De feiten 2.1. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw heeft de Staat de post- code ontwikkeld, een zes-positie-code bestaande uit een woonplaats- code van vier cijfers, aangevuld met twee letters. Het verantwoor- delijke onderdeel van de Staat was het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (hierna: de PTT). De PTT was als staatsbedrijf volledig onderdeel van de Staat. [...] 2.4. De PTT is in 1989 verzelfstandigd tot Koninklijke PTT Neder- landNV, waarbinnen de werkmaatschappijen PTT Post BV en PTT Telecom BV bestonden. De Staat is enig aandeelhouder gebleven van Koninklijke PTT Nederland NV tot de beursgang van dit bedrijf in 1994. Koninklijke PTT Nederland NV is in juni 1998 gesplitst in (onder meer) Koninklijke TPG Post BV (hierna: TPG). Op 16 oktober 2006 heeft TPG haar naam veranderd in Koninklijke TNT Post BV, die een dochteronderneming is van de beursgenoteerde onderneming TNT NV (hierna: TNT). Hangende de onderhavige procedure is de naam van deze vennootschap opnieuw gewijzigd, thans in Konink- lijke PostNL BV 2.5. Sinds de verzelfstandiging van de PTT is het systeem van toeken- ning van postcodes volgens het bestaande systeem voortgezet, zij het dat de postcodes sindsdien werden toegewezen door Koninklijke PTT Nederland NV Om een en ander goed te laten verlopen, werd eind jaren tachtig van de twintigste eeuw tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) en PTT Post BV een convenant gesloten over het doorgeven en toekennen van wijzigingen. In 2006 is dit convenant (voluit: Kaderconvenant inzake Postcodes – hierna ook: Kaderconvenant) herzien, waarbij ook de Staat, naast VNG en TPG, contractspartij is geworden. Het Kaderconvenant luidt voor zover hier relevant als volgt: Jurisprudentie nr. 1
Feiten 1. Op 2 augustus 2007 verleent de verwerende partij aan de vader van de tussenkomende partij een vergunning voor het verder exploiteren van een varkens- en runderhouderij en de uitbreiding ervan tot een inrichting met 130m³ mest, een stalplaats voor 17 voertuigen en een mazoutopslag. Na overname van het bedrijf in 2010 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare op 6 september 2010 een milieuvergunning aan de tussenkomende partij voor onder meer 990 vleesvarkens en een bergplaats voor 24 landbouwvoertuigen en/of aanhangwagens. De verwerende partij echter weigert die vergunning, na administratief beroep, op 3 februari 2011 omdat de aanvraag niet in verhouding staat tot het gevraagde aantal dieren en dus niet duidelijk gebonden is aan een concrete landbouwactiviteit. Op 23 mei 2011 dient de tussenkomende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in voor de uitbating van een varkensfokkerij, ditmaal met een bergplaats voor 13 voertuigen. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare verleent de milieuvergunning op 30 augustus 2011 onder de bijzondere voorwaarde dat de activiteiten "landbouwgerelateerd" moeten zijn en dat "voertuigen, machines en aanhangwagens bestemd voor grondwerken" niet op de inrichting mogen worden gestald. De vergunde voertuigen en/of aanhangwagens worden in een tweede bijzondere exploitatievoorwaarde uitdrukkelijk opgesomd. De verwerende partij bevestigt, na administratief beroep, op 26 januari 2012 deze vergunning, met dien verstande dat de bijzondere exploitatievoorwaarde met de opsomming van de vergunde voertuigen en/of aanhangwagens wordt geschrapt. Met een arrest van 30 januari 2014 (nr. 226.273) verwerpt de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, de door de verzoekende partijen ingestelde vordering tot vernietiging van deze beslissing. 