De feiten Voorbeeldclausules
De feiten. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voor de Raad het navolgende komen vast te staan. In januari/februari 2009 heeft klaagster beklaagde opdracht verleend als makelaar voor de aankoop door klaagster van bedrijfsruimte ten behoeve van het advocatenkantoor van klaagster. Klaagster heeft hierbij als voorwaarde gesteld dat beklaagde geen courtage in rekening kon brengen voor objecten waarmee klaagster anders dan via beklaagde in aanraking was gekomen. Beklaagde heeft in zijn e-mail van 6 februari 2009 aan klaagster de opdracht bevestigd, inclusief de hoogte van de courtage die hij klaagster in rekening zou kunnen brengen. Op 2 februari 2009 heeft beklaagde een e-mail gestuurd waarin klaagster een viertal te koop aangeboden kantoorruimtes werd voorgelegd. Hierbij is onder meer vermeld de bedrijfsruimte met het adres [adres] die te huur werd aangeboden maar ook kon worden gekocht. Deze ruimte wordt hierna aangeduid als: “de kantoorruimte”. Per e-mail van 6 februari 2009 heeft beklaagde klaagster inzake de mogelijke aankoop van de kantoorruimte laten weten informatie te hebben opgevraagd bij [naam makelaarskantoor], verkopend makelaar van de kantoorruimte, hierna te noemen: “de verkopend makelaar”. Bij e-mail van 9 februari 2009 heeft beklaagde klaagster nadere informatie met betrekking tot de kantoorruimte doen toekomen. Op 12 februari 2009 heeft beklaagde aan de verkopend makelaar laten weten dat zijn cliënte was geïnteresseerd in de aankoop van de kantoorruimte. Tevens werd verzocht om nadere informatie met betrekking tot de zich in de kantoorruimte (gedeeltelijk) bevindende huurder. Op 30 maart 2009 heeft klaagster beklaagde bericht geen hogere koopprijs te willen betalen. Dezelfde dag heeft beklaagde de verkopend makelaar laten weten dat klaagster haar bod niet zou verhogen. Op 16 oktober 2009 heeft klaagster beklaagde per e-mail laten weten aanpassingen aan de kantoorruimte te wensen. Op 19 oktober 2009 heeft beklaagde klaagster per e-mail gevraagd om nadere informatie inzake de gewenste aanpassingen. Op 19 oktober 2009 heeft klaagster beklaagde geïnformeerd. Op dezelfde dag heeft beklaagde die informatie aan de eigenaar tevens verhuurder van de kantoorruimte doorgegeven, de heer S. van [bedrijfsnaam]. Op 21 oktober 2009 heeft beklaagde klaagster per e-mail de standpuntbepaling per e-mail van 20 oktober 2009 van de heer S. inzake de mogelijkheden van aanpassing kenbaar gemaakt. In deze e-mail heeft beklaagde klaagster eveneens kenbaar g...
De feiten. 2.1 Eiser is tandarts. Hij is thans 57 jaar. Hij heeft sinds 1 januari 2007 op basis van een toelatingsovereenkomst (laatstelijk van 1 januari 2012) zijn praktijk uitgeoefend in het H. (H.) in het door de stichting in stand gehouden ziekenhuis (hierna: het ziekenhuis). Binnen het H. wordt tandheelkundige hulp verleend aan patiënten bij wie behandeling in de normale tandartspraktijk vanwege ernstige aandoeningen of handicaps niet (goed) mogelijk is. De tandartsen die – elk in deeltijd – structureel werkzaam zijn voor het H., zijn verenigd in een maatschap (hierna: de maatschap). Begin 2016 betrof dit vijf tandartsen, te weten mevrouw
I. (hierna: I.), de heer X. (hierna: J.), de heer X. (hierna: K.), F. en eiser. De stichting is aangesloten bij L. (L.), een instelling die onder meer de accreditaties verleent voor de specialismen die nodig zijn voor een erkend H.. De maten K. en eiser hebben in dat kader geen specifieke opleiding en geen concrete accreditatie. Zij zijn of waren actief binnen het H. op basis van de kwalificaties van andere (inmiddels vertrokken) maten. De tandartsen van het H. onderhouden nauwe contacten met de afdeling kaakchirurgie. Zij zijn lid van de Vereniging van Medische Specialisten (de VMS), die thans niet meer actief is. De VMS is feitelijk opgevolgd door de Coöperatie Medisch Specialistisch Bedrijf de stichting (hierna: het MSB) van het ziekenhuis. De tandartsen zijn niet toegetreden tot het MSB. Het H. wordt geleid door een medisch manager en een bedrijfsmanager. F. is de medisch manager, G. is de bedrijfsmanager.
