Common use of De beoordeling Clause in Contracts

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt de vraag voor of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouw. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Rechtsbijstandverzekering

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt Wijziging van eis 4.1. Huis & Hypotheek heeft bij conclusie van repliek haar vorderingen aanzienlijk gewijzigd. Nu hiertegen door DSB geen uitdrukkelijk verweer is gevoerd zal de rechtbank bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de vorderingen van Huis & Hypotheek zoals deze zijn geformuleerd bij haar conclusie van repliek. 4.2. Artikel 18 van de franchiseovereenkomst bepaalt -kort gezegd- dat partijen in eerste instantie geschillen die voortvloeien uit de franchiseovereenkomst met behulp van bemiddeling moeten oplossen. Het artikel bepaalt voorts dat, mocht het geschil niet middels bemiddeling kunnen worden opgelost, partijen het geschil dienen te beslechten middels arbitrage. 4.3. DSB heeft in haar conclusie van dupliek een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Zij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank op grond van voornoemd artikel in de franchiseovereenkomst onbevoegd is voor zover de vorderingen van Huis & Hypotheek hun grondslag vinden in de franchiseovereenkomst. In reactie op het verweer van Huis & Hypotheek heeft DSB aangevoerd dat zij zich tijdig op de arbitrageclausule heeft beroepen, daar Huis & Hypotheek pas bij wijziging van eis bij conclusie van repliek de franchiseovereenkomst mede ten grondslag aan haar vordering heeft gelegd. 4.4. Artikel 1022 lid 1 Rv bepaalt dat degene die zich op de arbitrageclausule in een tussen partijen gesloten overeenkomst beroept, dit beroep moet doen voor alle weren. Degene die zich beroept op de arbitrageclausule -en zich daarmee beroept op de onbevoegdheid van de rechtbank- moet in beginsel dit beroep doen in de eerste door hem of haar ingediende schriftelijke conclusie. Anders dan DSB is de rechtbank van oordeel dat Huis & Hypotheek zich bij dagvaarding wel degelijk op de franchiseovereenkomst heeft beroepen. Huis & Hypotheek legt bij dagvaarding een schending van haar intellectuele eigendomsrechten aan haar vordering ten grondslag waarbij zij deze vordering onderbouwt met een verwijzing naar de destijds gesloten franchiseovereenkomst. Zij stelt in de dagvaarding dat het huidige DSB Leeuwarden haar voormalige franchisenemer was en dat DSB, na het beëindigen van de franchiseovereenkomst zich, gelet op haar reclameuitingen, ten onrechte voordoet als een franchisenemer van Huis & Hypotheek. Nu de franchiseovereenkomst in artikel 14 de ex-franchisenemer verbiedt om zich als franchisenemer van Huis & Hypotheek voor te doen, kan niet gezegd worden dat Huis & Hypotheek zich bij dagvaarding niet op de franchiseovereenkomst heeft beroepen. 4.5. Hierbij overweegt de rechtbank dat, ook als de exceptie tijdig was opgeworpen, de rechtbank dit beroep had verworpen op grond van het feit dat het beroep van DSB niet eenduidig is nu zij zich slechts voor zover het de contractuele grondslag van de vordering betreft op arbitrage beroept. Wanneer de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren enkel en alleen voor zover het betreft de contractuele grondslag van de vordering van Huis & Hypotheek dan zou dit tot het resultaat leiden dat de zaak zou moeten worden gesplitst. Immers, Huis & Hypotheek beroept zich in deze procedure eveneens op onrechtmatig handelen van DSB. Splitsing van de zaak in dier voege dat de contractuele grondslag door arbiters en de buitencontractuele grondslag van de vordering door de rechtbank moet worden beoordeeld is ondoelmatig, leidt tot complicaties en moet worden beschouwd als strijdig met de goede procesorde. 4.6. De rechtbank constateert dat Huis & Hypotheek DSB onrechtmatig handelen verwijt. Dit onrechtmatig handelen ziet (blijkens de conclusie van repliek) volgens Xxxx & Hypotheek op: a) het gebruik van DSB van de in het kader van de franchiseovereenkomst opgebouwde know how en het gebruik van DSB van de databank bestaande uit relaties van Huis & Hypotheek; b) het schenden door DSB van de handelsnaam- en merkrechten van Huis & Hypotheek; c) het voeren van misleidende reclame. 4.7. De rechtbank stelt evenwel vast dat Huis & Hypotheek terzake het onrechtmatig handelen van DSB enkel een verklaring voor recht vordert voor zover DSB in haar reclame- uitingen de suggestie oproept een voortzetting van (de onderneming van) Huis & Hypotheek te zijn. De rechtbank is gebonden aan de in het petitum geformuleerde eis. Derhalve dient de rechtbank zich te beperken tot de beoordeling van de vraag voor of DSB de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen suggestie heeft opgeroepen een voortzetting van (de consument en zijn buurvrouw. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichtenonderneming van) Huis & Hypotheek te zijn. 3.2 De uitvoerder 4.8. Huis & Hypotheek heeft aangevoerd dat voor de afwijzing het belang van de dekking vordering daarin is gelegen dat zij niet met DSB wil worden geassocieerd omdat haar onafhankelijkheid ten opzichte van geldschieters voor haar een belangrijk verkoopargument is. Huis & Hypotheek heeft gewezen op 26 mei 2021 brieven van DSB aan klanten (direct mailing) waarin DSB onder meer aangeeft dat DSB en Huis & Hypotheek zijn samengevoegd. Voorts heeft Huis & Hypotheek gewezen op de consument consistent wijze waarop DSB haar reclame heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest vormgegeven. DSB heeft in haar reclameuitingen gebruik gemaakt van de gezamenlijke erfafscheidingterm "huis & hypotheek". Ook heeft DSB gebruik gemaakt van het portret van [naam], maar voorheen het gezicht van Huis & Hypotheek Leeuwarden. De rechtbank constateert dat Huis & Hypotheek zich terzake haar vordering heeft beroepen op reclameuitingen van DSB. Zij stelt zich in de conclusie van repliek en in haar pleitnotitie op het standpunt dat er sprake is van misleidende reclame. Zij beroept zich daarbij op de bepalingen van misleidende reclame en oneerlijke handelspraktijken. De rechtbank begrijpt derhalve de vordering aldus dat Huis & Hypotheek van mening is dat de onrechtmatige gedraging van DSB bestaat uit het doen van misleidende mededelingen als bedoeld in artikel 6:194 BW en artikel 6:193c BW, in die zin dat de suggestie wordt opgeroepen dat DSB de voortzetting van (de onderneming van) Huis & Hypotheek is. De rechtbank overweegt hierbij dat de handelingen van DSB in beginsel moeten worden getoetst aan de artikelen 6:193a e.v. BW nu het hier gaat om reclameuitingen die zijn gericht op consumenten. De rechtbank is in dit verband overigens van oordeel dat naast consumenten ook concurrenten tegen handelaren kunnen optreden die zich niet aan de in de artikelen 6:193a-j BW neergelegde regels houden. Voor zover de reclameuitingen zijn verricht voor 15 oktober 2008 (de inwerkingtreding van de artikelen 6:193a-j BW) zullen ze echter aan artikel 6:194 BW (en daar waar nodig zoveel mogelijk richtlijn conform1) worden getoetst. 4.9. Bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van misleidende mededelingen zullen de door Huis & Hypotheek aangehaalde reclameuitingen afzonderlijk aan de orde komen. Bij het beantwoorden van voornoemde vraag is van belang tot welk publiek de reclame is gericht. Uit artikel 1 van de franchiseovereenkomst blijkt dat Nederland door Huis & Hypotheek is verdeeld in werkgebieden, waarbij het houthok al twintig jaar geleden een franchisenemer verboden is geplaatstom buiten het aan hem toegewezen gebied te acquireren (artikel 1 lid 6). Volgens Huis & Hypotheek heeft aangegeven dat [naam] het gezicht was van de uitvoerder toenmalige Huis & Hypotheek vestiging te Leeuwarden. Voorts heeft Huis & Hypotheek zich beroepen op reclame gemaakt in en rondom Leeuwarden. De rechtbank zal bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van misleidende reclame derhalve uitgaan van de redelijk geïnformeerde,omzichtige en oplettende gemiddelde consument voor woonachtig in Leeuwarden en omgeving (HvJ EG 16 juli 1998 NJ 2000, 347). 