerder legt uit dat zware hoofdpijn en braken alarmsymptomen zijn. Ook op 28 oktober 2020 heeft verweerder dochter serieus genomen en adequaat geadviseerd. Dit gesprek ontaardt in een gespannen sfeer. Dochter dreigt met een klacht en overstappen van huisarts. Verweerder antwoordt dat hij al vaker bemerkt dat hij met dochter niet goed en rustig kan communiceren over haar moeder. En dat hij oprecht niet goed weet hoe hij het beste kan helpen daar geen enkele specialist dit kan. Hierop beëindigt dochter het gesprek. Een week later wordt het dossier door een andere huisarts opgevraagd. Verweerder heeft uiteraard meegewerkt aan de overdracht en respecteert de vrije artsenkeuze.
3.8 Verweerder voelde zich bekneld door de vraag om het “beter” te maken voor moeder, terwijl er verschil zat tussen wat dochters wilden en wat klaagster zelf wilde. Dit was ook de reden om een SOG in te schakelen. Het advies van de SOG luidde om juist te luisteren naar wat klaagster zelf vertelt zonder dochters erbij.
3.9 Verweerder heeft klaagster laten onderzoeken door meerdere specialisten. Uiteindelijk is klaagster in het kader van het opzetten van ouderenzorg bezocht door de verpleegkundig specialist en een praktijkverpleegkundige. Uit de frequentie van de contacten en de inspanningen van verweerder als genoteerd blijkt dat hij klaagster serieus heeft genomen. Hij herkent zich dan ook niet in de beschrijving van klaagster. Nog voordat van de SOG een advies werd ontvangen is klaagster van huisarts veranderd. Verweerder betreurt het dat klaagster haar situatie toeschrijft aan zijn handelen en/of nalaten. Hij blijft echter van mening dat hij zich meer dan voldoende heeft ingespannen en dat hij heeft gehandeld conform een redelijk handelend beroepsgenootrapport opgenomen.
Appears in 1 contract
Sources: Tuchtcollege Uitspraak
Het verweer. Het verweer houdt Verweerder voert, zakelijk en samengevat weergegeven, het volgende in:
3.1 navolgende verweer. Op 4 april 2017 23 november 2016 is door tandarts H een beugel geplaatst bij de dochter van ▇▇▇▇▇▇▇▇▇. ▇▇▇▇▇▇▇▇ ▇ was via een overeenkomst van opdracht werkzaam bij verweerder. In verband met ontoelaatbaar gedrag en een toenemend aantal klachten was verweerder genoodzaakt de overeenkomst met H op te zeggen per 25 april 2017. Door de rechtbank werd verweerder echter verplicht H per 1 juli 2017 nog drie maanden tandheelkundige werkzaamheden te laten verrichten waardoor verweerder de gevonden vervanger voor H die per 1 juli 2017 in dienst zou treden weer af heeft moeten zeggen. Verweerder heeft daarna tevergeefs actief gezocht naar een orthodontist die de behandelingen van H na zijn laatste werkdag op 4 oktober 2017 zou kunnen voortzetten. Mede in verband met de slechte naam van H was niemand bereid zijn lopende behandelingen bij B over te nemen. Op 24 oktober 2017 is een orthodontist uit J, I gestart bij B om de eerste nood op te lossen. Op advies van I moest de door tandarts H geplaatste beugel bij de dochter telefonisch van klaagster worden verwijderd en worden vervangen door een nieuwe beugel. Door I is tijdens het eerste consult op 14 november 2017 een nieuw behandelplan opgesteld en besproken met klaagster en haar dochter. Zij zijn akkoord gegaan met het nieuwe behandelplan. De kosten voor het verwijderen van de beugel en het plaatsen van de nieuwe beugel zijn door verweerder betaald. Begin maart moest I in verband met gezondheidsklachten per direct stoppen met werken. Verweerder heeft vanaf begin maart 2018 diverse praktijken voor orthodontie bezocht en orthodontisten benaderd om een oplossing te zoeken voor de patiënten die bij hen onder behandeling waren. Helaas is het verweerder niet gelukt iemand voor het voorzetten van de lopende behandelingen te vinden. Om die reden heeft verweerder besloten te stoppen met de orthodontiebehandelingen en dit per brief van 23 maart 2018 aan de patiënten medegedeeld. Verweerder heeft de klachtbrief van klaagster op 10 april 2018 doorgestuurd naar H. Verweerder stelt zich op het standpunt dat klaagster een aantal treden de onverantwoorde werkwijze van tandarts H de oorzaak was van het voortijdig moeten beëindigen van de behandelovereenkomst met de dochter van klaagster. Indien H zijn behandelingen had uitgevoerd