2.2 Eiser is voor drie dagen per week verbonden geweest aan het H.. Op basis van een overeenkomst van opdracht met de maatschap van kaakchirurgen (hierna: de MKA) werkte hij daarnaast tot begin 2016 één dag per week op de afdeling kaakchirurgie van het ziekenhuis.
2.3 Op grond van artikel 6 van de toelatingsovereenkomst (‘Samenwerking tussen tandartsen’) dient de toegelaten tandarts met andere tandartsen de continuïteit van de patiëntenzorg in het H. te verzorgen. ‘Naast afstemming inzake productie, kwaliteit, continuïteit en beschikbaarheid zal de tandarts zorgdragen voor de goede verhouding in collegialiteit en teamgeest binnen de zorgkern.’ Een en ander dient vastgelegd te worden in een samenwerkingsovereenkomst.
2.4 Artikel 14 van de toelatingsovereenkomst betreft de wijze waarop omgegaan dient te worden met patiëntendossiers. Onder meer is bepaald (lid 1) dat de tandarts en de instelling, met inachtneming van wetteli...
De feiten. 2.1. Betrokkene is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de NBA.
2.2. Klaagster woont in het appartementencomplex [B] te [plaats1]. Het complex is gesplitst in 34 appartementen en bijbehorende bergingen en parkeerplaatsen. Op 14 december 2004 is de bijbehorende Vereniging van Eigenaren (hierna: VvE) opgericht. Klaagster is eigenaresse van een appartement in [B] en daarom van rechtswege lid van de VvE.
2.3. Artikel 4 lid 1 van het reglement behorend bij de akte van splitsing van 14 december 2004 luidt:
2.4. Op 30 januari 2013 heeft de VvE [BV1] (hierna: [BV1]) aangesteld als extern beheerder. Op 10 juli 2013 is met het oog hierop een beheerovereenkomst ondertekend; deze is jaarlijks verlengd. De VvE heeft [BV1] opdracht gegeven tot het verrichten van werkzaamheden op het terrein van administratief beheer, financieel beheer en technisch beheer. In de bij de beheerovereenkomst behorende bijlage ‘taakomschrijving beheerder’ is nader aangegeven wat onder deze diensten valt. Uit deze taakomschrijving blijkt dat onder financieel beheer onder meer valt het jaarlijks vervaardigen van een conceptbegroting en het opmaken van de jaarrekening van de VvE.
2.5. Op de ledenvergadering van de VvE van 21 mei 2015 is besloten om [BV1] aan te stellen als bestuurder van de VvE. Op deze ledenvergadering is tevens besloten om een door één van de appartementseigenaren opgesteld meerjaren onderhoudsplan (hierna: MJOP) goed te keuren.
2.6. Op de ledenvergadering van de VvE van 14 april 2016 is besloten om een reservering voor meerjarenonderhoud van 0,5% van de nieuwbouwwaarde te hanteren.
2.7. Met ingang van 16 april 2018 zijn de aandelen in [BV1] verworven door [BV2] (hierna: de holding). Van de holding zijn betrokkene en [C] aandeelhouders. Onder meer [BV1] en VvE [BV3] (hierna VvE [BV3]) zijn dochtermaatschappijen van de holding, waarvan betrokkene de indirect bestuurder is. Na de overdracht van de aandelen [BV1] aan de holding zijn de activiteiten van [BV1] ondergebracht in VvE [BV3], met dien verstande dat [BV1] wel bestuurder bleef van – voor deze zaak relevant – de VvE.
2.8. Naar aanleiding van een inspectie op 12 juli 2019 heeft [inspectiebedrijf] voor de VvE een nieuw (concept)MJOP opgesteld.
