De feiten. De eiser trad op 1 april 2010 in dienst van de verweerster als chauffeur afvalophaling (zie het stuk 1 van de verweerster). De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c van de verweerster). Begin 2015 werd de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgeding.
Appears in 1 contract
Sources: Arbeidsrechtbank Uitspraak
De feiten. De eiser trad op 1 april 2010 2.1. Betrokkene is sinds [datum] ingeschreven in dienst het accountantsregister van de verweerster als chauffeur afvalophaling Nba.
2.2. Betrokkene is enig aandeelhouder en bestuurder van [BV1] (zie het stuk 1 van de verweerster[BV1]). De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties [BV1] houdt alle aandelen in [BV2] (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c van de verweerster[BV2]). Begin 2015 werd de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd [BV2] is een conflict tussen een aantal personeelsleden trustkantoor dat zich met vergunning en de dienstplanner, de heer XX. onder toezicht van De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden Nederlandse Bank bezig houdt met het uitbouwen en het coördineren beheren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster)vennootschappen. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ was directeur van [BV2].
2.3. Klaagster is werkzaam geweest bij een aangetekende brief van 5 ander trustkantoor. Vanaf 16 juni 2016 is zij werkzaamheden gaan verrichten voor [BV2]. Tussen klaagster en [BV2] zijn de verhoudingen dusdanig verslechterd dat [BV2] haar op 29 mei 2018 heeft voorgesteld de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te ontbinden. Klaagster heeft dat geweigerd, waarna zij op 9 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail op non actief is gesteld. Op 23 juli 2018 heeft zij een verzoekschrift tot faillietverklaring van [BV2] ingediend, welk verzoek op 24 oktober 2018 is afgewezen. Naar aanleiding daarvan heeft tussen klaagster en [BV2] mediation plaatsgevonden, maar dit heeft niet tot overeenstemming geleid. [BV2] heeft wel overeenstemming bereikt met een andere medewerker, met wie ook een conflict was ontstaan. Het UWV heeft [BV2] toestemming gegeven voor ontbinding van de eiser arbeidsovereenkomst met klaagster waarna [BV2] deze heeft opgezegd met ingang van 3 juli 20181 maart 2019.
2.4. Klaagster heeft de kantonrechter (onder meer) verzocht de arbeidsovereenkomst te herstellen. Bij beschikking van 22 augustus 2019 heeft de kantonrechter dat verzoek afgewezen op de grond dat van overgang van onderneming geen sprake is. Een deel van de activiteiten van [BV2] is overgegaan op andere vennootschappen. De verweerster bevestigde in deze brief kernactiviteit van [BV2], het verrichten van trustdiensten, is echter nogmaals de afspraak die niet overgegaan op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog een andere vennootschap. Vanuit [BV2] vinden geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgenactiviteiten meer plaats. De opleiding zou betrekking hebben kantonrechter heeft [BV2] veroordeeld tot betaling van diverse vergoedingen aan klaagster. Bij het uitblijven van die betaling door [BV2] heeft klaagster betrokkene in persoon gemaand deze betaling alsnog te doen. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft haar op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag 5 november 2019 laten weten dat [BV2] al in 2018 niet meer beschikte over liquide middelen en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding sinds 28 mei 2019 geen bestuurder meer is van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgedingdie vennootschap.
Appears in 1 contract
Sources: Accountantskamer Uitspraak
De feiten. De eiser trad op 1 april 2010 Appellant was bij geïntimeerde sedert 6 oktober 2011 in dienst als arbeider, aanvankelijk als uitzendkracht en vervolgens op basis van een IBO-contract. Vanaf 30 juni 2014 trad hij in dienst met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Hij werkte als nachtarbeider aan de productielijn in team 22 tot op het moment van de verweerster als chauffeur afvalophaling (zie het stuk 1 van de verweerster). De eiser kreeg telkens goede feiten die aanleiding gaven tot zeer goede evaluaties (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c van de verweerster). Begin 2015 werd de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster)geschil. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇ was kandidaat bij de sociale verkiezingen in mei 2016. Hij is vakbondsmilitant voor het ABW. De arbeidsovereenkomst werd in onderling overleg beëindigd op 12 augustus 2019. Als gevolg van discussies over de werkdruk vonden in bepaalde teams in de afgelopen jaren verschillende spontane acties plaats, zo ook op 16 december 2016, september 2017 en 7 december 2017. Bij de laatste spontane actie op 7 december 2017 werd het werk in de teams 22 en 23 een tijdlang neergelegd. Naar aanleiding van het gebeurde op 7 december 2017 werd aan appellant een sanctie opgelegd die bestond uit vijf dagen schorsing en de overplaatsing naar team 13. In een verslag naar aanleiding van een gesprek op 14 december 2017 tussen de superintendent F. D. C., de shiftleader A. D. C. en appellant werd het volgende vermeld: Wij zijn ontgoocheld in de houding die R. heeft aangenomen tijdens de stilstand van vorige donderdag 7/12/2017. Na de Vecteam meeting is zowel 122 als T23 niet opgestart. Uiteindelijk zijn zowel Shiftleader J. V. D. D. als Superintendent L. D. ter plaatse gekomen en [hebben] getracht het team terug aan het werk [te] krijgen. Tot meerdere malen toe werd hem gevraagd de problemen kenbaar te maken en vervolgens het werk te hervatten. R. ging hier niet op in en eiste de directie te spreken, moest garanties op papier hebben en zou blijven zitten tot 5u15. Ook nam hij bewust de beslissing zijn vakbondsvertegenwoordiger niet te contacteren. Het moet duidelijk zijn dat deze reactie niet degene is die we verwachten van onze medewerkers en al zeker niet van iemand die als kandidaat voor de ondernemingsraad is opgekomen voor het ABVV tijdens de laatste sociale verkiezingen. Net om die reden kent het bedrijf R. een voorbeeldrol toe. Zijn starre houding, het niet erkennen van ons overlegmodel en het gegeven dat R. vorig jaar om gelijkaardige feiten reeds 5 dagen geschorst werd, zijn voor ons onaanvaardbaar. Vandaar dat we ook opnieuw een maximale schorsing uitspreken van 5 dagen. Ook zal R. van team worden verplaatst. Op die manier willen we hem nogmaals maximale kansen geven om zich te herpakken. Het is nu intussen de 2de keer dat R. maximaal geschorst wordt, het moet duidelijk zijn dat er geen verdere ruimte is en we vanaf nu een duidelijke voorbeeldfunctie verwachten. Verder moeten we ons de vraag stellen of R. zich wel kan vinden in de filosofie van V. en indien dit niet het geval is, moeten er conclusies getrokken worden". Bij aangetekende brief van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 13 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte heeft appellant geïntimeerde in gebreke gesteld wegens discriminatie omwille van zijn syndicale overtuiging en vorderde hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen voormelde sanctie (schorsing en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" overplaatsing) en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie brutoloon. Partijen kwamen niet tot een vergelijk waarop appellant een dagvaarding zoals in kortgeding liet betekenen en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie zaak aanhangig maakte bij de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgedingarbeidsrechtbank.
Appears in 1 contract
Sources: Court Ruling
De feiten. De eiser trad op 1 april 2010 in dienst Op grond van de verweerster als chauffeur afvalophaling (zie stukken kan van het stuk 1 volgende worden uitgegaan:
2.1. Klager is een zorgverzekeraar in de zin van de verweerster)Zorgverzekeringswet. De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties (zie Hij verricht werkzaamheden die door of krachtens de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c Zorgverzekeringswet aan hem zijn opgedragen. Een van de verweerster)taken die de uitvoering van de Zorgverzekeringswet met zich meebrengt, is het verwerven van voldoende zekerheid omtrent rechtmatigheid en doelmatigheid van gedeclareerde zorg.
2.2. Begin 2015 werd Verweerder werkte ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen als zelfstandig werkend psychiater onder de eiser aangesteld naam ‘A., psychiater’. Ook werkte verweerder - deels in loondienst, deels op interim basis - als vakbondsafgevaardigde psychiater bij G. in H..
2.3. Klager en verweerder hadden voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd jaar 2013 een conflict tussen zorgovereenkomst met elkaar gesloten: ‘De zorgovereenkomst 2013 Zorgverlening door een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen psychiater C..’ Verweerder heeft in de nazomer periode van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis 15 maart tot 15 oktober 2013 voor een totaalbedrag van de groep van ontevreden personeelsleden€432.724,28 aan declaraties ingediend bij klager voor geleverde zorg.
2.4. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). ▇december 2013 ontving ▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief vraag van 5 juli 2018 liet een verzekerde over een declaratie van verweerder. De declaraties stonden volgens de verweerster haar ongenoegen blijken verzekerde niet in verhouding tot de genoten zorg.
2.5. Op 8 januari 2013 ontving ▇▇▇▇▇▇ (wederom) een klacht van een verzekerde over de e- mail door verweerder gedeclareerde kosten. Hierop heeft klager met behulp van haar (registratie)systeem een overzicht gemaakt van de eiser door verweerder gedeclareerde kosten. Uit dit overzicht bleek het volgende: € 432.724,28; zou verweerder van 3 juli 201815 maart 2013 tot 1 december 2013 werkweken van minimaal 129 uur tot maximaal 238 uur hebben gewerkt.
2.6. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 Naar aanleiding van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op in 2.5. genoemde bevindingen is klager een fraude- onderzoek gestart. Een achttal verzekerden heeft klager een machtiging verstrekt voor het verrichten van detailcontrole. Op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding fraudeonderzoek kwam klager tot de volgende conclusies:
2.7. Op 8 juli 2014 en 21 augustus 2014 heeft ▇▇▇▇▇▇ onder het meezenden van een aantal machtigingen van verzekerden verweerder verzocht om toezending van een overzicht van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag geschreven directe en dinsdagindirecte tijd, 10h30 de agenda en werkrooster van verweerder en verwijsbrieven
2.8. Op 26 januari 2015 heeft er een dossiercontrole bij verweerder plaatsgevonden. Verweerder weigerde tijdens de controle inzage te geven in de dossiers van verzekerden die daarvoor geen schriftelijke toestemming hadden gegeven. Ook verleende verweerder de C. geen toegang tot 19h00, kuismachine - Woensdag zijn agenda en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garagehet programma Telepsy. In dit programma staan de resultaten van de bij verzekerden afgenomen testen. Daarnaast weigerde verweerder dossierstukken te overhandigen aan klager en stond hij niet toe dat deze kopieën of foto’s maakte van dossierstukken." Nadat
2.9. Op 15 maart 2015 heeft verweerder na herhaald verzoek een handmatige tijdsregistratie overgelegd aan klager in plaats van de eiser originele tijdregistratie uit het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten Elektronisch Patiëntendossier.
2.10. Op 9 juli 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen klager en verweerder waarin klager in de partijen gelegenheid is gesteld om te reageren op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris bevindingen van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zakenfraudeonderzoek. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine"Na dit gesprek heeft ▇. Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de nog enkele stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgedingopgevraagd bij verweerder.
Appears in 1 contract
Sources: Tuchtprocedure
De feiten. De eiser trad 2.1. Boon drijft een groothandel in levensmidde- len alsmede een detailhandel, waarvan de winkel- formule MCD (hierna: de winkelformule) onder- deel uitmaakt.