zoals van een vlizotrap was gevallen. Er is direct spoedvisite gereden. Er was pijn bij palpatie sternum redelijk handelend en ribben. Geen aanwijzing voor breuk in ribben/bovenbeen/arm/bekken. Waarschijnlijk wel pijnlijke kneuzingen. Klaagster gaf aan redelijk bekwaam tandarts mag worden verwacht waren zij niet veel pijn genoodzaakt geweest de overeenkomst van opdracht met hem te hebbenbeëindigen en had hij de opgestarte behandelingen af kunnen maken. Verweerder gaf het advies te starten met paracetamol heeft de kosten voor de tweede beugel die door orthodontist I is geplaatst betaald en als dit niet voldoende zou zijn te bellen voor sterkere pijnstillersis van mening dat de extra kosten die klaagster moet maken door H moeten worden vergoed. Later is gebeld en Ter zitting heeft verweerder naproxen als extra pijnstiller laten bezorgenaangevoerd dat het zoeken van vervanging van H zeer lastig was en toen ook I genoodzaakt was te stoppen met werken zij met de rug tegen de muur stonden. Medisch G heeft ter zitting aangegeven dat alles haar teveel werd en zij zich door het niet kunnen voortzetten van de orthodontische behandeling geconfronteerd zag met 150 mensen die verder behandeld moesten worden. G vond hetgeen H had aangericht zo erg zodat zij de patiënten niet te woord kon staan. Ook een substantieel aantal van de baliemedewerksters is hier een afweging gemaakt bij op dat moment geen aanwijzing voor ernstig letsel. Een rib of sternumfractuur op zich wordt ook behandeld met pijnstilling, identiek vertrokken door de ontstane situatie waardoor het dikwijls heeft ontbroken aan een contusieeerste aanspreekpunt. Pijnstilling moet inwerken dus moest het effect van paracetamol even worden afgewacht.
3.2 Verweerder had er wellicht beter aan gedaan om klaagster door te sturen voor onderzoek en dan was de sternumfractuur eerder gevonden. Voor het beleid met pijnstilling maakt dit niet uit. Ook in het ziekenhuis is conservatief behandeld. Tijdens de opname in het ziekenhuis zijn de wervelfracturen ook niet direct gevonden.
3.3 Op 15 mei 2017 F heeft verweerder tijdens een visite een gesprek met klaagster gevoerd. Hij heeft de inhoud niet als zodanig genoteerd, maar weet zich het nog goed te herinneren. Klaagster vertelde dat ze voelt dat dochters zich te veel zorgen maken, durven haar niet alleen te laten uit angst dat er iets gebeurt. Op 29 mei 2017 werd telefonisch contact opgenomen met de praktijk omdat klaagster nog veel pijn ervaart. Verweerder laat dan foto’s maken om uit te zoeken waarom klaagster nog zoveel rugpijn heeft. Hieruit bleek dat er 3 wervelfracturen aanwezig waren. Na overleg met de orthopeed heeft verweerder verwezen voor beoordeling door de specialist en zo mogelijk behandeling. De POH spreekt met klaagster op 29 mei 2017 (telefonisch). Ze geeft dan aan dat het allemaal niet zo dramatisch is als dochter doet voorkomen. Ze wil geen andere pijnmedicatie en afgesproken wordt later nogmaals contact op te nemen om met haar te praten. De specialist oordeelde dat een operatie niet mogelijk was en verwees klaagster voor korset en behandeling naar de pijnpoli. In deze periode zijn fysiotherapie, ergotherapie en een diëtiste betrokken geweest. Voorts hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar benauwdheid en hartfalen. Klaagster wordt in deze periode door de geriater, GGZ en de cardioloog onderzocht. Klaagster wordt vervolgens meegenomen in het ouderenzorgprogramma (via de POH, die ook bloeddrukcontroles etc verricht en al 20 jaar in de praktijk werkt en klaagster ook goed kent). Later wordt dit overgenomen door een Verpleegkundig Specialist die door verweerder wordt op- en begeleid met de bedoeling om ouderenzorg verder vorm te gaan geven in de praktijk. Vanaf februari 2020 werkt een andere verpleegkundige (oud-dementieconsulente) in de praktijk en heeft de ouderenzorg overgenomen.
3.4 Op maandag 27 juli 2020 neemt de dochter telefonisch contact op en de verpleegkundige bezoekt klaagster thuis. Klaagster heeft zondag een wandeling gemaakt en kon ineens niet verder lopen. De verpleegkundige onderzoekt klaagster en vraagt functieonderzoek aan, gericht op eventueel hartfalen of een doorgemaakt hartinfarct. Verweerder ziet niet in dat dit verwijtbaar is.