2.9. Op 2 februari 2021 is aan de leden van de VvE een uitnodiging voor een vergadering op 22 februari 2021 toegezonden, vergezeld van het conceptjaarverslag 2019. Het conceptjaarverslag is afgedrukt op briefpapier van VvE [BV3].
2.10. Tijdens de ledenvergadering v...
De feiten. Xxxxxxx boekte op 29 juli 2015 voor haar en twee minderjarige kinderen, bij reisbemiddelaar RB, XXX een pakketreis naar Bodrum, TURKIJE voor de periode van 16 augustus tot 23 augustus 2015 bestaande uit : - Een heenvlucht van Brussel naar BODRUM - Een verblijf in het hotel “A” op basis van de formule “All In”. - Een terugvlucht van BODRUM naar Brussel - De vluchten werden uitgevoerd door “LMIJ”. Verweerster trad op in haar hoedanigheid van reisorganisator. Totale prijs : 1.957,00 euro’s. Eiseres klaagt – samengevat - dat (zie o.a. vragenformulier, punt 17, en e-mail van 9 september 2015 aan reisbemiddelaar): - Zij bij aankomst in Budrum 2 uren heeft moeten wachten op haar zoekgeraakte koffer. - De hotelkamer lag vol stof, was niet gepoetst. De minibar was niet gevuld. Er was slechts één stoel op het balkon en een onaangename geur komende van buitenaf. Schimmel en kalk in de badkamer en lekkende airco. - Geen hygiëne rond het zwembad en in het hotel. - Onbeleefd personeel. - Weinig keuze in het restaurant en lange wachttijden. - Bij de terugreis, aankomst in Brussel, een uur moeten wachten om dan te kunnen constateren dat de buggy van haar kind gebroken was aangekomen. Eiseres beweert klacht ter plaatse te hebben ingediend bij de hostess van verweerster op 17 augustus en op de dag van aankomst bij de hotelier. Eiseres vordert dan ook een schadevergoeding voor een bedrag van 1.299 euro’s zijnde 299 euro voor de schade aan de buggy en 1.000 euro voor genotsderving. Verweerster stelt in haar schrijven van 3 november 2015 aan de reisbemiddelaar dat eiseres nagelaten heeft haar klacht op een bewijskrachtige manier te melden aan de reisleidster conform art 16 RCW. Eventueel diende contact te worden opgenomen met de reisorganisator teneinde hem in de mogelijkheid te stellen tegemoet te komen aan de aangehaalde klachten. Voor wat betreft de buggy wordt verwezen naar de reisverzekering of naar de luchtvaartmaatschappij. Om eiseres tegemoet te komen biedt verweerster haar een waardebon van 100 euro aan.
De feiten. 2.1 Als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde bescheiden, voor zover niet betwist, staat het navolgende vast.
2.2 Appellante is executeur-testamentair in de nalatenschap van haar in 2005 overleden vader. Als vertegenwoordigster van de erfgenamen geeft appellante aan Makelaardij B in P opdracht om te bemiddelen bij de verkoop van het tot de nalatenschap behorende woonhuis gelegen aan de X-xxxxxx 0 in O. De vraagprijs bedraagt aanvankelijk € 549.000,-- maar wordt in 2007 verlaagd naar € 519.000,-- en in 2008 verder verlaagd naar € 498.000,-- omdat voor de aankoop van het woonhuis geen belangstelling bestaat. Ook nadat beklaagde in 2008 de opdrachtenportefeuille van makelaar B overneemt be- zichtigt geen enkele aspirant-koper het woonhuis.
2.3 In de zomer van 2010 toont een zekere L daarvoor belangstelling maar dat leidt niet tot het sluiten van een koopovereenkomst. In maart 2011 bezichtigt L het woonhuis nog- maals waarna een koopovereenkomst wordt gesloten op basis van een koopsom van € 450.000,--. Aangezien L het voornemen heeft om de koopsom te betalen door middel van een door haar vanuit Nieuw-Zeeland nog te ontvangen eenmalige pensioenuitke- ring, is in artikel 16 van de op 9/22 april 2011 ondertekende koopakte de bepaling op- genomen dat L de koopovereenkomst uiterlijk op 16 juni 2011 kan ontbinden indien op die datum de desbetreffende uitkering nog niet door haar is ontvangen.