1 Richtlijn nr. 2005/29/EG van het Europees Parlement en de afwijzing nimmer Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad. (PbEG 2005, L 149/0022-0039). I website 4.10. DSB heeft gemotiveerd gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, website genoemd in rechtsoverweging 2.16. sub I niet van haar afkomstig is maar van [naam] in privé. Tevens heeft zij aangevoerd dat Huis & Hypotheek van dit feit op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig hoogte is en wellicht beoogt dat Huis & Hypotheek omtrent de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet website met de plaatsing heer [naam] in privé een conflict heeft. Zij heeft daarbij verwezen naar een door Huis & Hypotheek bij conclusie van het houthok ruim twintig jaar geledenrepliek overgelegde brief van 29 mei 2007, maar welke is geadresseerd aan [naam] Beheer B.V. en welke brief betrekking heeft op de verplaatsing website. In deze brief wordt [naam], als relevant voorval in de zin administrator van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie website, door Huis & Hypotheek gesommeerd om de website te verwijderen. DSB heeft verder gemotiveerd gesteld dat [naam] niet bij haar in dienst is, of is geweest. Naar het oordeel van oordeel de rechtbank had het vervolgens op de weg van Huis & Hypotheek gelegen om haar standpunt, dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument website aan DSB moet worden toegerekend, nader te onderbouwen. Het zonder nadere motivering stellen dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking DSB verantwoordelijk is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in handelen van [naam] is hiertoe onvoldoende. Hierbij is van belang dat -na de zin overdracht van de polisaandelen in Huis & Hypotheek Leeuwarden aan DSB Bank op 31 oktober 2006 -, de plaatsing vestiging van Huis & Hypotheek tot het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd einde van de verzekering franchiseovereenkomst -1 april 2007- is blijven bestaan waarbij [naam] in ieder geval tot 1 april 2007 op uitdrukkelijk verzoek van Xxxx & Hypotheek, zoals verwoord in haar brief van 8 november 2006, de leiding heeft voorgedaangehad over deze vestiging. De uitvoerder voert aan Nu niet geoordeeld kan worden dat de consument er niet in website door of namens DSB is geslaagd om gecreëerd of anderszins aan DSB is toe te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door rekenen, stuit de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevondenvordering reeds hierop af. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Vonnis

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt de vraag voor databankenrecht 4.1. In het midden kan blijven of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouw. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, – zoals PostNL stelt maar de verplaatsing als relevant voorval Staat betwist – PostNL een databankenrecht toekomt in de zin van arti- kel 1 lid 1 en onder a Databankenwet.2 De Staat heeft de voorwaarden zal worden aangemerktstelling van PostNL dat hij inbreuk maakt op een aan PostNL toekomend data- bankenrecht namelijk gemotiveerd weersproken, waarna PostNL haar andersluidende stelling niet nader heeft onderbouwd. De Staat heeft aangevoerd dat de postcode-gegevens zoals die in de Landelijke Voorziening (vgl. r.o. 2.9. 3.3 ) voorkomen, afkomstig zijn uit de admini- straties van de gemeenten, die bedoelde gegevens hebben verkregen van PostNL op de wijze als uiteengezet in artikel 5 van het Nader Con- venant (vgl. r.o. 2.6.). De commissie Staat heeft ter illustratie hiervan ook corres- pondentie overgelegd waaruit blijkt dat de gemeente, nadat zij Post- NL heeft geïnformeerd over nieuwe adressen, van PostNL per brief of e-mail op de hoogte wordt gesteld van de aan die adressen door PostNL vervolgens toegewezen postcode-gegevens. PostNL heeft dit verweer niet anders bestreden dan door te betogen dat dit haar onge- loofwaardig voorkomt. Haar eigen andersluidende stelling heeft zij (aldus) echter onvoldoende nader onderbouwd, zodat niet is komen vast te staan dat de Staat de postcode-gegevens in de Landelijke Voor- ziening heeft ontleend aan het postcodebestand van oordeel dat PostNL of de postcodetabel van Cendris. Dat PostNL voor of na het aan de betrok- ken gemeente verstrekken van de toegewezen postcode-gegevens, die gegevens tezamen met de door de gemeente aangeleverde adres-gege- vens ook opneemt in haar eigen databank, maakt dit niet anders. Van het opvragen of hergebruiken van het geheel of een in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van de databank van PostNL in de zin van artikel 2 lid 1 onder a Databankenwet is dan ook geen sprake. Hetzelfde geldt voor de door PostNL ook ingeroe- pen grondslag van artikel 2 lid 1 onder b Databankenwet. Ook van het systematisch opvragen of hergebruiken van een niet-substantieel deel van de uitvoerder overgelegde correspondentie inhoud van de databank is immers geen sprake als er über- haupt niet aan de databank van PostNL wordt ontleend. Voor zover de vorderingen zijn gestoeld op de databankenrechtelijke grondslag stuiten zij hierop af. 4.2. PostNL heeft voorts gevorderd voor recht te verklaren dat de Staat het Kaderconvenant niet rechtsgeldig heeft opgezegd indien zulks gebeurt met (mede) als doel, althans als voornaamste doel, om van de verplichting van artikel 13 van het Kaderconvenant af te komen. PostNL stelt dat die opzegging in strijd is met de latere stelling redelijkheid en de billijkheid althans misbruik van bevoegdheid oplevert. PostNL wordt hierin niet gevolgd. 4.3. Het Kaderconvenant voorziet uitdrukkelijk in een voor ieder van partijen (PostNL, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Staat) geldende bevoegdheid tot opzegging (vgl. artikel 5.3 – zie r.o. 2.5.). Iedere partij kan opzeggen wegens een neutrale reden, bij- voorbeeld wanneer zij de samenwerking en onderlinge rechtsver- 2 Wet van 8 juli 1999, houdende aanpassing van de consument Nederlandse wetgeving aan richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken. houdingen niet meer wenst voort te zetten op de wijze als voorzien in het Kaderconvenant. Met de omstandigheid dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers opzegging een situatie creëert die in meer of mindere mate bezwaarlijk kan zijn voor de afwijzing niet expliciet verklaard andere partijen is kennelijk rekening gehouden door in het Kaderconvenant op te nemen dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaaneen opzegtermijn van ten minste 12 maanden in acht moet worden genomen en partijen met elkaar moe- ten overleggen. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok Onder die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er omstandigheden valt niet in is geslaagd om aan te tonen zien – en PostNL heeft dat ook niet onderbouwd – waarom het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg gebruik maken van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen contractuele opzeggingsbevoegdheid in strijd zou komen met de maatstaven eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over althans die opzegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren. Dat wordt niet anders wan- neer de voorwaarden reden voor opzegging is gelegen in de wens slechts één aspect van de samenwerking te beëindigen, nu de bevoegdheid tot opzeg- ging ongeclausuleerd in het Kaderconvenant is neergelegd, en ken- merkend voor een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeldopzegging nu juist is dat een van partijen de wens heeft de samenwerking in de bestaande vorm te beëindigen. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt Daar komt nog bij dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk Staat, alvorens hij tot opzegging is van objectieve factorenovergegaan, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen eerst voor een minder bezwarende optie heeft gekozen bestaande in het licht doen van een voorstel tot wijziging van het Kaderconvenant, welk voorstel door PostNL evenwel is verworpen. De gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook afgewezen. 4.4. Zolang de Staat evenwel niet van zijn contractuele verplichtin- gen is bevrijd, namelijk tot 1 februari 2012, is hij gehouden de inhoud van het Kaderconvenant na te leven. Dat geldt ook voor het voor hem bezwarende artikel 13.3, waarin partijen hebben vastgelegd dat ‘de Postcodes noch door de centrale en decentrale overheid noch door derden voor commerciële doeleinden mogen worden gebruikt.’ PostNL heeft ten pleidooie in haar tweede termijn gesteld dat de Staat in ieder geval op 9 december 2010 gebruik heeft gemaakt van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassingr.o. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Court Ruling

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt de vraag 8. In het kader van het contract tot reisbemiddeling tussen partijen, had verweerster zich verbonden tot het verschaffen van een afzonderlijke reisprestatie, meer bepaald een hotelverblijf voor of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor eisers in het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouwHotel A van 10 tot 17 juli 2016. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing beschrijving van de dekking op 26 mei 2021 diensten vermeld in een boeking die aan de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest reiziger wordt verstrekt mogen geen misleidende elementen bevatten (art. 4 Reiscontractenwet). Indien aan de reiziger een brochure wordt verstrekt, moet deze nauwkeurig, leesbaar, ondubbelzinnig en goed zichtbaar, onder meer, de categorie van de gezamenlijke erfafscheidinghuisvesting bevatten (art. 5, maar ook 2° Reiscontractenwet) en deze gegevens binden de reisbemiddelaar (art. 6 Reiscontractenwet). Naar oordeel van het arbitraal college doet de beschrijving van het Hotel A in de reisbeschrijving en brochure van verweerster effectief uitschijnen dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatstde familiekamer met twee ruimtes zich bevindt in een vijfsterrenhotel. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip De aanduiding “Hotel A *****” (p. 35 dossier) kan niet op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent wijze gelezen worden, ook al staat in de verdere beschrijving vermeld dat de huidige stelling ongeloofwaardig familiekamers met afzonderlijke kamers gelegen zijn in B en dit een hotel zou betreffen met kamers die een driesterren kwalificatie hebben (wat niet in diezelfde beschrijving wordt vermeld maar via het internet wel te vinden zou zijn) . Deze beschrijving van de categorie en classificatie van de geboekte kamer kan in de gegeven omstandigheden als misleidend beschouwd worden. 9. Als uitgangspunt dient er op gewezen te worden dat verweerster is tussen gekomen als reisbemiddelaar en wellicht beoogt enkel aansprakelijk gesteld kan worden voor tekortkomingen in de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing uitvoering van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar contract tot reisbemiddeling. Zij is niet aansprakelijk voor de verplaatsing als relevant voorval goede of slechte uitvoering van de dienstenovereenkomsten die door haar bemiddeling gesloten werden. Zoals vermeld kan aan verweerster een tekortkoming verweten worden in de zin dat zij in haar beschrijvingen een foutieve classificatie van de voorwaarden zal kamer die eisers geboekt hadden had vermeld, daar waar er in het betreffende vijfsterren gedeelte van het hotel eenvoudigweg geen familiekamers met aparte kamers bestonden. Op deze wijze heeft zij bij eisers de hoop gecreëerd dat zij voor de prijs die zij betaald hadden konden verblijven in een familiekamer met aparte kamers in een vijfsterrenhotel. Er dient aan herinnerd te worden aangemerkt. 3.3 De commissie is dat eisers bij aankomst een familiekamer met afzonderlijke kamers hebben toegewezen gekregen, zij het in het B wat een driesterren classificatie zou hebben. Eisers hebben er uiteindelijk de voorkeur aan gegeven om te verblijven in een (grote) twee persoonskamer in het vijfsterren gedeelte van oordeel het hotel. Het arbitraal college kan het standpunt van eisers volgen vlak dat de inhoud wijziging van een familiekamer naar een (grote) tweepersoonskamer een belangrijk verschil uitmaakt en deze wijziging bepaalde voordelen van een familiekamer teniet doet (sanitair dat gedeeld moet worden, geen aparte ruimtes in aanwezigheid van kinderen, kinderen die slapen op een slaapzetel). Het arbitraal college betreurt dat het niet beschikt over de nodige informatie die haar zou kunnen toestaan een vergelijking te maken tussen de kwaliteit van de door kamers gelegen in het B en de uitvoerder overgelegde correspondentie niet kamers gelegen in strijd is met het andere gedeelte van het hotel. Hieruit zou zij hebben kunnen afleiden of er, naast de latere stelling kwalificatie van de consument dat kamer van het houthok hotel aan de hand van sterren, een effectief kwaliteitsverschil aanwezig was en er in hoofde van eisers alzo een gegronde reden bestond om de familiekamer in het gedeelte B na de eerste nacht te weigeren en verder aan te dringen op een later moment is verplaatstkamer in het andere gedeelte van het hotel. De consument heeft immers voor Het arbitraal college merkt daarbij op dat eisers enerzijds de afwijzing niet expliciet verklaard faciliteiten van het vijfsterren gedeelte hebben kunnen gebruiken en anderzijds dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel de wijziging van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft familiekamer (eerste nacht) naar de verplaatsing van het houthok tweepersoonskamer (vanaf derde nacht) in feite een upgrade uitmaakte die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als in normale omstandigheden gepaard zou gaan met een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regelaanzienlijke meerkost, die is opgenomen zij in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is casu niet hebben moeten dragen. Op basis van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu overwegingen komt het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande arbitraal college tot de conclusie dat eisers aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem tekortkomingen in hoofde van de consumentverweerster, die zij na rijp beraad ex aequo et bono bepaalt op 250,- €, waarvan reeds een bedrag van 140,- € betaald werd. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek)10. Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering Het arbitraal college komt dan ook in zijn geheel toewijzentot het besluit dat de vordering van eisers als ontvankelijk en deels gegrond is, ten belope van een bedrag van 110,- €.