2.2. In 2009 heeft ▇▇▇▇ een samenwerkings- en franchiseovereenkomst (hierna: de franchiseover- eenkomst) met Joemai gesloten, op 1 april 2010 grond waar- van Boon aan ▇▇▇▇▇▇ het recht heeft verleend om aan de [adres] in dienst Utrecht als zelfstandig onderne- mer een supermarkt te exploiteren conform de winkelformule. ▇▇▇▇ en ▇▇▇▇▇▇ zijn bovendien overeengekomen dat Boon de supermarkt van ▇▇▇▇▇▇ ging bevoorraden.
2.3. Bij brief van 10 maart 2015 heeft ▇▇▇▇▇▇ aan de verhuurder van de verweerster winkelruimte bericht: “[...] Sinds oktober 2014 is de omzet van mijn super- markt drastisch gedaald. De reden hiervoor is door de opening van een nieuwe ▇▇▇▇▇▇ ▇▇▇▇▇, Nettorama en een verbouwing van Aldi die haar pand heeft vergroot die allemaal dichtbij onze buurt gevestigd zijn. Hierdoor heb ik een groot deel van mijn klanten verloren. Ik ben bezig met bezuinigingen in mijn bedrijf om financieel uit te komen. Echter wordt dit steeds moeilijker. Het is zelfs zover gekomen dat ik bijna genoodzaakt ben om mijn bedrijf failliet te verklaren. Mijn hoofdleverancier genaamd ▇▇▇▇ ▇.▇. samen met andere leveranciers weten ook van mijn situatie en probeert mij dan ook zoveel als chauffeur afvalophaling (zie het stuk 1 mogelijk te ondersteunen. [...]”
2.4. Op 26 juni 2015 heeft ▇▇▇▇▇▇ de supermarkt aan Boon te koop aangeboden voor een bedrag van € 875.000,00. ▇▇▇▇ heeft ▇▇▇▇▇▇ vervolgens verzocht om stukken toe te zenden, teneinde de verwerving van de verweerster). De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c van de verweerster). Begin 2015 werd de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen winkelexploitatie met ▇▇▇▇▇▇ te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster)kunnen bespreken. ▇▇▇▇▇▇ heeft eind augustus 2015 stukken aan ▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garageverstrekt." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine
2.5. In een e-mail mailbericht van 23 september 2015 schrijft de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]), werkzaam bij Carrier Refrigeration Benelux B.V. en vaste installateur van Boon, aan de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]), projectleider bij Boon: “[...] Hierbij de (technische) opname met foto’s betref- fende MCD Utrecht [adres] Advies; winkel is in slechte staat, we verwachten hier veel toekomstige kosten om deze 5 jaar door te laten draaien, gezien de huidige staat. Tevens is er een koelmachine nog voorzien van R22, deze mag bij lekkage niet meer bijgevuld worden. Veel achterstallig onderhoud gezien de staat van de meubels, installaties en condensors. Verwachting is dat de Keuringsdienst meubels zal afheuring i.v.m. vervuiling. [...]”
2.6. Bij brief van 24 september 2015 heeft ▇▇▇▇ aan ▇▇▇▇▇▇ medegedeeld: “[...] Reeds eerder is bij monde van de heer [naam 3] het openstaande debiteurensaldo onder uw aan- dacht gebracht. Momenteel is het saldo, afgezien van mutaties in de leveringen deze week, € 243.140,30. Wij sommeren u de achterstand in de betaling thans circa € 170.000,- per direct terug te brengen naar 2 weken door een betaling van genoemd be- drag van € 170.000,- bij gebreke waarvan wij ge- noodzaakt zijn de vordering uit handen te geven. Tevens schorten wij leveringen van nog te verza- melen orders met onmiddellijke ingang op tot het moment dat betaling van de achterstand is ingelo- pen. Het is ons na inventarisatie en beoordeling geble- ken dat de winkelinventaris in een dusdanige staat verkeert dat het ons thans onmogelijk is een bod op de aangeboden winkel uit te brengen. [...]”
2.7. Bij brief van 30 augustus 2018 deelde september 2015 heeft ▇▇▇▇ aan ▇▇▇▇▇▇ medegedeeld: “[...] Hierbij delen wij u mee dat wij de tussen u en ons gesloten samenwerkings-franchise overeenkomst d.d. 26 november 2009 met ingang van heden, 30 september 2015, beëindigen op grond van artikel 19 van genoemde overeenkomst. Wij verzoeken u onverwijld de nog in bezit zijnde handboeken, formulieren e.d. terug te geven en het gebruik van intellectuele eigendomsrechten terstond stop te zetten. Tevens verzoeken wij u alle formule-uitingen uit de onderneming te verwijderen. [...]”
2.8. In oktober 2015 heeft ▇▇▇▇▇▇ met de heer XX, adjunct-directeur [naam 4] (hierna: [naam 4]) onderhandeld over de overname van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 onderneming van de eiser)▇▇▇▇▇▇. Op maandag 3 26 oktober 2015 heeft [naam 4] een bod van € 50.000,00 uitgebracht alsmede aangeboden om de achterstallige huur van € 10.850,00 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden schuld aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding bank van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in € 20.000,00 over te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgeding.ne-
Appears in 1 contract
Sources: Huurovereenkomst
De feiten. Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:
2.1 De eiser trad vader heeft een minderjarige zoon, geboren in 2004. Voordat de zoon één jaar was, is de moeder met hem vertrokken en is zij bij haar moeder en broer ingetrokken.
2.2 De vader en de moeder zijn op 12 juni 2006 gescheiden. Zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de zoon.
2.3 Bij beschikking van 1 april 2010 in dienst 2011 heeft de kinderrechter de zoon onder toezicht gesteld van de verweerster als chauffeur afvalophaling (zie het stuk 1 gecertificeerde instelling [BJZ] [provincienaam], hierna te noemen: BJZ, voor de duur van twaalf maanden. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.
2.4 Op verzoek van ▇▇▇ heeft de kinderrechter bij beschikking van 11 november 2013 een machtiging tot uithuisplaatsing van de verweerster)zoon in een verblijf accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs verleend. De eiser kreeg telkens goede machtiging tot zeer goede evaluaties uithuisplaatsing is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 1 oktober 2017.
2.5 De zoon is eind 2013 bij [het kinderhuis], kinderhuis [plaatsnaam 2] (zie verder: het kinderhuis) geplaatst.
2.6 Op 20 mei 2016 is de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c uitvoering van de verweerster)ondertoezichtstelling overgedragen van BJZ aan de GI.
2.7 In juni 2017 hebben de jeugdprofessional en zijn collega jeugdprofessional de casus overgenomen van twee collega’s.
2.8 De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kinderrechter van 31 maart 2017, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon is verlengd. Begin 2015 werd In de eiser aangesteld beschikking van 28 juni 2017 overweegt het gerechtshof als vakbondsafgevaardigde volgt: “Gelet op de verharde strijd waarin de ouders al jarenlang met elkaar verwikkeld zijn en het effect dat dit heeft op [de zoon], heeft het hof ter zitting aan de ouders een voorstel gedaan, inhoudende dat zij voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd de periode van een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplannerhalf jaar op geen enkele wijze contact met elkaar zullen zoeken, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACODof onderhouden, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een ook niet per e-mail aan of geschrift. Dit wordt de verweerster waarin ‘schotten’ aanpak genoemd: er wordt als het ware een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie schot tussen de ouders geplaatst. Gedurende zo’n periode verlopen alle contacten op ouderniveau via de GI. In die periode kan het stuk 30 kind zowel bij de vader als bij de moeder verkeren. Deze periode wordt benut om rust te creëren: rust voor de ouders en met name voor [de zoon]”.
2.9 Op 28 augustus 2017 heeft de vader zich gewend tot de klachtencommissie van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakterGI met drie klachten. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - mondelinge behandeling hiervan heeft op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen plaatsgevonden. In de heer XX, voorzitter uitspraak van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 klachtencommissie van de verweerster). Op vraag GI van 27 november 2017 is onder meer het volgende overwogen: “Het behoort niet tot de bevoegdheden van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan klachtencommissie om zich uit te spreken over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie wijziging van een jeugdbeschermer. De klachtencommissie kiest er echter in deze casus voor wel een wijziging van jeugdbeschermer aan te bevelen. De klachtencommissie ziet niet dat vader en [de GI] anders uit de geconstateerde patstelling komen.” De klachtencommissie van de GI heeft twee klachtonderdelen (I en II) gegrond verklaard.
2.10 Op 13 september 2017 heeft een (klacht)gesprek plaatsgevonden tussen onder meer de vader, de jeugdprofessional en de collega jeugdprofessional (zie onder 2.7). In het gespreksverslag van 1 november 2017 is het volgende opgenomen: “Daarnaast heeft [de vader] een persoonlijke klacht tegen [de jeugdprofessional], omdat deze op 22 en 23 augustus naar [de zoon] is gegaan op [het kinderhuis] om te bespreken dat hij op 28 augustus naar [naam school] zou gaan. [De jeugdprofessional] geeft aan dat hij op 22 augustus naar [de zoon] is gegaan omdat hij ervan uit ging dat het allemaal geregeld was en niet wist dat er alsnog een toetsing door de Raad van de Kinderbescherming moest gebeuren. Om die reden is [de jeugdprofessional] op 23 augustus wederom naar [de zoon] toegegaan om het terug te draaien. [De zoon] accepteerde teleurgesteld de mededeling. [De jeugdprofessional] geeft toe dat hij te voorbarig is geweest en dat het niet handig was om het zo te doen. Hij biedt hiervoor zijn excuses aan [de vader] aan, maar deze worden niet geaccepteerd.”
2.11 Op 1 oktober 2017 is de zoon bij de moeder gaan wonen. Het is een proefplaatsing onder intensieve begeleiding van [de jeugdhulpinstelling] (verder: de jeugdhulpinstelling). Daarbij was gedaan het de bedoeling dat de zoon tien dagen bij de moeder en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst vier dagen bij vader zou gaan wonen om te bekijken of het perspectief van de heer X in zoon bij de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementenmoeder ligt, bij de keel grijpen van vader of elders. Deze verdeling tussen de moeder en de vader is niet doorgegaan.
2.12 In verband met een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 ingediende klacht van de verweerster). Hoewel vader tegen de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaanjeugdprofessional, raadde X is de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde jeugdprofessional vanaf november 2017 niet meer bij de verweerster casus betrokken, en heeft de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk collega jeugdprofessional de functie van containerparkwachter casus alleen voortgezet.
2.13 Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd in het containerpark van X zou uitoefenen Kwaliteitsregister Jeugd (zie het stuk 4 van de eiserSKJ). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgeding.
Appears in 1 contract
Sources: Complaint Procedure
De feiten. In hoger beroep zijn de navolgende feiten komen vast te staan:
2.1 De eiser trad op 1 april 2010 in dienst Makelaar heeft begin 2017 van mevrouw [C] en haar vier zoons gezamenlijk de opdracht gekregen tot dienstverlening bij de verkoop van de verweerster als chauffeur afvalophaling (zie het stuk 1 van de verweerster). De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c van de verweerster). Begin 2015 werd de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail vrijstaande woning aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd [adres] (zie het stuk 30 van hierna: de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet ).