2.4 In juni 2011 verzoekt L om verlenging van de in artikel 16 opgenomen termijn met een periode van drie maanden. Beklaagde adviseert appellante om met dit verzoek in te stemmen waartoe appellante besluit. Met het oog op de verplichting van appellant om zich tegenover haar mede-erfgenamen te verantwoorden bericht beklaagde aan haar in zijn e-mail van 18 juni 2011 het navolgende: “De woning is verkocht aan koper, onder de voorwaarde dat zij het geld beschik- baar krijgen uit Nieuw Zeeland. Tot 16 juni jl. hadden zij daar de tijd voor, maar omdat het geld nog niet binnen was op dat moment, is er verlenging met 3 maan- den voor die termijn aangevraagd en toegestaan.
2.5 In zijn op 31 augustus 2011 aan L verzonden e-mail informeert beklaagde naar de stand van zaken met betrekking tot de te verwachten uitkering. L bericht aan beklaagde dat nog geen concreet vooruitzicht bestaat met betrekking tot het moment van de betaling. In zijn e-mail van 1 september 2011 aan klaagster bericht beklaagde aan haar het navol- ...
De feiten. 2.1 Eiseres is een maatschap met de handelsnaam ‘Tandartspraktijk A.’. De maatschap heeft twee maten, te weten C. en zijn echtgenote X. (hierna: X.) en voert een tandartspraktijk. J. is tandarts. Deze praktijk was vanaf 1 januari 2007 gevestigd in een bedrijfsruimte (hierna: de praktijkruimten) in het Gezond- heidscentrum K. aan het adres xxx in Z.. In 2017 heeft eiseres een tweede praktijk geopend, aan het adres xxx te Z.. De verhuurder van het pand waarin de praktijkruimten zich bevinden is L.. Als huurder van de praktijkruimten trad X. op. De huurovereenkomst met haar is per eind december 2018 geëindigd door opzegging door de verhuurder op 28 maart 2018. J. en de maatschap hebben de kantonrechter van de rechtbank M. verzocht om verlenging van de in dit geval geldende ontruimingstermijn van arti- kel 7:230a van het Burgerlijk Wetboek. Na verweer van de verhuurder heeft de kantonrechter met een beschikking van 16 mei 2019 de maatschap niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek en het verzoek van J. afgewezen. Daarbij is het tijdstip van ontruiming van de praktijkruimten vastgesteld op 1 juli 2019. De maatschap en J. hebben de praktijkruimten eind mei 2019 – en formeel per 1 juli 2019 – ont- ruimd. De verhuurder is na de opzegging op 28 maart 2018 op zoek gegaan naar een nieuwe huurder en heeft de praktijkruimten te huur aangeboden op Funda.
2.2 Eiseres heeft haar praktijk van de I. verplaatst naar haar vestiging aan de xxx, die zich op een afstand van ongeveer 8 km van de praktijkruimten bevindt. Daar werken nu zeven tandartsen. Eind mei 2019 heeft eiseres op haar website bekendgemaakt dat de huur van de praktijkruimten is opgezegd en dat patiënten vanaf 3 juni 2019 terecht kunnen op de locatie aan de xxx.
2.3 Verweerster is ook tandarts. Zij is als ‘praktijkmedewerker’ werkzaam geweest in de praktijk van eiseres in de praktijkruimten, en wel van 19 september 2014 tot eind 2018. Tussen partijen gold een op 2 no- vember 2015 door hen ondertekende ‘Overeenkomst van opdracht (praktijkmedewerking)’ (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst is eiseres aangeduid als A en verweerster als B. De overeenkomst houdt onder meer het volgende in:
De feiten. Het College gaat van de volgende feiten uit:
2.1 De moeder heeft een zoon, geboren in 2008. Zij heeft het eenhoofdig gezag over de zoon. De vader heeft de zoon niet erkend.
2.2 De kinderrechter heeft op 15 april 2016 de zoon onder toezicht gesteld een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Beide kinderbeschermingsmaatregelen zijn steeds verlengd. De zoon verblijft sinds 18 april 2016 in zijn huidige pleeggezin.
2.3 De kinderbeschermingsmaatregelen werden eerst uitgevoerd door de gecertificeerde instelling [GI1] (hierna: [GI1]). In januari 2017 is [GI1] vervangen door de gecertificeerde instelling [GI2] (hierna: [GI2]), omdat de gemeente het contract met [GI1] heeft opgezegd.