Appears in 1 contract

Samples: Arbitral Decision

De beoordeling. 3.1 4.1. De curator grondt zijn primaire vordering op de stelling dat hij de aan de koopovereenkomst ten grondslag liggende rechtshandelingen op grond van artikel 42 van de Faillissementswet (Fw) heeft vernietigd. Zijn subsidiaire vordering grondt de curator op artikel 3:44 van het Burger- lijk Wetboek (BW). Hij stelt daartoe dat Xxxx misbruik heeft gemaakt van omstandigheden door de totstandkoming van de koopovereen- komst te bevorderen, terwijl zij wist of moest be- grijpen dat Xxxxxx door afhankelijkheid werd be- wogen tot het sluiten daarvan. Volgens de curator kunnen de reeds ingetreden gevolgen van de koopovereenkomst thans bezwaarlijk ongedaan gemaakt worden. Hij vordert zowel primair als subsidiair schadevergoeding nader op te maken bij staat. Zijn meer subsidiaire vordering grondt de curator op artikel 6:162 BW. 4.2. Boon betwist dat de curator de aan de koopo- vereenkomst ten grondslag liggende rechtshande- lingen rechtsgeldig heeft vernietigd, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 42 Fw. Voorts betwist Boon dat zij misbruik heeft gemaakt van omstandigheden, althans onrechtmatig heeft ge- handeld. 4.3. Ter beantwoording beoordeling ligt allereerst de vraag voor of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen curator de consument en zijn buurvrouw. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichtenkoopovereenkomst, althans de daaraan ten grondslag liggende rechtshandelin- gen, rechtsgeldig heeft vernietigd. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd 4.4. Artikel 42 Fw bepaalt dat voor de afwijzing curator ten be- hoeve van de dekking op 26 mei 2021 boedel elke rechtshandeling die de consument consistent schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verklaard verricht en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat het houthok altijd onderdeel is geweest daarvan benadeling van de gezamenlijke erfafscheidingschuldeisers het gevolg zou zijn, maar door een buitengerechtelijke verklaring kan vernietigen. Een rechtshandeling anders dan om niet kan we- gens benadeling slechts worden vernietigd, indien ook degene met wie de schuldenaar de rechtshan- deling verrichtte, wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het houthok al twintig jaar geleden ge- volg zou zijn. 4.5. Tussen partijen is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent niet in geschil dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt aan de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet koopovereenkomst ten grondslag liggende rechtshandelingen onverplicht zijn verricht. Wel twisten zij over de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert koopovereenkomst benadeling van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is schuldeisers tot gevolg heeft ge- had en of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan Boon wist of behoorde te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg weten van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassingbenadeling. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Huurovereenkomst

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt de vraag voor of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouw5.1. De commissie komt tot Accountantskamer toetst het oordeel dat dit niet het geval is handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en zal het oordeel hieronder toelichtenberoepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS). 3.2 5.2. De uitvoerder klachtonderdelen a, b, c en e hebben betrekking op de wijze waarop betrokkene het rapport heeft opgesteld. Gelet op deze onderlinge samenhang zullen deze klachtonderdelen gezamenlijk worden behandeld. Klachtonderdelen a, b, c en e: het niet toepassen van hoor en wederhoor bij een persoonsgericht onderzoek, het niet naleven van NBA-Handreiking 1127 en Standaard 4400N, het rapport bevat feitelijke onjuistheden, ontbeert een deugdelijke grondslag en belemmert de objectieve waarheidsvinding 5.3. Klagers hebben in dit verband aangevoerd dat voor de afwijzing van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent betrokkene zijn rapport niet overeenkomstig Standaard 4400N heeft verklaard opgesteld, omdat hij daarin onder meer heeft geconcludeerd dat het houthok altijd onderdeel sprake is geweest van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatstonrechtmatige betalingen aan klagers. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat klagers kwalificeert het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op rapport als een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval persoonsgericht onderzoek in de zin van NBA-Handreiking 1112, omdat de voorwaarden zal betrokkenheid en handelingen van klagers onderwerp van het onderzoek zijn. Het rapport berust niet op een deugdelijke grondslag, omdat betrokkene onder andere geen invulling heeft gegeven aan de verplichting tot hoor en wederhoor. Klagers hebben daarnaast aangevoerd dat het rapport de objectieve waarheidsvinding belemmert en feitelijke onjuistheden bevat. De bevindingen zijn naar hun stelling geen logisch gevolg van de beschikbare stukken. Klagers hebben er daarbij op gewezen dat de salarisverhogingen waren overeengekomen met [Ltd1], dat er verklaringen aanwezig zijn voor de door betrokkene gestelde ongeautoriseerde betalingen en dat de creditcarduitgaven geen privé-uitgaven betroffen. Enkel een bedrag van € 77,01 is per abuis op de zakelijke creditcard van klager 1 geboekt. Verder hebben klagers naar voren gebracht dat op voorhand duidelijk was dat er een geschil bestond tussen klagers en [Ltd1] en dat het rapport zou worden aangemerktgebruikt voor de beslechting van dit geschil. Zij hebben daarbij gewezen op hun aftreden als bestuurders van [BV1] en het feit dat het onderzoek gericht was op door klagers onttrokken gelden. Daarom had betrokkene volgens klagers ook toepassing moeten geven aan de bepalingen in NBA-Handreiking 1127, wat hij niet heeft gedaan. 3.3 5.4. Xxxxxxxxxx heeft geen verweerschrift ingediend, maar op de zitting verklaard dat zijn rapport niet de schoonheidsprijs verdient. Hij heeft geen hoor en wederhoor toegepast. Hij heeft ingeschat dat dit niet nodig was, omdat het onderzoek alleen om feiten ging. Ook had hij geen contactgegevens van klagers. Xxxxxxxxxx heeft daarnaast verklaard dat hij bij het opstellen van zijn rapport geen rekening heeft gehouden met de NBA-Handreikingen 1112 en 1127. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij dit soort werkzaamheden normaal gesproken niet uitvoert. 5.5. De commissie is Accountantskamer stelt allereerst vast dat betrokkene in zijn rapport heeft vermeld dat Standaard 4400N (Opdrachten tot het verrichten van oordeel overeengekomen specifieke werkzaamheden) van toepassing is, maar dat de inhoud hij zijn rapport niet in overeenstemming met deze standaard heeft opgesteld. Xxxxxxxxxx heeft namelijk in zijn rapport een conclusie getrokken met betrekking tot “onrechtmatigheid van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie betalingen aan klagers”, wat ziet op het object in zijn totaliteit. Het trekken van een dergelijke conclusie past niet in strijd een rapport van feitelijke bevindingen, omdat een accountant daarin alleen rapporteert over de feitelijke bevindingen die volgen uit zijn werkzaamheden en geen oordeel geeft of conclusies trekt over het object in zijn totaliteit.1 Ook is betrokkene niet in overleg met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers beoogde gebruikers (waartoe ook klagers behoren) gekomen tot specifieke werkzaamheden en uitgangspunten die voor de afwijzing opdracht gelden.2 Betrokkene heeft klager 1 wel op de hoogte gesteld van zijn werkzaamheden, maar hij heeft zijn werkzaamheden niet expliciet verklaard dat met klager 1 afgestemd. Klager 2 is door betrokkene in het houthok altijd geheel niet op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing hoogte gebracht van het houthok die de consument na de afwijzing innamonderzoek. Gelet hierop is het rapport niet in overeenstemming met het bepaalde in Standaard 4400N opgemaakt. 