2. Ondertussen verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare op 26 mei 2008 een stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden voor een nieuwe landbouwloods en de aanleg van verharding (ref. 2008/75, stuk 5 van het administratief dossier). Deze vergunning wordt echter anders uitgevoerd, met grotere betonpanelen, het weglaten van enkele ramen in de zijgevel, een gewijzigde kleur van poorten en dakpanelen en een grotere oppervlakte verharding. Nadat het college van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare op 13 november 2009 een stedenbouwkundige vergunning verleent voor de regularisatie van die landbouwloods, mits alleen landbouwgerelateerde activiteiten in de loods plaatsvinden (ref. 2009/418, stuk 9 van het gemeentelijk dossier) en met uitsluiting van de wederrechtelijk uitgevoerde verharding in beton ter hoogte van de noordwestelijke perceelsgrens en met beperking van de opritzone tot maximaal 4 meter breedte langsheen de loods, weigert de verwerende partij op 29 april 2010 de regularisatievergunning omwille van het gebrek aan een professionele landbouwexploitatie ter plaatse. Met het arrest nr. A/2011/0159 van 8 november 2011 verklaart de Raad voor Vergunningsbetwistingen het tegen deze beslissing ingediend annulatieberoep onontvankelijk wegens gebrek aan actueel belang (rolnummer 2010/0492/A/2/0465) aangezien, gegeven de feitelijkheden, onvoldoende concreet is aangetoond dat effectief de exploitatie van een leefbaar landbouwbedrijf wordt beoogd en dat deze exploitatie wordt gefnuikt door de weigering van de regularisatievergunning aan de vader van de tussenkomende partij. Het tegen dit arrest ingediende cassatieberoep wordt door de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, verworpen bij arrest nr. 220.985 van 12 oktober 2012. 3. Op 14 september 2012 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare een nieuwe stedenbouwkundige aanvraag in, ditmaal voor “regularisatie van een landbouwloods”. Het perceel is, volgens de bestemmingsvoorschriften van het met een besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1991 vastgesteld algemeen plan van aanleg Roeselare (hierna APA ‘Roeselare’), gelegen in een zone 2.1 voor landelijk- en open-ruimtegebied met agrarisch karakter, bestemd voor de landbouw in de ruime zin, met inbegrip van de volgende categorieën (verband houdende met voedingsproductie in het landbouwgebied): serrebedrijven, witloof, champignons, en met inbegrip van bloemisterijen, hydroculturen e.d.. Het perceel is niet gelegen in een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan geldt, noch in een behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkaveling. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 21 september tot en met 20 oktober 2012, dienen de verzoekende partijen het enige bezwaarschrift in. Het departement Landbouw en Visserij, afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling, adviseert gunstig op 17 oktober 2012, na een vaststelling ter plaatse dat het professioneel gemengd landbouwbedrijf actief wordt uitgebaat, terwijl de activiteiten als grondwerker verplaatst zijn naar een site in Moorslede. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare verklaart het bezwaarschrift op 29 oktober 2012 ongegrond, met verwijzing naar het advies van het departement Landbouw en Visserij, afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare verleent op 28 december 2012 als volgt, onder voorwaarden, een stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij:
Inleidende bepalingen a. De geldende bepalingen van de Voorwaarden maken deel uit van deze mantelovereenkomst en vormen daarmee één geheel. De Voorwaarden gelden voor zover hier in de mantelovereenkomst daarvan niet wordt afgeweken; b. De bepalingen in onderhavige mantelovereenkomst prevaleren boven de Voorwaarden WGA-gat Uitgebreid; de polisvoorwaarden zijn op aanvraag beschikbaar bij Schouten Zekerheid en het secretariaat van CAO-partijen; aan een eventuele toelichting bij de polis kunnen geen rechten worden ontleend; de tekst van deze mantelovereenkomst wordt opgenomen in de CAO. c. In de polis voor de Werkgever is een bepaling opgenomen, waardoor de condities van deze mantelovereenkomst ook op die overeenkomst van toepassing is, inclusief het recht op beëindiging bij wijziging van deze mantelovereenkomst.