2.4 Op 16 juni 2017 heeft de kinderrechter een contactregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder en de zoon ten minste één keer per twee weken begeleid contact hebben, en verdere invulling of uitbreiding ter bepaling van de jeugdhulpverlener van de gecertificeerde instelling is.
2.5 In de periode van april 2018 tot november 2018 is vanuit [organisatie] ouder-kind-therapie ingezet. Tijdens dit traject heeft op dinsdag twee uur ouder-kind therapie plaatsgevonden en op woensdag een regulier contactmoment van twee uur. Over het eindverslag hebben zowel [GI2] als de jeugdprofessional gecorrespondeerd met de directeur van [organisatie]. Op 6 maart 2019 heeft de directeur, voor zover relevant, het volgende aan [GI2] geschreven: “Zoals u weet heeft [de moeder] geen toestemming gegeven voor het delen van het eerste concept eindverslag van de Ouder en Kind therapie. Daarop heeft onze therapeute het verslag aangepast in een versie waar moeder wel mee akkoord kon gaan. We hebben beide geconstateerd dat hiermee geen volledig beeld gegeven is van de door ons geboden hulp en de resultaten hiervan. Wij willen echter ook de rechten van [de moeder] respecteren”. De directeur heeft, voor zover relevant, het volgende geschreven aan de jeugdprofessional op 30 september 2019: “In het aan u in overleg met moeder verstrekte verslag staat, anders dan u schrijft, niet dat [organisatie] tot de conclusie gekomen is dat [de zoon] toen weer naar huis kon. De veiligheid en de nodige voorwaarden/begeleiding van moeder en kind dienden hiervoor nog in kaart te worden gebracht. De volgende stap in de hulp hebben wij echter niet verder vorm gegeven.”
2.6 De moeder heeft op 23 januari 2019 verzocht de contactregeling te wijzigen en uit te breiden naar drie dagen per week onbegeleid contact met de zoon. Dit ...
De feiten. 1. Uit het dossier voorgelegd aan het arbitraal college kan worden afgeleid dat eisers bij verweerster een pakketreis hebben geboekt naar Zakynthos (Griekenland), in de periode van 17 tot 28 juli 2016. De boeking bij verweerster omvatte de vluchten heen en terug, een verblijf van 11 nachten ter plaatse in het Hotel A met ontbijt en transfers van en naar de luchthaven in Griekenland. De prijs van de reis bedroeg 1.161,19 €, na aftrek van verschillende kortingen.
2. Eisers houden voor dat de reis niet verlopen is volgens hun verwachtingen. Zij verwoorden hun klachten in detail in het klachtenformulier alsook in hun brief die zich in het dossier bevindt (p. 14-15). Hun klachten kunnen als volgt worden samengevat: - De bustransfer zou halverwege gestopt zijn waardoor eiseres zouden moeten wachten hebben en vervolgens op een kleinere bus zouden zijn gezet; - Bij aankomst in het hotel zou aan eisers gemeld zijn dat de kamers nog niet klaar waren en zouden zij enkele uren hebben moeten wachten; - De kamer die aan eisers werd toegewezen zou naast een beerput zijn gelegen; - De kamer die aan eisers werd toegewezen zou verduft hebben geroken, de bepleistering zou van het plafond vallen, de schakelaars zouden niet goed in de muur bevestigd en/of niet goed afgedekt zijn, de kasten en laden zouden niet goed opengaan en de lampen zouden niet behoorlijk hebben gewerkt; - De vertegenwoordiger van verweerster ter plaatse zou eisers gezegd hebben dat zij zelf maar een oplossing moesten vinden; - Er zou luide muziek gespeeld worden rond de kamer van xxxxxx, tot 3 uur ’s nachts en de ventilators zouden eveneens voor geluidsoverlast gezorgd hebben; - Er zou geen warm water beschikbaar zijn geweest in de kamer en het water zou hebben gestonken; - Eisers zouden pas na 6 dagen een propere handdoek hebben gekregen; - Aan de achterkant van de kamer, buiten, zou er ongedierte rondlopen; Eisers stellen dat zij ter plaatse klacht hebben ingediend, maar brengen hier geen bewijzen van bij. Ter zitting stellen zij dat zij aan de vertegenwoordiger van verweerster ter plaatse de overplaatsing naar een ander hotel zouden hebben gevraagd, wat gelet op het hoogseizoen niet mogelijk zou zijn geweest.