2.2 Eind februari 2017 is de verweerster haar ongenoegen blijken over Makelaar begonnen met de e- mail presentatie van de eiser Woning, onder meer door deze op Funda te koop aan te bieden. Als verkoopinformatie is daarbij vermeld dat de Woning een woonoppervlakte heeft van 3 juli 2018101 m2 en dat de overige inpandige ruimte 25 m2 bedraagt. Verder is vermeld dat het perceel een oppervlakte heeft van 1.760 m2.
2.3 In de verkoopbrochure is opgenomen dat het woonoppervlakte van de Woning ca. 100 m2 is. Bij de verkoopdocumentatie is tevens een kadastrale kaart en een door de verkopers ingevulde vragenlijst gevoegd. Daarin is de vraag in deel 1 “Juridische Zaken” “Wijken de huidige terreinafscheidingen volgens u af van de kadastrale eigendomsgrenzen? Of is er bv een ged. van schuur of garage op grond van de buren gebouwd of andersom? door de verkopers beantwoord met “nee”.
2.4 In ieder geval in mei 2017 waren klagers naast anderen in de aankoop van de Woning geïnteresseerd. Klagers lieten zich bijstaan door aankoopmakelaar de heer [D] van [naam makelaarskantoor]. Op 17 mei 2017 hebben klagers de Woning bezichtigd. Daarna is door klagers een bod onder voorbehoud van een bouwkundige keuring uitgebracht. Dat bod is aanvaard, waarna de bouwkundige keuring op 2 juni 2017 is uitgevoerd.
2.5 Op of omstreeks 9 juni 2017 is de koopovereenkomst ondertekend. De verweerster bevestigde koopsom bedroeg € 122.500,-. In de koopovereenkomst is opgenomen dat de oppervlakte van het perceel 17a en 60 ca is. Daarnaast bepaalt artikel 6.11 van de koopovereenkomst dat een verschil tussen de opgegeven en werkelijke grootte van het perceel aan geen der partijen enig recht verleent. In artikel 23 is een niet zelfbewoningsclausule opgenomen: De datum van eigendomsoverdracht is in deze brief echter nogmaals de afspraak die koopovereenkomst gesteld op 4 mei 2018 31 augustus 2017.
2.6 Na de totstandkoming van de koopovereenkomst en voor de juridische eigendomsoverdracht wijst klagers de Makelaar erop dat het gebruiksoppervlakte niet ca 101m² maar 73m² is en het oppervlakte van de overige inpandige ruimte niet 25m² maar 15,75m² is. De Makelaar erkent dat hij het gebruiksoppervlakte niet volgens de norm NEN 2580 heeft opgemeten, maar houdt het er aanvankelijk voor dat het gebruiksoppervlakte 98 m² is. De Makelaar heeft aangeboden met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 verkoper te overleggen over een ontbinding van de eiser): "In tweede instantie willen wij koopovereenkomst en was bereid € 500,- aan onkosten te vergoeden. Van dit aanbod hebben klagers geen gebruik gemaakt.
2.7 Na de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een eigendomsoverdracht vragen klagers bij e-mail van 30 augustus 2018 deelde 27 oktober 2017 aandacht voor de heer XXkadastrale erfgrens. Die e-mail luidt, adjunct-directeur voor zover relevant:
1. Hoe heeft u de erfgrenzen opgemeten, dan wel hoe heeft u de oppervlakte van 1760 m2 kunnen berekenen?
2. Bent u op de hoogte geweest van het feit dat de erfgrens significant afwijkt van de verweerster, kadastrale kaart die wij van u hebben gekregen bij de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser)verkoopinformatie?
3. Op maandag 3 Had een en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgenander niet tot vragen moeten leiden bij u?
4. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris Was u van het ACODbovenstaande op de hoogte voorafgaande aan de verkoop?
5. Zo ja, waarom is er door u in de heer XX, protesteerde in een verkoopinformatie dan geen melding gemaakt van erfdienstbaarheid? (…)”
2.8 De Makelaar heeft bij e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie 5 november 2017 als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgeding.volgt gereageerd:
Appears in 1 contract
Sources: Real Estate Purchase Agreement
De feiten. 1. De eiser trad student volgde in studiejaar 2021-2022 de opleiding verkoop/retail niveau 1 van [instelling].
2. Voor studiejaar 2022-2023 had de student zich aangemeld voor de beroepsopleiding (BOL) Facilitair medewerker niveau 2 van [instelling].
3. Op 6 februari 2023 heeft de student een gesprek gehad met de opleidingsmanager, omdat de inschrijving voor die opleiding niet geregeld bleek. De student stond nog steeds ingeschreven bij de opleiding verkoop/retail en had opleidingsuren gemaakt voor die opleiding. De student is na het gesprek alsnog ingeschreven voor de BOL- opleiding Facilitair medewerker niveau 2.
4. De beroepsopleiding bestaat uit twee delen, namelijk begeleide onderwijsuren binnen de onderwijsinstelling en de beroepspraktijkvorming (bpv) bij een leerbedrijf.1 [instelling] hanteert 700 begeleide onderwijsuren per (school)jaar, en ten minste 600 bpv-uren, verdeeld over het eerste en tweede schooljaar.
5. De student heeft op 1 april 2010 in dienst 23 februari 2023 een beroepspraktijkvorming-overeenkomst (bpv-overeenkomst)2 getekend voor de omvang van 304 stage-uren, met een aanvangsdatum van 14 februari 2023 en een verwachte einddatum van 23 juni 2023. Het leerbedrijf is [leerbedrijf] te [vestigingsplaats]. De ouders van de verweerster als chauffeur afvalophaling (zie het stuk 1 student zijn eigenaar van dit bedrijf. De moeder van de verweerster)student is in de overeenkomst aangewezen als praktijkopleider.
6. De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties (zie Op 13 september 2023 is de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c van de verweerster). Begin 2015 werd de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een student per e-mail geïnformeerd door de opleidingsmanager dat hij niet langer mag stagelopen bij het familiebedrijf omdat dit niet voldoet aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 stagecriteria van de eiser)opleiding.
7. Toen in Op 13 september 2023 heeft de nazomer student een klacht ingediend bij het klachtloket van 2015 bleek [instelling], dat hij niet langer mag stagelopen bij het familiebedrijf en onvoldoende begeleiding heeft gekregen vanuit [instelling] bij zijn bpv. Verder klaagt de situatie na die e-mail student over de onduidelijke communicatie hierover door [instelling].
8. Op 19 oktober 2023 hebben de directeur en opleidingsmanager met de student en zijn ouders een gesprek gehad over het niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis langer mogen vervolgen van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht stage van de eiser hield in hoofdzaak student bij het volgende in (zie het stuk 3 familiebedrijf.
1 Op grond van artikel 7.2.7, derde lid sub c van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)WEB." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgeding.
Appears in 1 contract
Sources: Advies
De feiten. De eiser trad 2.1 Verweerder is sinds 15 augustus 2018 op 1 april 2010 basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als L in dienst het ziekenhuis van eiseres op de locatie Z (hierna: het ziekenhuis). Verweerder maakt deel uit van de verweerster als chauffeur afvalophaling vakgroep Fdie momenteel uit 5 L bestaat. Naast verweerder zijn dat mevrouw G (zie het stuk 1 tevens voorzitter van de verweerstervakgroep), mevrouw H, mevrouw E en de heer I (hierna samen ook te noemen: de vier L). De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c aansturing van de verweerster). Begin 2015 werd de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, vakgroep Fgeschiedt door de heer XXC (werkzaam als KNO arts en medisch manager) en mevrouw D (werkzaam als manager Zorg & Bedrijfsvoering).
2.2 Het laatst verdiende salaris van verweerder bedraagt € 12.823,-- bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, 4% frequentietoeslag en 15% intensiteitstoeslag. De vakbondssecretaris Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de Arbeidsvoorwaardenregeling Medisch Specialisten (AMS) van het ACODtoepassing, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 deel uitmaakt van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). ▇▇▇ ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail ▇▇▇▇▇▇.
2.3 Artikel 7.2.3 van de eiser van 3 juli 2018AMS luidt, voor zover hier relevant, als volgt: “Artikel 7.2.3
1. De verweerster bevestigde Het bestuur en de medisch specialist trachten geschillen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst en de AMS in deze brief echter nogmaals onderling overleg op te lossen.
2. (…)
3. Indien geen vergelijk wordt bereikt, zullen de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie geschillen worden beslecht door het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis Scheidsgerecht Gezondheidszorg, tenzij ten tijde van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag geschil tussen bestuur en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen medisch specialist wordt afgesproken een beroep te doen op de zitting, werkte hij civiele rechter.”
2.4 Binnen de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening vakgroep Fis al langere tijd sprake van de kuismachinesamenwerkingsproblemen. In 2021 heeft de vakgroep een e-mail eerste coaching traject doorlopen onder leiding van 30 augustus 2018 deelde de heer XXJ om daarin verbetering te brengen. Dat traject is gestaakt en heeft geen vervolg meer gekregen. Mevrouw K, adjunct-directeur hoofd P&O van de verweerstereiseres, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde heeft over dit traject in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen 2 juni 2023 onder meer het volgende verklaard: “De coach die het eerste coaching traject heeft begeleid heb ik benaderd om ook het vervolgtraject vorm te geven. Daarop heeft de coach aangegeven deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er stap niet te willen zetten omdat hij [verweerder; Scheidsgerecht] als grote belemmerende en verstorende factor ziet in de verschillende documenten groei mogelijkheden van de afdeling F”.
2.5 Op 15 december 2021 heeft M, Hoofd zorg, cluster snijdend, per e-mail het volgende aan C en D bericht: “Nog even een opsomming/wat input van punten die ik doorkrijg van de secretaresses over [verweerder]; - UBS kijkt hij niet in waardoor Semenanalyses of andere uitslagen niet beoordeeld worden of veel te laat; - Dossiers zijn niet op orde – er wordt regelmatig geen brief naar de HA gestuurd, geen doorstroomformulier gevuld, geen aantekeningen EPD - VIP doet hij niet - Mail beantwoordt hij nauwelijks/ te laat met als gevolg hele nare situaties, omdat secretaresses hem achter de broek zitten (vervelende mails, secretaresses afbekken e.d.) - Wil een uitzondering ten opzichte van de rest van de collega L omtrent - BS’s belt hij wanneer het hem uit komt – zelfs pt die op zondag gebeld
2.6 Op 27 januari 2022 heeft L H per e-mail aan C haar zorgen geuit over het functioneren van verweerder en de situatie die daardoor binnen de vakgroep was ontstaan. In deze e- mail heeft zij onder meer het volgende geschreven: “We hebben nu al meerdere malen met [verweerder] gesproken en ik geloof dat G morgen individueel ook weer een gesprek met hem heeft nav een vervelend bericht van hem.
2.7 Mede naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgestelde-mail van H heeft C namens eiseres een gesprek met de voltallige vakgroep geïnitieerd, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema dat heeft plaatsgevonden op te stellen15 februari 2022, waarin aandacht is besteed aan de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen onderlinge spanningen. Voorafgaand aan dit gesprek hebben alle vakgroepleden een vragenlijst ingevuld over wat er in hun ogen wel en niet goed gaat. In de antwoorden van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde vier L worden meestal de raadsman van communicatie met, de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij bejegening door en de houding van de verweerster verweerder genoemd als een vorm van discriminatie de drie belangrijkste problemen in de samenwerking. Verweerder heeft onder meer aangegeven dat het hem ontbrak aan vertrouwen in de voorzitter van de vakgroep (G): “Er is bij mij echter te weinig vertrouwen dat de huidige voorzitter, collega W. de belangen van de vakgroep en pesterijen de stabiliteit van de vakgroep goed vertegenwoordigd. Er wordt of te weinig geluisterd of niet begrepen wat er gezegd wordt.