5.6. Wat daar van zij, moet naar het oordeel van de commissie Accountantskamer moet het rapport van betrokkene worden beschouwd aangemerkt als een nadere duiding persoonsgericht onderzoek, zoals bedoeld in NBA- Handreiking 1112 (Persoonsgerichte onderzoeken). Onder een persoonsgericht onderzoek wordt verstaan de aan een accountant verleende opdracht waarvan het object bestaat uit het functioneren, handelen of nalaten van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin handelen van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok(rechts)persoon, voor de ingangsdatum uitvoering waarvan werkzaamheden met een verifiërend karakter worden verricht, onder andere bestaande uit het verzamelen en analyseren van al dan niet financiële gegevens en het rapporteren van de verzekering heeft plaatsgevondenuitkomsten. Ter zitting Omdat betrokkene de opdracht had om het salaris, de onkosten en alle financiële transacties van klager 1 en zijn medewerkers (waaronder klager 2) met [BV1] gedurende een bepaalde periode te onderzoeken, was sprake van een onderzoek dat was gericht op het handelen van klagers. 5.7. NBA-Handreiking 1112 schrijft voor dat bij de uitvoering van een persoonsgericht onderzoek de personen op wie het onderzoek is gericht in beginsel moeten worden gehoord.3 Door het horen wordt deze personen de aard van artikel 2 lid 6 van mogelijkheid geboden om informatie te verschaffen voordat de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, resultaten aan de orde gesteldopdrachtgever worden gerapporteerd. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg Als het horen van een schriftelijk contractpersoon achterwege is gebleven, zoals berust het rapport niet op een verzekeringdeugdelijke grondslag, staat voorop dat tenzij sprake is van beslissende betekenis zijn: alle bijzondere omstandigheden die het achterwege laten van het concrete gevalhoren rechtvaardigen.4 5.8. Vaststaat dat betrokkene klagers niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Betrokkene heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan hij van het horen had mogen afzien. Xxxxxxxxxx heeft op de zitting in dit verband desgevraagd verklaard dat hij achteraf inziet dat hij te gemakkelijk over het beginsel van hoor en wederhoor is heen gestapt. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het rapport geen deugdelijke grondslag heeft, gewaardeerd naar hetgeen zodat aan de maatstaven inhoud daarvan geen waarde kan worden gehecht. Een inhoudelijk beoordeling van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal het rapport is daarom niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassingnodig. 3.8 Daarbij geldt 5.9. Verder wordt overwogen dat ook NBA-Handreiking 1127 (Opdracht uitgevoerd ter ondersteuning bij een consumentenovereenkomst(potentiële geschillen) van toepassing is op de door betrokkene uitgevoerde werkzaamheden. Uit de opdracht zelf, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. namelijk het onderzoeken van alle transacties tussen 1 HR 25 november 2016Paragraaf 5 Standaard 4400N 2 Paragraaf 3 Standaard 4400N 3 Paragraaf 5.1 NBA-Handreiking 1112 4 CBb 24 februari 2015, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6CBB:2015:42 klagers en [BV1], te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis volgt immers al dat er sprake was van een bepaling gaat de (potentieel) geschil tussen klagers en [BV1] en/of [Ltd1]. Daar komt nog bij dat klagers op 29 april 2022, dus nog voor de consument meest gunstige uitleg vooraanvaarding van de opdracht, al aan [Ltd1] te kennen hebben gegeven dat zij hun functie als bestuurders van [BV1] zouden neerleggen, wat zij uiteindelijk op 16 mei 2022 ook hebben gedaan. Dit Xxxxxxxxxx heeft in dit verband op de zitting verklaard dat het hem niet gelijk bij de aanvaarding van de opdracht, maar wel in de loop van zijn onderzoek duidelijk is geworden dat er sprake was van een geschil tussen klagers en [BV1]. Ook werd het hem gedurende het onderzoek duidelijk dat [BV1] het rapport wilde gebruiken in een civiele procedure tegen klagers. 5.10. Een NBA-Handreiking bevat nadere aanwijzingen voor de zogenoemde contra proferentemuit te voeren werkzaamheden. Van een accountant wordt verwacht dat hij kennis neemt van deze aanwijzingen en dat hij deze overweegt voor zover relevant voor de opdracht. Een accountant die deze aanwijzingen niet toepast, moet erop voorbereid zijn om uit te leggen hoe niettemin is voldaan aan de verplichtingen, basisprincipes en essentiële werkzaamheden uit de wet- en regelgeving die nader zijn behandeld in de aanwijzingen. 5.11. In NBA-regel, die is opgenomen Handreiking 1127 wordt het toepassen van hoor en wederhoor van belang geacht om tot een deugdelijke grondslag van het rapport te komen. Daarnaast moet de accountant in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie zijn rapport – onder andere – vermelden of sprake is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van partijstandpunt, op welke informatie hij zich heeft gebaseerd en of deze volledig is, hoe betrouwbaar deze informatie is en welke beperkingen er in de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis ontvangen informatie zitten die relevant kunnen zijn voor de ingangsdatum objectieve waarheidsvinding.5 5.12. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene deze aanwijzingen uit NBA-Handreiking 1127 niet heeft opgevolgd. Xxxxxxxxxx heeft, zoals hiervoor al is overwogen, ten onrechte geen hoor en wederhoor toepast en hij heeft in zijn rapport niet vermeld dat hij uitsluitend het standpunt van [BV1] heeft weergegeven. Ook heeft hij aannames en vermoedens gepresenteerd als feiten, zonder dat hij deze heeft onderzocht. Betrokkene is verder te stellig geweest, doordat hij geen duidelijke voorbehouden of beperkingen in de verzekering uitkomsten heeft plaatsgevonden of als u voor weergegeven. Door het woord conclusie te gebruiken heeft hij bovendien een mate van zekerheid gesuggereerd die niet op een deugdelijke grondslag berust. Door op deze wijze te rapporteren heeft betrokkene de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleertobjectieve waarheidsvinding belemmerd. 3.10 De commissie overweegt 5.13. Uit het voorgaande volgt dat nu betrokkene bij het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel opstellen van artikel 150 Wetboek zijn rapport het fundamentele beginsel van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten vakbekwaamheid en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzenzorgvuldigheid niet heeft nageleegd. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in klachtonderdelen a, b, c en e zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegdgegrond. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Complaint Procedure