3. Na afloop van hun reis hebben eisers een schriftelijke klacht hebben ingediend bij verweerster (p. 14-15 dossier). Hierop is correspondentie tot stand gekomen tussen partijen. Verweerster heeft uiteindelijk een reischeque van 116,- € aangeboden als commerciële geste, gelijk aan 10% van de reiss...
De feiten. 1. Op 10 juni 2019 boekten eisers bij verweerster een pakketreis naar Zuid-Afrika voor twee personen, bestaande uit: - een heenvlucht Brussel – Kaapstad op 12 maart 2020, - een landarrangement van J met een self-drive langs de tuinroute van 20 tot 28 maart 2020, waarbij een huurauto en verblijf in diverse accommodaties met maaltijden en excursies was inbegrepen, - een terugvlucht Kaapstad – Brussel op 28 maart 2020. Het verblijf van 13 tot 20 maart 2020 werd door eisers zelf geregeld. De reissom voor de bij verweerster geboekte pakketreis bedroeg 5.280,00 EUR.
2. Kort na de aankomst van eisers in Zuid-Afrika brak wereldwijd de coronacrisis uit. Op 16 maart 2020 werden eisers gecontacteerd door J met de raad vervroegd naar België terug te keren om te vermijden dat zij in Zuid-Afrika geblokkeerd zouden raken. Er werd hen een terugvlucht met Ethiopian Airlines voorgesteld met tussenlanding in Addis Abeba. Na overleg met hun medereizigers lieten eisers op 17 maart 2020 weten dat zij akkoord gingen met een vervroegde terugkeer doch er de voorkeur aan zouden geven een tussenlanding te maken in Europa, om te vermijden dat zij op een Afrikaanse luchthaven kwamen vast te zitten. Er werd hen vervolgens een terugvlucht op 22 maart 2020 met Lufthansa en tussenlanding in Frankfurt voorgesteld. Xxxxxx stemden in met deze retourvlucht. Zij bleven tot de datum van hun terugvlucht in Kaapstad. Zij boekten op eigen initiatief en eigen kosten twee bijkomende nachten in het verblijf waar zij de eerste week doorbrachten. Het volledige landarrangement van 20 tot 28 maart 2020 werd geannuleerd.
3. Na hun terugkeer, t.t.z. op 24 maart 2020, schreven eisers verweerster aan met de vraag terugbetaling te bekomen van de prijs van het niet-genoten landarrangement. Op 11 augustus 2020 schreven eisers verweerster opnieuw aan met de melding dat zij geen genoegen namen met een voucher doch de terugbetaling verwachtten van de prijs van het niet-genoten landarrangement, hetzij een bedrag van 1.645,00 EUR per persoon (3.290,00 EUR per koppel). Na dit schrijven ontvingen eisers een gedeeltelijke terugbetaling ten belope van 2.466,00 EUR. Bij schrijven van 24 september 2020 drongen zij bij verweerster aan op de terugbetaling van het saldo ten belope van 824,00 EUR. In een antwoord van 29 september 2020 liet verweerster weten dat zij zich had ingespannen om een maximale compensatie voor eisers te bekomen, doch dat eisers wel de vluchten en een gedeelte van het verblijf hadden genoten. In een re...
De feiten. Uit de stukken van het dossier blijkt dat eisers op 10 september 2013 een short-ski-reis naar VAL GARDENA (Italië) boekten voor 3 volwassenen, met xxxxxxxx op vrijdag 20 december 2013 en terugreis op dinsdag 24 december 2013. De boeking werd bevestigd op 20 september 2013. Deze reis omvatte vervoer heen en terug per slaapbus tussen Lummen en het hotel, verblijf in hotel A, in de formule halfpension met ontbijt vanaf de eerste dag tot het avondmaal op de laatste dag, en 3 dagen skipas. Het totaalbedrag van de geboekte reis bedroeg volgens de factuur (n° ALC14ET/124) 1.346,00 €.