2.8 Uit overgelegde berichten tussen G en verweerder in de periode nadien wordt hier het volgende geciteerd. Op 4 juli 2022 schreef G per e-mail aan verweerder: In antwoord daarop schreef verweerder op 12 juli 2022 aan G onder meer het werk zou beschouwen. Hij behield volgende, met de andere vakgroepleden in de cc: “Dat komt omdat niemand zich het recht voor bezighoudt geïnteresseerd is of whatever in een vordering in rechte in te stellen met het oog een casuistiek bespreking wellicht.
2.9 In de groepsapp van de vijf L reageerde verweerder op 19 september 2022 als volgt op een vraag van G op welk congres hij aanwezig was en of hij haar op de staking hoogte wilde houden van deze handelingen medische nieuwtjes: “G, misschien miet je eerst de basale Fopfrissen ipv keer op keer hinderlijk te zijn.” Diezelfde dag heeft H aan C voorgesteld om te overleggen over het functioneren van verweerder. Dit gesprek vond plaats op 20 september 2022 en is door H op 21 september 2022 als volgt in een e-mail aan C samengevat: “H geeft aan dat er zowel op communicatief vlak als op bejegening naar de vakgroep leden als op medisch inhoudelijk niveau er problemen zijn met [verweerder] en de vergoeding van overige vakgroep leden. Dit speelt nu al langere tijd en lijkt de daaruit ontstane schadelaatste tijd alleen maar erger te worden.
H geeft aan hierin niet verder te komen en zich grote zorgen maakt over de toekomst en dat dit gaat escaleren binnenkort en uiteindelijk de patiëntenzorg in het gedrang brengt. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" Mede omdat [verweerder] bijna niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om meer normale gesprekken voert maar alleen nog maar bezig is te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn)stoken in haar ogen. Tevens vorderde ziet de raadsman van vakgroep [verweerder] bijna nooit meer in de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgedingartsenkamer.
Appears in 1 contract
Sources: Arbitraal Vonnis
De feiten. De eiser trad op 1 april 2010 in dienst Op grond van de verweerster als chauffeur afvalophaling (zie stukken en het stuk 1 verhandelde ter zitting is voor de Raad het navolgende komen vast te staan. - Klaagster huurt sinds mei 2017 de woning aan het adres [adres]. Zij huurde de woning destijds van haar grootvader, die eigenaar was van de verweerster)woning. De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c grootvader van de verweerster). Begin 2015 werd de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XXklaagster is in februari 2018 overleden. De vakbondssecretaris moeder van klaagster heeft de woning geërfd en werd daarmee de nieuwe verhuurster van klaagster. De moeder van klaagster heeft beklaagde ingeschakeld om haar bij te staan bij de totstandkoming van een nieuwe huurovereenkomst met klaagster. - Op 23 juli 2018 heeft beklaagde klaagster opgebeld met het verzoek om een nieuw huurcontract voor de woning te komen tekenen. Klaagster voelde zich door dit verzoek overrompeld en zij heeft aangegeven het eventuele nieuwe huurcontract eerst te willen bestuderen. Daags daarna ontving klaagster het concept voor een nieuw huurcontract, wederom met het verzoek dit op het kantoor van beklaagde te komen ondertekenen. Klaagster heeft de ontvangst van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een concept-contract nog dezelfde dag bij e-mail aan beklaagde bevestigd. Zij vroeg zich in haar e-mail onder meer af wat beklaagde precies bedoelde met ‘concept’ en of zij nog wijzigingen kon verwachten. Zij liet weten graag de verweerster waarin definitieve versie van het contract te willen ontvangen, voordat zij een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser)afspraak met beklaagde wilde maken. Toen Tevens gaf zij in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd wasaan dat zij op een later tijdstip, wierp de eiser zich op als spreekbuis na ontvangst van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering definitieve versie van het overlegcomité en stelde toen contract, nog vragen en/of aanmerkingen daarop aan beklaagde zou zenden. - Bij e-mail van 25 juli 2018 liet beklaagde weten dat er alleen maar sprake was van een ‘concept’, aangezien de heer XX een aantal bewarende maatregelen voorgegevens van klaagster daarin nog niet stonden ingevuld. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X Zodra deze gegevens in de onderneming (zie het stuk 10 van tekst waren opgenomen, zou de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde tekst van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster)contract definitief zijn, aldus beklaagde. Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli augustus 2018 deelde de eiser verzocht beklaagde klaagster opnieuw om een afspraak te maken om bij hem op kantoor het nieuwe huurcontract te komen tekenen. Klaagster liet vervolgens bij e-mail van 6 augustus 2018 aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten beklaagde weten dat ik akkoord ga om zij nog een aantal vragen over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regimehet huurcontract had die eerst besproken en beantwoord moesten zijn, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." alvorens zij het contract zou kunnen tekenen. - In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 8 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachinezond klaagster een aantal vragen en opmerkingen over het contract aan beklaagde. In een Deze liet daarop bij e-mail van 30 9 augustus 2018 deelde weten dat hij een en ander met zijn cliënte zou bespreken, waarna klaagster nader zou worden geïnformeerd. - Beklaagde heeft de heer XXvragen van klaagster niet beantwoord. In plaats daarvan zond hij haar op 21 augustus 2018 een brief, adjunctwaarin hij namens zijn cliënte, de moeder van klaagster, meedeelde dat de destijds tussen klaagster en haar grootvader overeengekomen huurprijs te laag was vastgesteld en dat haar moeder de huurprijs wilde verhogen naar de maximaal redelijke huurprijs van € 788,08 per maand. Volgens beklaagde had klaagster het nieuwe huurvoorstel in haar e-directeur mailbericht van 8 augustus 2018 afgewezen. De door klaagster geformuleerde vragen en opmerkingen zouden volgens beklaagde reden voor zijn cliënte zijn om te twijfelen aan de bereidheid van klaagster om tot overeenstemming te komen over een nieuwe huurprijs. Beklaagde zegde namens zijn cliënte de huur van de verweersterwoning op tegen 1 oktober 2018. Klaagster werd verzocht om binnen vijf dagen na dagtekening van die brief te laten weten of zij met de huuropzegging akkoord ging, de eiser de planning alsook werd zij verzocht met het kantoor van beklaagde contact op te nemen voor week 36 mee (zie het stuk 8 een inspectie van de eiser)woning. Op maandag 3 - Bij brief van 26 augustus 2018 heeft klaagster aan beklaagde laten weten dat zij huurbescherming genoot en dinsdag 4 dat de door beklaagde gedane opzegging onrechtmatig was. Zij verzocht beklaagde de opzegging in te trekken en liet weten dat de bestaande huurovereenkomst onverkort van kracht zou blijven. - Bij brief van 7 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende liet beklaagde aan klaagster weten dat hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er zich niet herkende in de verschillende documenten die naar aanleiding zienswijze van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor klaagster en dat het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille doel van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer brief was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 geweest om met klaagster in overleg te treden teneinde een procedure zoals in kortgedingacceptabele oplossing voor beide partijen te vinden.
Appears in 1 contract
Sources: Huurcontract
De feiten. De eiser trad Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1. Bouwhuysch exploiteert een onderneming die zich onder meer toelegt op 1 april 2010 het aannemen van ontwerp-, proces en projectmanage- ment in de civiele techniek. Haar werknemers werken vrijwel alle- maal op de locatie van de opdrachtgever.
2.2. Op 21 november 2016 heeft Bouwhuysch een werknemer in dienst genomen voor de duur van een project bij één van haar opdrachtgevers, maar maximaal een jaar. In het contract was een proeftijd van een maand opgenomen.
2.3. Tijdens de proeftijd heeft de betreffende werknemer mee- gedeeld zwanger te zijn. Anderhalve week later, derhalve tijdens de proeftijd, is de arbeidsovereenkomst door Bouwhuysch beëindigd.
2.4. De betreffende werknemer heeft vervolgens een klacht inge- diend bij het College voor de Rechten van de verweerster als chauffeur afvalophaling Mens (zie hierna: het stuk 1 College). Bouwhuysch heeft in de daarop volgende procedure gesteld dat de reden voor de beëindiging van de verweerster). De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c arbeidsovereenkomst het functioneren van de verweerster)werknemer was.
2.5. Begin 2015 werd Het College heeft geoordeeld dat, gelet op de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor korte tijd tussen de mededeling van de zwangerschap en het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd beëindigen van de arbeids- overeenkomst, sprake was van een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris vermoeden van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam maken van deze personeelsleden een e-mail aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)verboden onderscheid." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen
2.6. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser het verweer van Bouwhuysch heeft het College gesteld dat Bouwhuysch “niet heeft bewezen dat zij geen onderscheid op 26 maart 2018 voor grond van zwangerschap, en daarmee op grond van geslacht, heeft gemaakt”. Op grond van het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 7:646 lid 12 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het College vervolgens geconcludeerd dat hij tijdelijk de functie sprake was van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser)een verboden onderscheid.
2.7. De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard uitspraak van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, College is op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren haar website (zie het stuk 19 van de verweerster). www.mensen- ▇▇▇▇▇▇▇ ▇.▇▇) gepubliceerd. Boven de uitspraak is een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet samenvatting geplaatst onder de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018kop (weergegeven op ware grootte): Jurisprudentie nr. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser"6
2.8. In de daaropvolgende weken zou hij op maandag samenvatting en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris in de weergave van het ACOD, volledige oordeel staat de heer XX, protesteerde in een e-mail naam van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zakenBouwhuysch steeds voluit vermeld.
2.9. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende Bij brief van 21 september 2018 herhaalde 4 oktober 2016 heeft de raadsman advocaat van Bouwhuysch het College gesommeerd de eiser die vraag (zie uitspraak van haar website te verwijde- ren, dan wel deze te anonimiseren, zodat deze niet meer tot Bouw- huysch te herleiden is. Hieraan heeft het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgedingCollege geen gevolg gegeven.
Appears in 1 contract
Sources: Court Ruling
De feiten. De eiser trad op 1 april 2.1 A is sedert 1999 werkzaam als (vrijgevestigd) kaakchirurg in het ziekenhuis. Sinds 2010 in dienst is hij tevens medisch manager van de verweerster als chauffeur afvalophaling afdeling kaakchirurgie. A oefent de praktijk in het ziekenhuis vanaf 2012 alleen uit, zij het met behulp van waarnemers en sedert 1 juni 2020 (zie ook) in een samenwerkingsverband (op basis van een maatschapscontract) met kaakchirurgen uit het stuk 1 E. A is de enige vennoot (naar onbestreden is) van de verweersterMaatschap Mond-, Kaak- en Aangezichtschirurgie in het ziekenhuis (hierna: de maatschap MKA).