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt 4.1 Het Scheidsgerecht zal beslissen op de vordering zoals deze luidt na de in 1.3 weergegeven wijzigingen, en met inachtneming van de nuancering die ter zitting is aangebracht (zie 1.5, slot). 4.2 Als de opzegging van de toelatingsovereenkomst van eiseres in stand blijft, eindigt deze overeenkomst op 20 januari 2014. Het Scheidsgerecht zal allereerst onderdeel IV van de vordering bespreken. Hierbij gaat het om de vraag of zich de in artikel 24 van de toelatingsovereenkomst vermelde ‘gewichtige redenen van […] klemmende aard’ hebben voorgedaan. 4.3 Het Scheidsgerecht beantwoordt deze vraag bevestigend. Het staat vast dat de grote meerderheid van de maatschap (te weten alle andere leden behalve I.) het vertrouwen in eiseres heeft verloren en op die grond verdere samenwerking met eiseres afwijst en zich schaart achter de opzegging van haar toelating. Hieraan is een lange voorgeschiedenis, met inschakeling van diverse externe adviseurs, voorafgegaan. Ook het stafbestuur steunt de directie in de opzegging. In beginsel levert een dergelijke situatie voor een bestuur – gegeven diens eindverantwoordelijkheid voor een goede gang van zaken in het ziekenhuis – gewichtige redenen van zodanig klemmende aard op dat van hem redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst te continueren. Dit zou, afhankelijk van de verdere omstandigheden, anders kunnen zijn (i) als het vermoeden gerechtvaardigd is dat het gebrek aan vertrouwen in eiseres (van de zijde van de meerderheid van de maatschap, en in dit geval in het verlengde daarvan: van het stafbestuur en van de directie) te herstellen zou zijn, of (ii) als de schuld aan het ontstaan van de bedoelde situatie geheel bij het bestuur, of in het geheel niet bij eiseres, ligt. Geen van deze mogelijke uitzonderingen doet zich voor. Het Scheidsgerecht ziet in hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat herstel van vertrouwen mogelijk is. Na het rapport O. is in dit opzicht een uitzichtloze situatie ontstaan. Ook het geval dat uitsluitend de directie of zeker niet eiseres heeft bijgedragen aan de ontstane situatie, doet zich hier niet voor. Op dit laatste aspect komt het Scheidsgerecht hierna terug. 4.4 Hiermee is niet gezegd dat eiseres als enige of in hoofdzaak schuld heeft aan het ontstaan van de hier beschreven situatie. Ook echter als dat niet het geval zou zijn, is haar positie onhoudbaar en is feitelijke terugkeer van haar niet verantwoord. Zij heeft deze consequentie van haar status als vrijgevestigde, tot het ziekenhuis toegelaten medisch specialist te aanvaarden. 4.5 Dit betekent dat het hier besproken onderdeel IV van de vordering niet toewijsbaar is. Dit geldt ook voor onderdeel II, dat ertoe strekt dat verweerster eiseres weer tot haar werkzaamheden toelaat. 4.6 De hier beschreven situatie deed zich ook op het tijdstip van de non-actiefstelling voor. Hieruit volgt dat de onderdelen I en III van de vordering evenmin kunnen worden toegewezen. 4.7 Aan de orde komt dan het (subsidiaire) onderdeel V, dat strekt tot een vergoeding naar billijkheid ter zake van de beëindiging van de toelatingsovereenkomst en tot een vergoeding wegens de aan de praktijk van eiseres verbonden goodwill. 4.8 Bij de beoordeling van het eerste deel van deze vordering dient te worden vooropgesteld dat een vrijgevestigde medisch specialist in geval van opzegging van de toelatingsovereenkomst op een daarvoor in die overeenkomst voorziene grond, in beginsel geen aanspraak heeft op een vergoeding wegens deze beëindiging van de relatie met het ziekenhuis. Ook dit volgt uit de aard van de rechtsverhouding tussen een ziekenhuis en een tot dat ziekenhuis toegelaten vrijgevestigde specialist. In bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien het ziekenhuis in een mate van betekenis schuld heeft aan het ontstaan of het voortduren van de gewichtige redenen die de opzegging hebben gerechtvaardigd, kan er niettemin grond zijn voor een vergoeding naar billijkheid. Dit maakt het nodig om, onder meer, te onderzoeken of aan verweerster in dit opzicht een verwijt van betekenis kan worden gemaakt. 4.9 In dit geval zijn de problemen binnen de maatschap ontstaan. Daarvan valt verweerster in beginsel geen verwijt te maken. Wel kan van verweerster worden verlangd dat zij zich binnen de grenzen van het redelijke inspant om de problemen binnen een maatschap van tot haar ziekenhuis toegelaten specialisten op te lossen. Dit geldt zeker ook in dit geval, nu het hier gaat om de positie van een anesthesioloog die intussen negentien jaren aan het ziekenhuis is verbonden en – in de woorden van verweerster zelf – vakinhoudelijk een uitstekende reputatie heeft en over wie, zoals verweerster desgevraagd ter zitting heeft verklaard, nooit klachten van patiënten zijn binnengekomen. Tot de inspanningen die van verweerster mochten worden verwacht kunnen pogingen behoren om te (doen) onderzoeken wat er speelt en om, zo nodig met bijstand van externe adviseurs, te bemiddelen tussen de leden van de maatschap. Voor dergelijke onderzoeken of bemiddelingspogingen geldt de eis dat zij objectief, met oog voor de belangen en posities van alle betrokkenen, worden uitgevoerd. 4.10 De geschilpunten binnen de maatschap, en vervolgens ook in de verhouding tussen de directie en eiseres, hadden deels een zakelijke component en betroffen deels (irritaties over) gedragingen over en weer. In de opzeggingsbrief van 19 juli 2013 zijn onder meer de volgende geschilpunten van min of meer zakelijke aard genoemd: afwijkingen door eiseres van het stafbeleid en medische protocollen, de wijze van besluitvorming binnen de maatschap (besluiten alleen met consensus of met meerderheid van stemmen?) en het al dan niet naleven van afspraken over de re-integratie van I. na haar ziekte. In dit verband heeft verweerster, ook buiten de opzeggingsbrief, bij herhaling melding gemaakt van risico’s voor de patiëntveiligheid. 4.11 Ten aanzien van geen van deze geschilpunten, telkens op zichzelf beschouwd, is het Scheidsgerecht tot de bevinding gekomen dat er grond is voor een ernstig en algemeen verwijt aan eiseres. Bij de kwestie betreffende het stafbeleid en de medische protocollen gaat het vooral om het binnentreden door eiseres in een operatiekamer tijdens de uitvoering van een operatie. Het Scheidsgerecht heeft niet kunnen vaststellen dat eiseres, gegeven ook haar verantwoordelijkheid voor haar eigen patiënten, in dit opzicht over de schreef is gegaan of zich medisch onverantwoord heeft gedragen. Ten aanzien van de interne besluitvorming heeft zij zich niet zo star opgesteld als de maatschap en vervolgens ook verweerster haar verwijten. Dit blijkt reeds uit haar in 2.14 aangehaalde brief en ook uit hetgeen zij in dit verband bij de mondelinge behandeling heeft verklaard. Er is geen klaarblijkelijke tegenspraak tussen de diverse brieven van eiseres over dit onderwerp. Ook ten aanzien van de gebeurtenissen op 1 november 2012, in het kader van de re-integratie van haar collega I., is niet met een voldoende mate van aannemelijkheid komen vast te staan dat aan eiseres een serieus verwijt kan worden gemaakt. Veeleer lijkt het erop dat hier sprake is geweest van een ongelukkig misverstand. De ontstane commotie lijkt minder ernstig te zijn dan verweerster heeft betoogd. Ook bij dit alles verdient opmerking dat er nooit patiëntklachten over het functioneren van eiseres zijn geweest. Concrete aanwijzingen voor enig gevaar voor de patiëntveiligheid zijn er evenmin, ook niet bij – bijvoorbeeld – de overdracht van patiënten. Dit staat uiteraard los van het algemene gevaar dat problemen in de samenwerking tot ernstige risico’s op dit vlak kunnen leiden. 4.12 In deze procedure, waarbij de maatschap geen partij is, kan niet worden vastgesteld of – en zo ja, in welke mate – aan de meerderheid van de leden van de maatschap verwijten zijn te maken met betrekking tot het ontstaan en het voortduren van het gebrek aan onderling vertrouwen. Wel concludeert het Scheidsgerecht dat verweerster niet heeft waargemaakt dat de omstandigheden die hebben geleid tot de gewichtige redenen waarop de opzegging is gebaseerd, in overwegende mate aan eiseres zijn toe te schrijven. In een dergelijk geval krijgt de in 4.9 beschreven eis inzake de van verweerster te vergen inspanningen een extra gewicht. 