3.5 Verweerder bezoekt klaagster op woensdag 29 juli 2020. Klaagster blijft benauwd. Verweerder overlegt met de cardioloog en verwijst klaagster. Klaagster wordt gezien op de EHH (eerst hart hulp) De diagnose: benauwdheid bij iemand die veel rookt. Op 31 juli 2020 wordt klaagster weer gezien door de HAP i.v.m. benauwdheid en wordt niets nieuws gevonden. Klaagster wordt verwezen naar longarts en fysiotherapie. Klinisch lijkt het beeld op een longaanval bij COPD, maar klaagster is hiermee niet bekend. Behandeling volgt met prednison. Uit het dossier is niet duidelijk op welke datum de medicatie is voorgeschreven, maar de medicatie is bij de overdracht op één datum ingeboekt.
3.6 Zoals het uit het dossier blijkt neemt de dochter met regelmaat telefonisch contact op met de praktijk en worden visites afgelegd zoals op 5 augustus 2020 en 25 augustus 2020. Er is dan een situatie ontstaan waarbij dochter(s) vinden dat klaagster klachten heeft, maar bij visite wil klaagster zelf niet zo veel. Specialisten kunnen niets vinden naast het roken en de situatie na de val als verklaring voor de benauwdheid. Klaagster wil het niet uit huis. Op 21 september 2020 vindt een MDO (Multi Disciplinair Overleg) plaats met de wijkverpleegkundige en de SOG. De SOG maakt dan een afspraak en de thuiszorg zal ook een gesprek gaan voeren met de dochters.
3.7 Op 28 oktober 2020 heeft verweerder een laatste telefoongesprek met dochter. De bloeddruk bij klaagster, die door de dochter twee maal per dag wordt gemeten, is dan erg hoog (RR 222/123). Klaagster zelf krijgt verweerder niet aan de lijn. Bij navraag blijken er geen alarmsignalen. Verweerder weet dat klaagster ook regelmatig juist een lage bloeddruk heeft (waar ook zorgen over zijn bij dochter). Hij legt uit dat er geen alarmsignalen zijn en dat hij niet de medicatie wil verhogen omdat dit juist tot een nog lagere bloeddruk kan leiden. Hij stelt voor om één keer per week een thuismeting of één dag een 24-uurs meting te doen, maar niet uit te gaan van momenten/metingen waarin klaagster huilerig of verdrietig is om niet representatieve hoge waardes te gebruiken. Verweerder legt uit dat zware hoofdpijn en braken alarmsymptomen zijn. Ook op 28 oktober 2020 heeft verweerder dochter serieus genomen en adequaat geadviseerd. Dit gesprek ontaardt in een gespannen sfeer. Dochter dreigt met een klacht en overstappen van huisarts. Verweerder antwoordt dat hij al vaker bemerkt dat hij met dochter niet goed en rustig kan communiceren over haar moeder. En dat hij oprecht niet goed weet hoe hij het beste kan helpen daar geen enkele specialist dit kan. Hierop beëindigt dochter het gesprek. Een week later wordt het dossier door een andere huisarts opgevraagd. Verweerder heeft uiteraard meegewerkt aan de overdracht en respecteert de vrije artsenkeuze.
3.8 Verweerder voelde zich bekneld door de vraag om het “beter” te maken voor moeder, terwijl er verschil zat tussen wat dochters wilden en wat klaagster zelf wilde. Dit was ook de reden om een SOG in te schakelen. Het advies woord kunnen staan van de SOG luidde patiënten aangegeven dat het hem eveneens allemaal teveel was geworden en er naar oplossingen werd gezocht. Met een praktijk voor orthodontie in C was bijna een overeenkomst gesloten waardoor de patiënten daar verder behandeld hadden kunnen worden. Om financiële redenen is deze overeenkomst niet doorgegaan. Achteraf gezien is door F erkend dat de wijze van handelen van B niet elegant was en zij andere mensen in hadden moeten zetten om juist de ontstane problemen op te luisteren naar wat klaagster zelf vertelt zonder dochters erbijlossen.
3.9 Verweerder heeft klaagster laten onderzoeken door meerdere specialisten. Uiteindelijk is klaagster in het kader van het opzetten van ouderenzorg bezocht door de verpleegkundig specialist en een praktijkverpleegkundige. Uit de frequentie van de contacten en de inspanningen van verweerder als genoteerd blijkt dat hij klaagster serieus heeft genomen. Hij herkent zich dan ook niet in de beschrijving van klaagster. Nog voordat van de SOG een advies werd ontvangen is klaagster van huisarts veranderd. Verweerder betreurt het dat klaagster haar situatie toeschrijft aan zijn handelen en/of nalaten. Hij blijft echter van mening dat hij zich meer dan voldoende heeft ingespannen en dat hij heeft gehandeld conform een redelijk handelend beroepsgenoot.
Appears in 1 contract
Sources: Geschilleninstantie Mondzorg