2.2 Bij akte van 30 december 2014 is binnen het ziekenhuis het ‘Coöperatief Medisch Specialisten B’ opgericht (hierna: het coöperatief). De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties Het coöperatief kent onder meer Loondienst leden, Vrijgevestigde leden en Buitengewone leden (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c van de verweersterartikel 6). Begin 2015 werd de eiser aangesteld Het statutair bestuur wordt aangeduid als vakbondsafgevaardigde voor ‘MSB’ (artikel 4, hierna: het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweersterMSB). Op vraag grond van artikel 5 houden de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uitledenovereenkomsten met de Vrijgevestigde leden mede in de opdracht tot medisch specialistische zorgverlening. Het doel van het coöperatief is, die artikel 3, om te voorzien in januari 2018 uitmondde de stoffelijke behoeften van haar Leden door – onder meer – het als medisch specialistisch bedrijf gezamenlijk met het ziekenhuis verlenen van medisch specialistische zorg in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 ziekenhuis. Uit het derde lid van artikel 3 volgt dat het coöperatief tevens is de verweerster)vereniging medische staf en de vereniging medisch specialisten in dienstverband. Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden Tussen het ACV-OD coöperatief en het ACOD op 1 maart 2018 ziekenhuis bestaat een stakingsaanzeggingsamenwerkingsovereenkomst. A is geen (gewoon) lid van het coöperatief. Tussen partijen is in geschil of hij gezien moet worden als ‘buitengewoon lid’.
2.3 De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming maatschap MKA heeft een (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden eigen, rechtstreekse) overeenkomst met het uitbouwen ziekenhuis daterend van 22 september 2017, namelijk een ‘Samenwerkings- en het coördineren van collectieve toelatingsovereenkomst’ (hierna, de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...SOK-MKA) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter basis waarvan A sedertdien werkzaam is in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser"ziekenhuis. In de daaropvolgende weken zou hij op maandag SOK- MKA is onder meer het volgende bepaald: • Maatschapsovereenkomst: de overeenkomst die de Maatschap MKA met ieder van haar Maten sluit, tevens houdende opdracht tot het verlenen van Kaakchirurgische Zorg (…) • Coöperatief Medisch Specialisten B U.A.: het vertegenwoordigend orgaan in het Ziekenhuis, waarvan alle in het Ziekenhuis werkzame medisch specialisten en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACODde daarmee gelijk gestelde beroepsbeoefenaren deel uitmaken, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding met uitzondering van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgeding.Kaakchirurgen;
Appears in 1 contract
Sources: Arbitraal Vonnis
De feiten. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan. De eiser trad neuroloog E.N.H. ▇▇▇▇▇▇, verder de neuroloog te noemen, was sedert 1978 werkzaam in (een rechtsvoorganger van) het Medisch Spectrum Twente, verder het ziekenhuis te noemen. Hij stond bekend om zijn expertise op het gebied van Alzheimer en Parkinson. Op 21 november 2003 is hij op non-actief gesteld. Daarna is hij feitelijk vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden totdat hij op 1 april 2010 in dienst oktober 2005 (op 60-jarige leeftijd) met vervroegd pensioen is gegaan. Naar het functioneren van de verweerster neuroloog en de wijze waarop daarmee binnen het ziekenhuis en door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is omgegaan, is uitgebreid onderzoek gedaan. Drie onderzoeksrapporten, aan te duiden als chauffeur afvalophaling ▇▇▇▇▇▇▇ ▇, (zie september 2009) en II (september 2010) en Hoekstra (mei 2010), zijn bij klaagschrift overgelegd. Daarin wordt onder meer het stuk volgende vermeld. Van 1 januari 1997 tot december 2003 is H.G. Bijker voorzitter geweest van de verweerster)Raad van Bestuur (RvB) van het ziekenhuis. De eiser kreeg telkens goede Van 1 februari 2001 tot zeer goede evaluaties (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c april 2004 was verweerder lid van de verweerster). Begin 2015 werd RvB. De leden van de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde RvB waren gezamenlijk verantwoordelijk voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen)bestuur over het ziekenhuis, doch ieder had wel zijn eigen aandachtsgebied. Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden Verweerder was eerste aanspreekpunt voor de patiëntenzorg en was ook aanspreekpunt voor de dienstplanner, de heer XXclustermanager neurologie. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail aan de verweerster waarin een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 In oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster)2003 trad ▇. ▇▇▇▇▇▇▇ toe tot de RvB en was vanaf december 2003 voorzitter tot juni 2005. De neuroloog heeft in augustus 1997 een aangetekende brief geschreven aan de toenmalige RvB over de (verstoorde) verhoudingen binnen de vakgroep neurologie. Een interne stafcommissie heeft daarop een onderzoek gesteld naar door de neuroloog uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek en heeft geen onregelmatigheden gevonden. Dit werd ook in een brief aan de IGZ gemeld. De vakgroep bleef echter twijfels houden. Zij achtte zich ontslagen van verantwoordelijkheid omdat de RvB de conclusies van de stafcommissies overnam. De neuroloog woonde toen de vakgroepvergaderingen niet meer bij. De advocaat van de neuroloog heeft in februari 1998 een brief aan de RvB geschreven waarin kritiek werd geuit op de twijfel van de zeven neurologen. De RvB heeft geantwoord dat hij van alle neurologen goed werknemerschap verwachtte. Op 8 april 1998 heeft de advocaat van de neuroloog aan de vakgroep coördinator persoonlijk een brief geschreven. Hij verweet hem de schade die de neuroloog had ondervonden door het naar buiten brengen van de twijfels over het onderzoek. Er volgde een briefwisseling die eindigde met een brief waarin de RvB stelde dat de vertrouwelijkheid niet was geschonden. Een van de neurologen heeft in een brief van 5 juli 2018 liet 23 april 1998 aan de verweerster haar ongenoegen blijken RvB gemeld dat hij tijdens de waarneming geconfronteerd was met gevallen waarin zijn professionele verantwoordelijkheid in het geding kwam door onvoldoende verslaglegging en overdracht. Hij schetste in die brief de casuïstiek van zeven patiënten van de neuroloog waarbij hij wees op het ontbreken van documentatie over diagnose, indicatie of reden voor ongebruikelijke medicatie of ongebruikelijke dosering. Een reactie op deze brief aan de RvB is uitgebleven. In april 1999 heeft de clustermanager een gesprek met de neuroloog gevoerd naar aanleiding van klachten over zijn attitude. Zij stelde vast dat de neuroloog weigerde andere dan zijn eigen Parkinsonpatiënten te zien en dat hij badinerende uitspraken deed over andere medewerkers. De teleurstellende reacties die de overige neurologen over de e- mail afgelopen periode hadden ontvangen van met name de RvB, als die al volgden, leidden ertoe dat de vakgroep impliciet besloot zich bij de situatie neer te leggen om verdere conflicten zoveel mogelijk te vermijden. Hierbij speelde ook een rol dat in 1994 een lid van de eiser vakgroep anoniem contact had opgenomen met een andere regionale inspectie bij de IGZ dan waar het ziekenhuis onder viel, over een in zijn ogen disfunctionerende collega (de neuroloog, wiens naam hij toen niet noemde) waar in de ogen van 3 juli 2018hem en zijn collega’s niet adequaat op werd gereageerd door de IGZ. Nadat in 1997 de visitatie, om de vakgroep in aanmerking te laten komen voor de A- opleiding van artsen in opleiding tot neuroloog, moest worden uitgesteld vanwege verschil van mening tussen (onder meer) de neuroloog en de overige leden van de vakgroep, zou in 2001 wederom een visitatie plaatsvinden. Er is door de vakgroep veel vergaderd over de neuroloog in het kader van die visitatie. Uiteindelijk is door de vakgroep geconcludeerd dat RvB en het Medisch Stafbestuur (MSB) niets aan de situatie konden doen en vervolgens aan de visitatiecommissie aangegeven dat de neuroloog in het kader van de opleiding geen probleem vormde. Nadat de neuroloog evenwel zijnerzijds tegenover de visitatiecommissie het opleiderschap van een collega had betwist, heeft het MSB besloten de positie van de neuroloog te agenderen bij het gezamenlijk overleg met de RvB. Dat heeft geen vervolg gekregen. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals visitatiecommissie gaf onder meer het zwaarwegende advies de afspraak die op 4 mei 2018 met dossiervoering binnen de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 vakgroep te verbeteren. fl. 15.000,- als zij de zaak niet geheim zou houden. Het medisch dossier van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen patiënte werd op basis van het document deze overeenkomst vernietigd en de neuroloog diende fl. 5.000,- bij te dragen. Tussen de RvB en de IGZ, die alleen wist dat XX bezorgde naar aanleiding de klacht was ingetrokken maar geen weet had van de sociale bemiddeling overeenkomst, werd niet meer over deze kwestie gesproken. In het regulier overleg tussen de RvB en de IGZ van 22 april 2003 kwam de melding bij de IGZ aan de orde van de echtgenoot van een patiënte. Die was in 2001 op 4 38-jarige leeftijd overleden. De neuroloog was haar hoofdbehandelaar geweest. De IGZ had over die kwestie in februari 2002 al een brief geschreven aan verweerder. Hoewel de weduwnaar ook serieuze klachten over de neuroloog had geuit aan de IGZ, vernauwde haar onderzoek zich tot de vraag of het gebruikte infuussysteem wellicht ondeugdelijk was. Zijn klacht bij de klachtencommissie is op 28 mei 20182003 door de klachtencommissie ongegrond verklaard, met uitzondering van het feit dat men in het ziekenhuis niet op de röntgenfoto’s had gezien dat de catheter van de port- à-cath had losgelaten. Op 23 september 2003 is deze kwestie nogmaals aan de orde geweest in het reguliere overleg tussen IGZ en RvB. Met verweerder werd besproken dat hij juist de indicatie (door de neuroloog) van de port-à-cath en de uitvoering daarvan, kwesties van eindverantwoordelijkheid, hoofdbehandelaarschap en overdracht van zorg, aan de hand van het dossier zou uitzoeken omdat daar veel mis leek te zijn gegaan en de klachtencommissie hier geen aandacht aan had geschonken. Op 6 oktober 2003 reageerde verweerder in een brief aan de echtgenoot dat de conclusies van de klachtencommissie door de RvB werden onderschreven. De IGZ schreef nog aan de echtgenoot, met een afschrift aan verweerder, dat zij de afstemming en overdracht van de patiëntenzorg en de verantwoordelijkheden van de afzonderlijke behandelaars blijvend aan de orde zou stellen. Verweerder berichtte de IGZ bij brief van 18 december 2003 dat het geen zin had om na alles wat er al was gedaan nog verdere actie richting de echtgenoot te ondernemen, gelet op “de toonzetting van zijn brieven, de dreigementen en wat dies meer zij” van de echtgenoot. Op dat moment speelde er iets heel anders, waarover het volgende. In mei 2003 heeft de clustermanager samen met het afdelingshoofd en de personeelsfunctionaris van het ziekenhuis een gesprek gehad met de neuroloog nadat door personeelsleden melding was gedaan dat hij medicijnen had ontvreemd uit de medicijnkast. De neuroloog gaf dat aanstonds toe. Hij kreeg een schriftelijke waarschuwing, met afschrift aan Bijker, waarin onder meer is vermeld: - Maandag “Verder heb ik hulp aangeboden, echter je hebt dit afgewezen onder de vermelding dat je reeds hulp ontvangt.” . Op 18 november 2003 meldde een apotheek aan de Inspectie voor de Gezondheids- zorg (IGZ) dat “een