4.13 In beginsel heeft verweerster zich, door de inschakeling van eerst de extern e rapporteurs X. en K. en later de externe adviseur O., in voldoende mate van haar inspanningsverplichting gekweten. Bij de werkwijze van X., wiens rapportage klaarblijkelijk de doorslag heeft gegeven in de besluitvorming van verweerster, verdienen evenwel de navolgende drie aspecten de aandacht. In de eerste plaats heeft O. als een gegeven aanvaard dat er blijvende zakelijke meningsverschillen binnen de maatschap bestaan. Als hij het gelijk of ongelijk van de diverse partijen nader had onderzocht, zou hij ten aanzien van een of meer van de desbetreffende geschilpunten mogelijk tot een andere uitkomst zijn gekomen. In de tweede plaats is onduidelijk gebleven – ook na de mondelinge behandeling van deze zaak – hoe O. tot de selectie van de door hem geïnterviewde personen is gekomen. Niet alleen heeft hij niet (met naam en toenaam) vermeld met wie hij heeft gesproken, maar ook blijft ongewis hoe de keuze voor deze personen is tot stand gekomen. Dit speelt vooral bij de snijders. Het staat vast dat er een kleine 30 snijdende specialisten zijn met wie eiseres heeft samengewerkt, terwijl O. blijkens zijn rapport met ‘enkele snijders’ heeft gesproken. Als dit juist degenen zijn die al eerder klachten over de samenwerking met of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor houding van eiseres hadden geuit, getuigt de selectie niet van de objectiviteit die bij een dergelijk onderzoek past. In de derde plaats verdient opmerking dat eiseres niet de gelegenheid heeft gekregen schriftelijk te reageren op een concepttekst van het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouwrapport. De commissie komt rapporteur heeft haar wel, en mogelijk bij herhaling, telefonisch bepaalde passages uit zijn rapport voorgehouden, maar een dergelijke werkwijze staat niet op één lijn met het bieden van de mogelijkheid van een reactie op basis van de concepttekst als geheel. Buiten beschouwing laat het Scheidsgerecht dan nog dat de druk die de rapporteur, bij die telefonische nabespreking, op eiseres heeft gelegd om een vrijwillig vertrek te aanvaarden, niet goed bij zijn rol past. 4.14 Nu verweerster haar besluiten tot de non-actiefstelling en tot de opzegging in belangrijke mate op het rapport van X. (en de mede daardoor veroorzaakte opstelling van anderen, zoals het stafbestuur) heeft gebaseerd, kunnen gebreken in de rapportage, zoals het eerste en het tweede in 4.13 beschreven aspect, aan haar worden toegerekend. Ten aanzien van het derde aspect, inzake het hoor en wederhoor, geldt het volgende. Op O., als de opdrachtnemer van verweerster, rustte niet de verplichting om eiseres de gelegenheid te geven te reageren op de tekst van zijn conceptrapport. Het staat vast dat hij dat niet heeft gedaan. Verweerster zelf was wel verplicht om eiseres in voldoende mate in staat te stellen te reageren op de tekst van het rapport O. alvorens zelf op basis daarvan definitieve beslissingen jegens eiseres te nemen. Dit was temeer het geval nu eiseres tegenover O. niet op een conceptrapport heeft kunnen reageren. Het Scheidsgerecht stelt vast dat verweerster aan deze (verzwaarde) verplichting niet heeft voldaan. Uit het in 2.23 genoemde verslag blijkt immers dat de directeur pas in de bespreking waarin zij aan eiseres reeds de conclusie heeft meegedeeld dat partijen afscheid van elkaar zullen moeten nemen, het rapport O. aan eiseres heeft overhandigd. Hierin schuilt een aan verweerster te maken verwijt. Ook in dit opzicht gaat het Scheidsgerecht overigens voorbij aan de in 4.13, slot, aangestipte pogingen van O. om eiseres te bewegen tot een vrijwillig vertrek, nu namens verweerster ter zitting uitdrukkelijk is verklaard dat O. deze pogingen op eigen gezag, zonder medeweten van de directie, heeft ondernomen. 4.15 Deze overwegingen leiden niet tot het oordeel dat dit de ontstane situatie – een ernstig en onherstelbaar gebrek aan vertrouwen – geheel of in overwegende mate aan verweerster is toe te schrijven. Uitgangspunt is immers dat de problemen binnen de maatschap zijn ontstaan en dat verweerster daarvoor niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing verantwoordelijk is. Een rode draad in veel van de dekking kritiek op 26 mei 2021 eiseres als persoon betreft haar eigenzinnigheid en haar gebrek aan soepelheid, die eraan in de consument consistent heeft verklaard weg staan dat het houthok altijd onderdeel is geweest zij berust in situaties die zij, in afwijking van de gezamenlijke erfafscheidinghaar collega’s, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezetonjuist houdt. De uitvoerder meent dat inhoud en de huidige stelling ongeloofwaardig toonzetting van haar brief van 18 april 2012 over de aan haar gegeven aanwijzing – waartegen zij overigens niet in beroep is en wellicht beoogt de consument hiermee gekomen – zijn hiervoor illustratief. Het Scheidsgerecht is niet in staat om in algemene zin te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval beoordelen of eiseres in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok afzonderlijke kwesties die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan daarbij aan de orde komtzijn geweest, (veelal) het gelijk aan haar zijde heeft, maar is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande wel tot de conclusie gekomen dat eiseres de uitvoerder ten onrechte dekking zaken af en toe onnodig op de spits heeft geweigerd gedreven. Het risico van de mede daardoor ontstane wrijvingen, die tot verdere irritaties binnen de maatschap hebben geleid, moet in de verhouding tussen partijen in belangrijke mate bij eiseres blijven. 4.16 Samenvattend komt het Scheidsgerecht tot het oordeel dat het ontstaan en het voortduren van de problemen die tot de opzegging hebben geleid, grotendeels voor rekening van eiseres zelf moeten blijven, maar dat er niettemin gronden van billijkheid zijn voor het gemelde juridisch probleem toekennen van een vergoeding aan haar ten laste van verweerster. De in 4.11 en 4.14 vermelde omstandigheden, die een verwijt van betekenis jegens verweerster opleveren, rechtvaardigen een vergoeding ten bedrage van € 75.000,-. Het Scheidsgerecht gaat hierbij ervan uit dat het aandeel van eiseres in de winst van de consumentmaatschap over de jaren 2010-2012 gemiddeld ruim € 165.000,- per jaar heeft bedragen, maar in deze periode telkenjare is afgenomen. Het aan eiseres toegekende bedrag is aldus iets minder dan de helft van dat gemiddelde jaarbedrag. Voor een verdere vergoeding wegens de opzegging bestaat geen grond. 3.12 De consument heeft 4.17 Het tweede gedeelte van onderdeel V van de vordering van eiseres betreft een vergoeding gevorderd wegens de aan haar praktijk verbonden goodwill. Er is geen grondslag voor een veroordeling van € 938,- verweerster tot betaling van deze vergoeding aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg eiseres. Als de andere leden van haar maatschap feitelijk haar praktijk hebben overgenomen of zullen overnemen, dienen zij de daarbij behorende, volgens de gebruikelijke maatstaven te berekenen, vergoeding aan eiseres te betalen. Als de andere leden, met instemming van verweerster, een opvolger van eiseres tot de maatschap toelaten, zal eiseres jegens deze opvolger aanspraak kunnen maken op de goodwillvergoeding. In de gegeven situatie, waarin de verstandhouding tussen eiseres en de grote meerderheid van de dekkingsafwijzingoverige leden van de maatschap zeer verstoord is, ziet het Scheidsgerecht in het eerder besproken, aan verweerster te maken, verwijt reden voor de hierna in 5.2 te vermelden voorziening, maar niet voor een verdergaande voorziening. Het ligt op de weg van verweerster om zich het belang van eiseres in deze zin aan te trekken dat zij zich moet inspannen voor een ordelijke afwikkeling van de goodwillkwestie binnen de kring van de aan haar ziekenhuis verbonden anesthesiologen. 3.13 Nu vast is komen te staan 4.18 Bij deze uitkomst zijn partijen over en weer op enig punt in het ongelijk gesteld. Op deze grond zal worden bepaald dat onterecht dekking is geweigerd, is elk van partijen de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard kosten van de gevorderde kosteneigen rechtsbijstand dient te betalen. Het Scheidsgerecht acht het redelijk om in deze bodemprocedure de kosten van het Scheidsgerecht voor rekening van verweerster te brengen. Het desbetreffende bedrag zal worden verrekend met het voorschot dat eiseres heeft gedeponeerd, evenmin tegen met terugbetaling van het restant aan haar. Verweerster wordt veroordeeld tot betaling van deze proceskosten aan eiseres. Voor een veroordeling van verweerster in de hoogte kosten van het kort geding betreffende de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook non-actiefstelling (in zijn geheel toewijzende zaak 2013/28) bestaat geen grond.