Ongewenste intimiteiten 1. De werkgever wordt aanbevolen een samenhangend beleid te voeren dat ongewenste intimiteiten in de werkorganisatie voorkomt en bestrijdt. Een samenhangend beleid bevat de volgende onderdelen: - het ontwikkelen en uitvoeren van preventief beleid - het instellen van een vertrouwenspersoon - ontwikkelen en tot uitvoer brengen van een klachtenprocedure. 2. Van ongewenste intimiteiten is sprake indien een werknemer hetzij door oneigenlijk gebruik van het gezag, waaraan hij krachtens zijn arbeidsovereenkomst is onderworpen, uitdrukkelijk tegen zijn wil wordt gedwongen sexuele handelingen te ondergaan hetzij en/of in de werksituatie wordt geconfronteerd met woorden of daden op sexueel gebied, waarvan betrokkene laat blijken en/of de pleger redelijkerwijs moet begrijpen, dat betrokkene deze ongewenst vindt. 3. De werkgever wordt aanbevolen aan alle werknemers te kennen te geven dat ongewenste intimiteiten niet getolereerd worden en tot sancties kunnen leiden voor de persoon die zich daaraan schuldig maakt. 4. De werkgever wordt aanbevolen om binnen de organisatie een persoon te belasten met de eerste opvang van werknemers die ongewenst intiem gedrag hebben ondergaan en daarover willen praten. Gelet op de aard van de problematiek zal deze functionaris bij voorkeur een vrouw zijn, maar in ieder geval het vertrouwen moeten genieten van het vrouwelijk personeel binnen de arbeidsorganisatie. 5. Werkwijze, taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon, alsmede een klachtenprocedure, moeten nader worden uitgewerkt. Partijen zullen hierover informatiemateriaal ter beschikking stellen.
Waarborgsom en tussentijdse betaling 10.1 Het horecabedrijf kan van de klant verlangen dat deze onder het horecabedrijf een waarborgsom deponeert. Ontvangen waarborgsommen worden deugdelijk geadministreerd, dienen uitsluitend tot zekerheid voor het horecabedrijf en gelden uitdrukkelijk niet als reeds gerealiseerde omzet. Tot meerdere zekerheid van het hore- cabedrijf kan deze van de klant verlangen zijn medewerking te verlenen aan het verstrekken van de benodigde gegevens, waaronder het maken van een afdruk of kopie van de creditcard van de klant, teneinde de waarborg- som en de mogelijkheid tot het uitwinnen daarvan zo veel als mogelijk zeker te stellen. 10.2 Het horecabedrijf kan steeds tussentijds betaling verlangen van reeds verleende horecadiensten. 10.3 Het horecabedrijf mag zich verhalen op het ingevolge de voorgaande bepalingen gedeponeerde bedrag ter zake al datgene wat de klant uit welken hoofde ook aan hem verschuldigd is. Het overschot dient door het horecabe- drijf onverwijld aan de klant te worden terugbetaald.
Opdrachtgever Een ieder die verzoekt en opdracht geeft tot (af/op)levering van Producten en Diensten.
Kwaliteitswaarborg Ik voldoe aan de volgende kwaliteitseisen, voortvloeiend uit mijn beroepsregistratie, specialisme of branche/beroepsvereniging(aanvinken wat van toepassing is:
Activiteiten De activiteiten die bijdragen tot het bereiken van de omzet* van de verzekerde* en die in de bijzondere voorwaarden beschreven zijn.
HOOFDACTIVITEIT Algemene overheidsdiensten
Waarborgen De pensioeninstelling verbindt er zich toe de in de Bijzondere Voorwaarden verzekerde prestaties uit te keren ingeval de aangeslotene slachtoffer wordt van een lichamelijk ongeval. Als ongeval wordt uitsluitend aanzien iedere plotselinge en abnormale gebeurtenis die veroorzaakt wordt door een van buiten komende kracht. Voor zover het overlijden van de aangeslotene rechtstreeks het gevolg is van een ongeval en zich voordoet binnen één jaar na het ongeval, betaalt de pensioeninstelling de verzekerde prestatie aan de begunstigde bij overlijden. Bij volledige en bestendige invaliditeit van de aangeslotene wordt de verzekerde prestatie uitbetaald aan de begunstigde bij leven. De bestendige invaliditeit zal vastgesteld worden na heling van de letsels en ten laatste één jaar na het ongeval. De graad van de bestendige invaliditeit voortvloeiend uit een gewaarborgd ongeval dient uitsluitend in België vastgesteld te worden. Dit gebeurt op basis van de Europese Schaal ter bepaling van de graad van lichamelijke en geestelijke invaliditeit. Daarbij zal geen rekening gehouden worden met het uitgeoefende beroep. Een bestendige invaliditeit van 67% of meer wordt als volledig beschouwd.