neuroloog” op recept grote hoeveelheden midazolam (Dormicum) voor eigen gebruik was komen ophalen (van augustus tot oktober 2003 op vijf recepten tweehonderd tabletten en dinsdagin november 2003 drie recepten voor 40 stuks en een recept voor 20 stuks). De apotheker werd erop gewezen dat hij ook een eigen verantwoordelijkheid had. Achteraf bleek dit de neuroloog te zijn geweest. Verweerder werd op 21 november 2003 hiervan op de hoogte gesteld en ontving kopieën van door de neuroloog vervalste recepten. De neuroloog is op 21 november 2003 na een gesprek met verweerder en de clustermanager op non-actief gesteld, 10h30 en na nogmaals een gesprek op 10 december 2003 met de clustermanager gedwongen met ziekteverlof gegaan, hetgeen schriftelijk aan hem is bevestigd met afschrift aan verweerder. Op 12 december 2003 werd ▇▇▇▇▇▇▇ door verweerder op de hoogte gebracht. Op 17 december 2003 heeft verweerder aan het MSB aangegeven het te betreuren dat een van de neurologen melding had gedaan bij de IGZ van de problemen met de neuroloog. Van de zijde van het MSB werd aangegeven dat anoniem was geïnformeerd hoe te handelen en dat er geen officiële melding was gedaan. Wel werd door een van de neurologen, die had begrepen dat er een meldingsplicht bestond, tot 19h00tweemaal toe aangedrongen op een melding door de RvB aan de IGZ van de verslaving van de neuroloog. Verweerder en de IGZ verschillen van mening of hij in december 2003 melding heeft gedaan van de verslaving van de neuroloog. Verweerder ging met vakantie van 18 december 2003 tot 5 januari 2004. Op 21 december 2003 werd ▇▇▇▇▇▇▇ door de neurologen geïnformeerd over inmiddels ontdekte misdiagnoses van de neuroloog. Op 23 december 2003 vond een spoedvergadering plaats van de vakgroep om af te spreken hoe om te gaan met de situatie waarin de neuroloog met ziekteverlof was. Er was bij patiënten al onrust ontstaan over verkeerde diagnoses en afgesproken werd in voorkomende gevallen de juiste diagnose mee te delen. Ook kwam aan de orde hoe om te gaan met ‘in het archief aanwezige patiënten’. Tijdens het overleg kwam het bericht dat de neuroloog in zijn werkkamer aanwezig was. Een delegatie van de vakgroep heeft aanstonds contact gezocht met ▇▇▇▇▇▇▇. Deze heeft laten weten dat de neuroloog tot medio 2004 afwezig zou zijn en dat de RvB zich zou beraden over het vervolgtraject, kuismachine - Woensdag dat er somber uit zag. Voorts heeft hij de opdracht gegeven: Tijdens de kerstdagen nam de neuroloog contact op met verweerder met de mededeling dat hij weer beter was en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser aan het werk kon. Deze liet hem weten dat daar geen sprake van kon zijn. In de maand hierna volgden (verdere) aanwijzingen over de verslaving van de neuroloog, waartoe hij onder meer receptpapier van collega’s heeft gebruikt, en werd door de clustermanager, met afschrift aan de RvB, aan de neuroloog een brief gestuurd dat hij zich moest laten behandelen voor zijn verslaving en dat een gesprek over werkhervatting op 22 augustus 2018 gang kon komen als de RvB beschikte over een brief van een professionele hulpverlener waaruit bleek dat de neuroloog weer verantwoord kon functioneren. Verweerder heeft verklaard dat hij bij de IGZ begin 2003 meermalen heeft aangedrongen op een formeel onderzoek en op een melding aan het Openbaar Ministerie. De IGZ heeft verklaard dat zij er juist op heeft aangedrongen dat niet zij maar het ziekenhuis, als werkgever, de aangifte zou doen. Vast staat dat verweerder zelf daadwerkelijk contact heeft opgenomen met het Openbaar Ministerie, maar de IGZ kwam naar zijn zeggen maar niet in actie. Op 26 februari 2004 schreef de vakgroepcoördinator een brief aan de RvB met kort gezegd als inhoud dat er tijdens de waarneming zoveel boven water was gekomen, ook incidenten met betrekking tot de patiëntenzorg, dat continuering van de werkzaamheden door de neuroloog niet mogelijk was en dat voorts melding aan de IGZ aangewezen was. Op dezelfde datum vond een bespreking plaats tussen de RvB en de neuroloog over een vertrekregeling, waarop de neuroloog zich zou beraden. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ schreef op 1 maart 2004 aan de neuroloog dat er een brief was ontvangen van zijn behandelend psychiater dat hij weer aan het werk zou kunnen, maar tevens een brief van de neurologen met bovengenoemde inhoud. De neuroloog kreeg de keus om zijn carrière bij het ziekenhuis met een gunstige regeling te beëindigen, anders volgde aangifte, een extern onderzoek in overleg met het MSB en de IGZ en kon een zaak bij het tuchtcollege niet worden uitgesloten. Na enige weken beraad koos de neuroloog voor de vertrekregeling. In maart 2004 hoorde de IGZ iets van een journalist over ontslag van de neuroloog wegens verslaving aan opiaten. De regionaal inspecteur nam contact op met Ramaker. Deze liet weten dat er sprake was van rommelen met medicijnen maar geen opiatenmisbruik en dat een melding aan de IGZ achterwege was gebleven omdat er “geen sprake was van onverantwoorde zorg”. De IGZ schreef op 12 maart 2004 aan Ramaker: “U vertelde dat er problemen waren geweest met medicijnen (geen opiaten) en enkele incidenten, die echter niet geleid hadden tot onverantwoorde zorg.(…) Uit ons archief blijkt dat er eerder sprake is geweest van problemen met medicatie die door [de neuroloog, RTC] is voorgeschreven. Dit leidde tot een klachtprocedure in 2001. Mede op grond van deze historie verzoek ik u daarom de inspectie volledig te informeren over de huidige problemen die aanleiding vormen tot uw voorstel aan deze neuroloog”. Tijdens het daaropvolgende reguliere overleg met de IGZ op 23 maart 2004 informeerde verweerder de regionaal inspecteur nader over de gebeurtenissen en de gevolgde strategie. Collega-neurologen hadden het werk van de neuroloog overgenomen en daaruit was gebleken dat de neuroloog ten onrechte de diagnose MS had hervatgesteld bij een aantal patiënten. Dat had drie klachten tot gevolg gehad en één claim. De inspecteur was ontevreden dat de IGZ alleen als stok achter de deur was gebruikt en niet volledig geïnformeerd, zo verduidelijkten maar ging akkoord met de partijen gevolgde strategie en wilde wel op de zitting, werkte hoogte blijven van het verloop van de klachtprocedures. Voorts liet de IGZ weten zelf het gesprek met de neuroloog te zullen aangaan om te voorkomen dat hij de eerste dagen in de garage, omdat elders weer aan het werk zou gaan en om zo mogelijk zijn uitschrijving uit het BIG-register te bewerkstelligen. Verweerder ging hierna met vakantie en toen hij nog geen opleiding terugkwam op 5 april 2004 kreeg hij te horen van ▇▇▇▇▇▇▇ dat het MSB zich tegen hem had genoten gekeerd in verband met problemen rond de bediening van de kuismachine. In een eICT-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XXontwikkeling in het ziekenhuis, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof waarna verweerder vanaf 7 april 2004 feitelijk niet meer heeft gewerkt en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris 15 juli 2004 afscheid heeft genomen van het ACOD, de heer XX, protesteerde ziekenhuis. ▇▇▇▇▇▇▇ bleef als enige bestuurder over.”
4.2 De in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor eerste aanleg ingediende klacht en het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie daartegen gevoerde verweer houden het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgedingvolgende in.
Appears in 1 contract
Sources: Decision in the Case
De feiten. De eiser trad op 1 april 2010 2.1. Betrokkene is sinds [datum] ingeschreven in dienst het accountantsregister van de verweerster als chauffeur afvalophaling NBA.
2.2. Klaagster woont in het appartementencomplex [B] te [plaats1]. Het complex is gesplitst in 34 appartementen en bijbehorende bergingen en parkeerplaatsen. Op 14 december 2004 is de bijbehorende Vereniging van Eigenaren (zie het stuk hierna: VvE) opgericht. Klaagster is eigenaresse van een appartement in [B] en daarom van rechtswege lid van de VvE.
2.3. Artikel 4 lid 1 van het reglement behorend bij de verweersterakte van splitsing van 14 december 2004 luidt:
2.4. Op 30 januari 2013 heeft de VvE [BV1] (hierna: [BV1]) aangesteld als extern beheerder. Op 10 juli 2013 is met het oog hierop een beheerovereenkomst ondertekend; deze is jaarlijks verlengd. De VvE heeft [BV1] opdracht gegeven tot het verrichten van werkzaamheden op het terrein van administratief beheer, financieel beheer en technisch beheer. In de bij de beheerovereenkomst behorende bijlage ‘taakomschrijving beheerder’ is nader aangegeven wat onder deze diensten valt. Uit deze taakomschrijving blijkt dat onder financieel beheer onder meer valt het jaarlijks vervaardigen van een conceptbegroting en het opmaken van de jaarrekening van de VvE.
2.5. Op de ledenvergadering van de VvE van 21 mei 2015 is besloten om [BV1] aan te stellen als bestuurder van de VvE. Op deze ledenvergadering is tevens besloten om een door één van de appartementseigenaren opgesteld meerjaren onderhoudsplan (hierna: MJOP) goed te keuren.
2.6. Op de ledenvergadering van de VvE van 14 april 2016 is besloten om een reservering voor meerjarenonderhoud van 0,5% van de nieuwbouwwaarde te hanteren.
2.7. Met ingang van 16 april 2018 zijn de aandelen in [BV1] verworven door [BV2] (hierna: de holding). De eiser kreeg telkens goede tot zeer goede evaluaties Van de holding zijn betrokkene en [C] aandeelhouders. Onder meer [BV1] en VvE [BV3] (zie de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c hierna VvE [BV3]) zijn dochtermaatschappijen van de verweerster)holding, waarvan betrokkene de indirect bestuurder is. Begin 2015 werd Na de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en overdracht van de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail aandelen [BV1] aan de verweerster waarin een groot aantal punten holding zijn de activiteiten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen [BV1] ondergebracht in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopigVvE [BV3], met behoud dien verstande dat [BV1] wel bestuurder bleef van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van – voor deze zaak relevant – de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemenVvE.
2.8. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde een inspectie op 12 juli 2019 heeft [inspectiebedrijf] voor de verweerster VvE een nieuw (concept)MJOP opgesteld.
2.9. Op 2 februari 2021 is aan de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 leden van de eiser)VvE een uitnodiging voor een vergadering op 22 februari 2021 toegezonden, vergezeld van het conceptjaarverslag 2019. Het conceptjaarverslag is afgedrukt op briefpapier van VvE [BV3].
2.10. Tijdens de ledenvergadering van de VvE van 22 februari 2021 is de jaarrekening 2019 vastgesteld. Besloten is om het exploitatietekort 2019 ten laste van de algemene reserve te brengen. Met het door [inspectiebedrijf] opgestelde MJOP is ingestemd.
2.11. Klaagster heeft bij de kantonrechter de vernietiging van besluiten van de VvE verzocht. De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging kantonrechter heeft de tijdens de ledenvergadering van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden22 februari 2020 genomen besluiten vernietigd, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie behalve het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling besluit met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie MJOP opgesteld door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching[inspectiebedrijf]." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schade
2.12. Met een aangetekende brief ingang van 28 1 september 2018 betwistte 2021 heeft [BV1] haar werkzaamheden voor de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgedingVvE beëindigd.
Appears in 1 contract
Sources: Tuchtrechtspraak Accountants
De feiten. De eiser trad op A is sinds 1 april 2010 juni 2009 als leraar in dienst bij B. Sinds 1 augustus 2010 is A werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een betrekkingsomvang van 1,0852fte. Op de arbeidsverhouding is van toepassing de cao po. B is een orthopedagogisch centrum voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.
A heeft een benoeming als leraar, maar heeft feitelijk (tot aan het schooljaar 2014-2015) steeds als ambulant begeleider gewerkt in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Per 1 augustus 2014 heeft onder de naam “passend onderwijs” een stelselwijziging in het onderwijs plaatsgevonden waardoor onder meer de bekostigingssystematiek is veranderd voor leerlingen die binnen het onderwijs extra ondersteuning nodig hebben. Als gevolg van deze veranderingen diende de werkgever onder meer de in het mbo werkende ambulante begeleiders met een benoeming als leerkracht LB elders in de organisatie te (her)plaatsen. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de PO-raad, de VO-raad en de vakbonden hebben een tripartiete overeenkomst gesloten, geldend met terugwerkende kracht van 1 mei 2012 en lopend tot 31 juli 2017, over het opvangen van de verweerster als chauffeur afvalophaling (zie het stuk 1 personele gevolgen van de verweerster)invoering van passend onderwijs. In deze overeenkomst is het uitgangspunt opgenomen dat schoolbesturen in het samenwerkingsverband een gezamenlijke inspanningsplicht hebben om verlies van expertise te voorkomen en daarmee het ontslag van de betrokken medewerkers zo veel als mogelijk te vermijden. De eiser kreeg telkens goede werkgever heeft een nota mobiliteitsbeleid 2012-2015 vastgesteld waarin een procedure met verschillende deelstappen waaronder belangstellingsregistratie, vrijwillige mobiliteit en uiteindelijk verplichte mobiliteit is uitgewerkt. De GMR heeft met dit beleid ingestemd. In de nota is onder meer opgenomen (pagina15): “Bij noodzaak tot zeer goede evaluaties (zie verplichte mobiliteit op grond van formatieve overwegingen handelt B volgens de stukken 4acao po, 4bde regeling werkgelegenheidsbeleid zoals omschreven in de artikelen 10.2 en 10.3. De instrumenten in fase 1 en 2 van het werkgelegenheidsbeleid benoemd binnen cao po artikel 10.3 lid 4 worden hierbij ingezet. Verplichte mobiliteit/overplaatsing wordt ingezet ter voorkoming van gedwongen ontslag, 5adie voor iedere werknemer kan gelden.” Voorts kent de werkgever een concept werkgelegenheidsbeleid fase 1, 5b d.d. januari 2014. Ook hierin zijn de fases van vrijwillige en 5c gedwongen mobiliteit opgenomen. Daarnaast heeft de werkgever een document genaamd ‘Reorganisatie ambulante dienstverlening in verband met overeenkomsten opting out binnen samenwerkingsverbanden 2014-2015’. Hierin is een toelichting opgenomen op de situatie van de verweerster)ambulante begeleiding en de veranderingen voor deze dienst. Begin 2015 werd Op 14 maart 2014 heeft A een belangstellingsregistratie/mobiliteitsgesprek gehad met het regiohoofd ambulante dienstverlening. Dit gesprek is dezelfde dag door het regiohoofd per e- mail bevestigd; in de eiser aangesteld als vakbondsafgevaardigde weergave van het gesprek is een belangstellingsregistratie voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen)mogelijke functies opgenomen, die uitmondt in een top vijf. Daarnaast wordt een aantal specifieke aandachtspunten ten behoeve van een andere functie benoemd. Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplanner, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een e-mail van 9 mei 2014 heeft de werkgever aan de verweerster waarin A een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie het stuk 30 van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd wasvoorlopig plaatsingsbesluit meegedeeld, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor inhoudende dat hij tijdelijk de functie met ingang van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is 1 augustus 2014 geplaatst zal worden in de functie van buil chauffeurleerkracht binnen B, binnen het vso E. Bij brief van 1 juli 2014 heeft de werkgever het definitieve plaatsingsbesluit aan A meegedeeld: met ingang van 1 augustus 2014 zal A als leerkracht binnen B binnen het vso E worden geplaatst. In deze brief is aangegeven dat de werkgever genoodzaakt is hem te verplaatsen in zijn vaste benoeming als leerkracht; zijn functie blijft in het functiegebouw bestaan maar zijn taken veranderen. A heeft op 11 juli 2014 bij de werkgever bezwaar gemaakt tegen het definitieve plaatsingsbesluit. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling werkgever heeft op 17 juli 2014 het bezwaar ongegrond verklaard en onderschrijft aangegeven dat A tegen dit besluit in beroep kan bij de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod Commissie van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster)Beroep. ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief dit besluit is het beroep van 5 juli 2018 liet de verweerster haar ongenoegen blijken over de e- mail van de eiser van 3 juli 2018. De verweerster bevestigde in deze brief echter nogmaals de afspraak die op 4 mei 2018 met de sociaal bemiddelaar was gemaakt (zie het stuk 7 van de eiser): "In tweede instantie willen wij de afspraak nog eens duidelijk stellen op basis van het document dat XX bezorgde naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, omdat hij nog geen opleiding had genoten in verband met de bediening van de kuismachine. In een e-mail van 30 augustus 2018 deelde de heer XX, adjunct-directeur van de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellen, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding van de daaruit ontstane schadeA gericht. Met een aangetekende brief ingang van 28 september 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest (zie het stuk 11 van de eiser). Zij wees de eiser erop dat schooljaar 2014-2015 is A gestart in de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken als "kuiser" leerkracht op een vso school in E. Na enkele weken is A uitgevallen en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat sindsdien is hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgedingarbeidsongeschikt.
Appears in 1 contract
Sources: Decision on Employment Dispute
De feiten. Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:
2.1 De eiser trad vader heeft een minderjarige zoon, geboren in 2004. Voordat de zoon één jaar was, is de moeder met hem vertrokken en is zij bij haar moeder en broer ingetrokken.
2.2 De vader en de moeder zijn op 12 juni 2006 gescheiden. Zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de zoon.
2.3 Bij beschikking van 1 april 2010 in dienst 2011 heeft de kinderrechter de zoon onder toezicht gesteld van de verweerster als chauffeur afvalophaling (zie het stuk 1 gecertificeerde instelling [BJZ] [provincienaam], hierna te noemen: BJZ, voor de duur van twaalf maanden. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.
2.4 Op verzoek van ▇▇▇ heeft de kinderrechter bij beschikking van 11 november 2013 een machtiging tot uithuisplaatsing van de verweerster)zoon in een verblijf accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs verleend. De eiser kreeg telkens goede machtiging tot zeer goede evaluaties uithuisplaatsing is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 1 oktober 2017.
2.5 De zoon is eind 2013 bij [het kinderhuis], kinderhuis [plaatsnaam 2] (zie verder: het kinderhuis) geplaatst.
2.6 Op 20 mei 2016 is de stukken 4a, 4b, 5a, 5b en 5c uitvoering van de verweerster)ondertoezichtstelling overgedragen van BJZ aan de GI.
2.7 In juni 2017 hebben de jeugdprofessional en haar collega jeugdprofessional de casus overgenomen van twee collega’s.
2.8 De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kinderrechter van 31 maart 2017, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon is verlengd. Begin 2015 werd In de eiser aangesteld beschikking van 28 juni 2017 overweegt het gerechtshof als vakbondsafgevaardigde volgt: “Gelet op de verharde strijd waarin de ouders al jarenlang met elkaar verwikkeld zijn en het effect dat dit heeft op [de zoon], heeft het hof ter zitting aan de ouders een voorstel gedaan, inhoudende dat zij voor het ACOD (Algemene Centrale der Openbare Besturen). Bij zijn aanstelling bestond reeds enige tijd de periode van een conflict tussen een aantal personeelsleden en de dienstplannerhalf jaar op geen enkele wijze contact met elkaar zullen zoeken, de heer XX. De vakbondssecretaris van het ACODof onderhouden, de heer XX, richtte in die periode in naam van deze personeelsleden een ook niet per e-mail aan of geschrift. Dit wordt de verweerster waarin ‘schotten’ aanpak genoemd: er wordt als het ware een groot aantal punten van kritiek werden opgesomd (zie schot tussen de ouders geplaatst. Gedurende zo’n periode verlopen alle contacten op ouderniveau via de GI. In die periode kan het stuk 30 van de eiser). Toen in de nazomer van 2015 bleek dat de situatie na die e-mail niet wezenlijk veranderd was, wierp de eiser zich op als spreekbuis van de groep van ontevreden personeelsleden. Op 23 oktober 2017 deed de eiser kind zowel bij de preventieadviseur een verzoek tot formele psychosociale interventie. Dat verzoek had een hoofdzakelijk collectief karakter. De klacht van de eiser hield in hoofdzaak het volgende in (zie het stuk 3 van de eiser): "Directe leidinggevende XX benadeelt binnen dienst "ophaal" groep werknemers die vakbondsgezind zijn tegenover andere werknemers. Onder "benadelen" wordt verstaan: tijdelijke contracten die niet verlengd worden, zwaardere rondes geven, vaker bij zich roepen om opmerkingen te geven (bijvoorbeeld over motivatie), meer controleren, meer weigeren van verlof of opnemen van overuren, onrespectvolle uitspraken (bv. "dikzak", "halve gasten" of "laat hem maar liggen" wanneer werknemer onwel wordt tijdens discussie,...)." De verweerster werd op 24 oktober 2017 op de hoogte gesteld van dit verzoek tot psychosociale interventie (zie het stuk 6 van de verweerster). De verweerster organiseerde op 17 november 2017 een bijzondere vergadering van het overlegcomité en stelde toen aan de heer XX een aantal bewarende maatregelen voor. De heer X zou voorlopig, met behoud van al zijn rechten, van thuis uit werken en zou geen leidinggevende taken meer uitoefenen (zie het stuk 7 van de verweerster). Tevens vond - op aandringen van de eiser - op 10 november 2017 een vergadering plaats tussen de heer XX, voorzitter van de verweerster, en de eiser (zie het stuk 8 van de verweerster). Op vraag van de verweerster voerde X een risicoanalyse psychosociale aspecten uit, die in januari 2018 uitmondde in een uitgebreid verslag (zie het stuk 9 van de verweerster). Aangezien er onduidelijkheid bleef bestaan over de toekomst van de heer XX binnen de onderneming, deden het ACV-OD en het ACOD op 1 maart 2018 een stakingsaanzegging. De staking werd uitdrukkelijk verantwoord door het verzoek tot psychosociale interventie dat op 23 oktober 2017 was gedaan en de blijvende onduidelijkheid over de toekomst van de heer X in de onderneming (zie het stuk 10 van de verweerster). De staking duurde een week (zie de stukken 11 van de verweerster). De raad van bestuur van de verweerster besliste op 6 maart 2018 dat de heer XX vanaf 1 april 2018 belast zou worden met het uitbouwen en het coördineren van de cel sluikstort en handhaving (zie het stuk 12 van de verweerster). Op 16 maart 2018 deelde X aan de verweerster mee dat zij de afgelopen weken verschillende meldingen ontvangen had van medewerkers van de verweerster. Het ging volgens X over feiten van verbaal en fysiek geweld, pesterijen en intimidatie (roepen, uitschelden, auto's van medewerkers beschadigen, uiten van dreigementen, vader als bij de keel grijpen van een collega,...) en zij zouden toe te schrijven zijn aan een vakbondsafgevaardigde van het ACOD en een aantal andere medewerkers (zie het stuk 14 van de verweerster). Hoewel de betrokken medewerkers geen verzoek tot psychosociale interventie hadden gedaan, raadde X de verweerster aan bewarende maatregelen te nemen. Naar aanleiding van deze mededeling door X stelde de verweerster de eiser op 26 maart 2018 voor dat hij tijdelijk de functie van containerparkwachter in het containerpark van X zou uitoefenen (zie het stuk 4 van de eiser). De eiser wenste niet op dat voorstel - dat een wijziging van zijn functie en zijn arbeidsplaats inhield - in te gaan. Hij was na 26 maart 2018 gedurende lange tijd (met een korte onderbreking tussen 16 en 20 april 2018) arbeidsongeschikt. Om alsnog een voor alle partijen wenselijke oplossing te vinden, vroegen de vakorganisaties aan de FOD WASO een bemiddelingsgesprek te organiseren. Op 4 mei 2018 vond een gesprek plaats tussen de bemiddelaar en de betrokken partijen (zie het stuk 16 van de verweerster). Na afloop van de gesprekken formuleerde de bemiddelaar de volgende aanbeveling met betrekking tot de tewerkstelling van de eiser (zie het stuk 5 van de eiser): "Het voorlopig verder opnemen van de actuele functie door de gemandateerde ACOD, tot aan zijn verlof startend op 17/05/2018; na het verlof is er de afspraak om over te stappen naar een 2x2 dagen regime, met behoud van huidig loon, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine en de woensdag en de donderdag magazijnwerk, waarbij de werkgever noteert dat er ook interesse is in de functie van buil chauffeur. De ACOD-gemandateerde bevestigt zijn constructieve opstelling en onderschrijft de inspanningen om de rust te laten terugkeren in de onderneming. Hij gaat in op het aanbod van coaching." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de eiser aan de verweerster mee dat hij akkoord ging met de aanbeveling van de bemiddelaar (zie het stuk 6 van de eiser): "Bij deze wil ik laten weten dat ik akkoord ga om over te stappen naar een 2 maal 2 dagen regime, met behoud van huidig loon en uren van 7u30 tot 16u, te weten de maandag en de dinsdag kuismachine of wielader en de woensdag en de donderdag magazijnwerk." In een e-mail van 3 juli 2018 deelde de bemiddelaar aan de eiser mee dat de "shift kuismachine", gezien de aard van het werk, een ander werkrooster impliceerde. De eiser zou telkens, op maandag en dinsdag, van 10u30 tot 19u moeten presteren (zie het stuk 19 van de verweerster). moeder ▇▇▇▇▇▇▇ een aangetekende brief van 5 juli 2018 liet ▇▇. Deze periode wordt benut om rust te creëren: rust voor de verweerster haar ongenoegen blijken over ouders en met name voor [de e- mail zoon]”.
2.9 Op 28 augustus 2017 heeft de vader zich gewend tot de klachtencommissie van de eiser van 3 juli 2018GI met drie klachten. De verweerster bevestigde mondelinge behandeling hiervan heeft op 10 november 2017 plaatsgevonden. In de uitspraak van de klachtencommissie van de GI van 27 november 2017 is onder meer het volgende overwogen: “Het behoort niet tot de bevoegdheden van de klachtencommissie om zich uit te spreken over het verzoek tot wijziging van een jeugdbeschermer. De klachtencommissie kiest er echter in deze brief echter nogmaals casus voor wel een wijziging van jeugdbeschermer aan te bevelen. De klachtencommissie ziet niet dat vader en [de afspraak die op 4 mei 2018 met GI] anders uit de sociaal bemiddelaar was gemaakt geconstateerde patstelling komen.” De klachtencommissie van de GI heeft twee klachtonderdelen (I en II) gegrond verklaard.
2.10 Op 13 september 2017 heeft een (klacht)gesprek plaatsgevonden tussen onder meer de vader, de jeugdprofessional en de collega jeugdprofessional (zie onder 2.7). In het stuk 7 gespreksverslag van 1 november 2017 is het volgende opgenomen: “Daarnaast heeft [de eiser): "In tweede instantie willen wij vader] een persoonlijke klacht tegen de afspraak nog eens duidelijk stellen [collega jeugdprofessional], omdat deze op basis van 22 en 23 augustus naar [de zoon] is gegaan op [het document kinderhuis] om te bespreken dat XX bezorgde hij op 28 augustus naar aanleiding van de sociale bemiddeling op 4 mei 2018: - Maandag en dinsdag, 10h30 tot 19h00, kuismachine - Woensdag en donderdag, 7h30 tot 16h00 magazijnier garage." Nadat de eiser het werk [naam school] zou gaan. [De collega jeugdprofessional] geeft aan dat hij op 22 augustus 2018 had hervat, zo verduidelijkten naar [de partijen op de zitting, werkte hij de eerste dagen in de garage, zoon] is gegaan omdat hij nog geen opleiding had genoten ervan uit ging dat het allemaal geregeld was en niet wist dat er alsnog een toetsing door de Raad van de Kinderbescherming moest gebeuren. Om die reden is [de collega jeugdprofessional] op 23 augustus wederom naar [de zoon] toegegaan om het terug te draaien. [De zoon] accepteerde teleurgesteld de mededeling. [De collega jeugdprofessional] geeft toe dat hij te voorbarig is geweest en dat het niet handig was om het zo te doen. Hij biedt hiervoor zijn excuses aan [de vader] aan, maar deze worden niet geaccepteerd.”
2.11 Op 1 oktober 2017 is de zoon bij de moeder gaan wonen. Het is een proefplaatsing onder intensieve begeleiding van [de jeugdhulpinstelling] (verder: de jeugdhulpinstelling). Daarbij was het de bedoeling dat de zoon tien dagen bij de moeder en vier dagen bij vader zou gaan wonen om te bekijken of het perspectief van de zoon bij de moeder ligt, bij de vader of elders. Deze verdeling tussen de moeder en de vader is niet doorgegaan.
2.12 Vanaf november 2017 heeft de jeugdprofessional de casus alleen doorgezet, in verband met de bediening een ingediende klacht van de kuismachinevader tegen de collega jeugdprofessional.
2.13 Bij beschikking van 29 maart 2018 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 1 april 2019. In De kinderrechter overweegt daartoe als volgt: “Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de ontwikkeling van [de zoon] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De ontwikkelingsbedreiging is hierin gelegen dat [de zoon] een e-mail zodanige angst heeft ontwikkeld jegens [de vader] dat hij geen ruimte in zijn hoofd heeft om zich volledig te richten op school, hij gestrest is bij het behalen van 30 slechte cijfers omdat [de vader] het hier niet mee eens zou zijn, hij angst heeft voor een uithuisplaatsing omdat [de vader] de plaatsing bij [de moeder] niet ondersteunt en [de zoon] dagelijks wordt geconfronteerd met herinneringen aan de uithuisplaatsing maar ook aan de ernstige voorvallen die hij heeft meegemaakt met [de vader]. Traumabehandeling is hiervoor noodzakelijk. Zonder een ondertoezichtstelling voelt [de zoon] zich niet veilig, omdat de strijd die wordt gevoerd door [de vader] bij hem een enorm gevoel van onveiligheid veroorzaakt. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat de ouders tot op heden niet in staat zijn gebleken om de ontwikkelingsbedreigingen van [de zoon] volledig weg te nemen. De gestelde doelen zijn niet behaald. [De vader] heeft geen vertrouwen meer in de GI. Hulp in het verplichte kader is nodig zodat [de zoon] zich gesteund voelt door de gezinsvoogdijwerker.”
2.14 Op 22 augustus 2018 deelde heeft de heer XX, adjunct-directeur van jeugdprofessional een brief geschreven aan de verweerster, de eiser de planning voor week 36 mee (zie het stuk 8 van de eiser). Op maandag 3 en dinsdag 4 september 2018 had de eiser verlof en op woensdag 5 en donderdag 6 september 2018 diende hij een opleiding te volgen. De opleiding zou betrekking hebben op "de verschillende aspecten van de job van kuiser". In de daaropvolgende weken zou hij op maandag en dinsdag tewerkgesteld worden als "kuiser". De eiser was vanaf die datum opnieuw arbeidsongeschikt. De vakbondssecretaris van het ACOD, de heer XX, protesteerde in een e-mail van 31 augustus 2018 tegen deze gang van zaken. Hij herinnerde eraan dat er in de verschillende documenten die naar aanleiding van de sociale bemiddeling werden opgesteld, telkens sprake was van een functie als "bediener kuismachine". Hij maande de verweerster aan een nieuw werkschema op te stellenvader, waarin de eiser werd ingeschakeld voor het bedienen van de kuismachine. In een aangetekende brief van 21 september 2018 herhaalde de raadsman van de eiser die vraag (zie het stuk 10 van de eiser). Aangezien de eiser het werk op 1 oktober 2018 zou hervatten verzocht hij de verweerster uiterlijk op 28 september 2018 te bevestigen staat dat de eiser twee dagen per week tewerkgesteld zou worden aan GI het voornemen heeft de kuismachine. Hij voerde tevens aan dat hij de houding van de verweerster als RvdK te verzoeken een vorm van discriminatie en pesterijen op het werk zou beschouwen. Hij behield zich het recht voor een vordering in rechte onderzoek in te stellen met het oog op de staking van deze handelingen en de vergoeding naar gezagsbeëindiging van de daaruit ontstane schade. Met een aangetekende brief vader.
2.15 De jeugdprofessional is als jeugdzorgwerker van 28 september [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 betwistte de verweerster dat zij de eiser zou hebben gediscrimineerd en/of gepest geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (zie het stuk 11 van de eiserSKJ). Zij wees Sinds [datum] 2018 is de eiser erop dat de functie van "bediener van de kuismachine" niet bestond. Wat de verweerster, zo verduidelijkte zij, tijdens de onderhandelingen werkelijk voor ogen had gehad, was dat de eiser zou werken jeugdprofessional als "kuiser" jeugd- en daarbij - naast de andere kuiswerkzaamheden - sporadisch ook de kuismachine zou bedienen. In een aangetekende brief van 10 oktober 2018 vroeg de raadsman van de eiser de verweerster opnieuw om te bevestigen dat hij de tijdens de bemiddeling overeengekomen functies zou kunnen uitoefenen (kuiser en medewerker magazijn). Tevens vorderde de raadsman van de eiser een schadevergoeding van 6 maanden loon omwille van de discriminatie en de pesterijen waarvan hij omwille van zijn activiteiten als vakbondsafgevaardigde het slachtoffer was (zie de stukken 12 en 13 van de eiser). Toen zijn eisen ook na deze laatste brief niet ingewilligd werden, startte de eiser op 15 oktober 2018 een procedure zoals in kortgedinggezinsprofessional geregistreerd.
Appears in 1 contract
Sources: Complaint Procedure