Appears in 1 contract

Samples: Arbitraal Vonnis

De beoordeling. Wclkc víaag mocī dc commissic bca«īwooídc«? 3.1 Ter beantwoording ligt de De vraag voor is of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor bank ten aanzien van het juridisch probleem tussen rentetype (variabele rente dan wel vaste rente) een toezegging heeft gedaan waarop de consument en zijn buurvrouwconsumenten gerechtvaardigd mochten vertrouwen. De commissie komt tot oordeelt dat de consumenten erop mochten vertrouwen dat de bank het oordeel dat dit niet het geval is en rentetype zou veranderen naar een variabele in plaats van een vaste rente. De commissie zal het haar oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing Bij het beantwoorden van de dekking vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen dient de commissie bij haar beoordeling uit te gaan van artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Concreet komt de inhoud van dit artikel erop neer dat de bank in beginsel gehouden is aan de mededeling die zij tegenover de consumenten heeft geuit, ook als de mededeling een fout bevatte. Als voorwaarde geldt wel dat de consumenten er redelijkerwijs op 26 mei 2021 mochten vertrouwen dat deze mededeling de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest werkelijke bedoeling van de gezamenlijke erfafscheidingbank weergaf. Gerechtvaardigd vertrouwen wordt niet aangenomen wanneer de consumenten, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens gelet op de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing omstandigheden van het houthok ruim twintig jaar geledengeval, maar behoorden te twijfelen aan de verplaatsing als relevant voorval in de zin juistheid van de voorwaarden zal worden aangemerktmededelingen van de bank. Dit wordt ook wel de ‘onderzoeksplicht’ genoemd. 3.3 De In het onderhavige geval is de commissie is van oordeel dat de inhoud feiten en omstandigheden in deze zaak maken dat de consumenten er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de bank een variabele rente voor de lening zou toepassen. De commissie neemt daartoe de volgende omstandigheden in aanmerking. 3.4 Hoewel de consumenten hebben gekozen voor de ‘goedkopere’ basisvoorwaarden en in de offerte duidelijk vermeld is dat het op grond van de basisvoorwaarden niet mogelijk is om alle rentetypes te kiezen, staat niet vermeld dat een variabele rente niet mogelijk is in de basisvoorwaarden. Bovendien staat in artikel 28 b van de basisvoorwaarden het volgende: Hoewel hier staat dat dc ba«k dit ka« aanbieden en de bank dat in dit geval niet zelf heeft aangeboden, vindt de commissie dat uit deze passage zou kunnen worden opgemaakt dat klanten voor een ander rentetype kunnen kiezen dan bij verstrekking is overeengekomen. Ook staat in de voorwaarden aangegeven dat de bank onder omstandigheden de rente- types kan aanbieden die horen bij de Plusvoorwaarden. Ook stelt de commissie vast dat in de basisvoorwaarden de verschillende rentetypes niet worden gedefinieerd waardoor het onderscheid niet duidelijk is. Het woord rentetype komt een aantal keer terug maar er wordt niet eenduidig uitgelegd wat daarmee wordt bedoeld. 3.5 Verder blijkt uit het renteverlengingsvoorstel niet duidelijk dat variabele rente geen optie is. Het renteverlengingsvoorstel geeft aan dat de aangeboden rentevastperiodes de meest gemaakte keuzes zijn, waarmee dus ook wordt aangegeven dat er andere keuzes mogelijk zijn. Nadat de consumenten er via de online bankomgeving niet in slaagden om voor een variabele rente te kiezen, hebben zij zich met deze hulpvraag tot de bank gewend. De commissie vindt dit in het licht van hetgeen in de basisvoorwaarden en het renteverlengingsvoorstel staat niet onbegrijpelijk. 3.6 De consumenten hebben de bank tijdens het chatgesprek gevraagd hen te helpen met het kiezen voor een variabele rente. Tijdens het gesprek wordt door de uitvoerder overgelegde correspondentie medewerker aangegeven dat er twee opties zijn. De eerste optie blijkt achteraf gezien toch niet mogelijk waarna de tweede optie overblijft. De medewerker geeft in dat verband aan dat zij het verzoek van de consumenten nu nog niet kan verwerken, maar dat zij dit wel kan agenderen voor in maart. Vervolgens bevestigt de medewerker aan de consumenten zonder voorbehoud dat zij bij een akkoord ‘(…) kcī íc«īcco«īíacī pcí 31-5-2023 gaa« aa«passc« «aaí cc« vaíiabclc íc«īc’. De consumenten hebben via de chat aangegeven dat ze akkoord zijn met de voorgestelde wijziging. 3.7 Voorts lijkt uit de bewoordingen van de bank te volgen dat de bank zich op het standpunt stelt dat de consumenten geen rechten kunnen ontlenen aan de foute mededeling van de medewerker omdat het ging om een medewerker klantenservice en niet om een financieel adviseur. De commissie gaat hier niet in strijd is mee. Zij overweegt daartoe dat (i) de bank er zelf voor kiest om bepaalde kanalen beschikbaar te stellen voor de communicatie met haar cliënten en daar ook de latere stelling gevolgen van draagt, (ii) de medewerker tijdens het chatgesprek alle informatie tot haar beschikking had om de consumenten erop te wijzen dat zij niet konden kiezen voor een variabele rente. Sterker: de medewerker heeft tijdens het gesprek even de tijd genomen om een en ander voor de consumenten uit te zoeken en kwam zes minuten later met een positief antwoord terug op de lijn. Verder (iii) wordt de functie van de consument medewerker intern aangeduid als ‘Financieel Adviseur Wonen’. Ook (iv) gaf de medewerker advies over de risico’s van het kiezen voor een variabele rente en (v) moest zij (aanvankelijk) zelf de door haar gemaakte fout herstellen. Deze omstandigheden tezamen maken dat de consumenten tijdens het houthok gesprek ervan uit mochten gaan dat hij met een ter zake deskundige medewerker van de bank aan het chatten was en dat de door deze medewerker verstrekte informatie juist was. 3.8 Ondanks dat de bank een beroep heeft gedaan op een later moment eerdere uitspraak van de commissie waarin geen gerechtvaardigd vertrouwen is verplaatstaangenomen1, is zij van oordeel dat de consumenten er in dit geval wel op mochten vertrouwen dat de medewerker hen juist informeerde en ook de bevoegdheid had om de betreffende afspraak te maken. 1 GC Kifid 2023-0358. Dat er hierdoor ten aanzien van het rentecontract een overeenkomst is ontstaan die afwijkt van de aanvankelijk gesloten overeenkomst doet daar niet aan af. Het is immers mogelijk om afwijkende afspraken te maken, zoals ook blijkt uit het formulier ‘Klantinformatie Vaste rente’: ‘Hcī is mogclijk daī dic i«roímaīic vooí jou «icī gcldī omdaī jc siīuaīic a«dcís is. Or omdaī wij a«dcíc arspíakc« mcī jc kcbbc« gcmaakī.’ Er is geen sprake van een fout die kan worden hersteld 3.9 Tot slot volgt de commissie de bank niet in haar verweer dat er in dit geval sprake is van een fout die zij op grond van artikel 19.2 van de Algemene Bankvoorwaarden mag herstellen. De consument heeft immers voor commissie meent dat dit artikel van toepassing is bij bijvoorbeeld verkeerde berekeningen/ opgaven en de afwijzing niet expliciet verklaard dat voorbeelden die in het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaanartikel zelf zijn genoemd. De consument heeft aangegeven dat Een geval als het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding onderhavige, waarbij er een afspraak is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die gemaakt waar de consument na de afwijzing innamgerechtvaardigd op mag vertrouwen, moet valt hier naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschilniet onder. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Tussenuitspraak Geschillencommissie Kifid

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt 4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de vraag voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 4.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft CM c.s. voldoende spoedeisend belang bij de vorderingen. Weliswaar heeft Xxxxxxxxx de opdracht aan SEDO om de Xxxxxxxxxx op de veiling te koop aan te bieden ingetrokken, maar dat biedt op zichzelf geen garantie dat deze niet aan een derde zal worden verkocht. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat CM c.s. er belang bij heeft op zo kort mogelijke termijn over de voor of haar bedrijfsvoering benodigde domeinnamen – voor zover de uitvoerder dekking mocht weigeren Domeinnaam daaronder valt, wat hierna aan de orde zal komen – te kunnen beschikken. 4.3. Ook lenen de vorderingen van CM c.s. zich, anders dan Xxxxxxxxx heeft bepleit, voor het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouwafhandeling in kort geding. De commissie komt tot omstandigheid dat de uitleg van een overeenkomst het onderwerp van geschil is, vormt op zichzelf geen belemmering voor een beoordeling in kort geding. Weliswaar is juist, zoals Motricity heeft gesteld, dat in kort geding maar beperkte mogelijkheden bestaan voor bewijslevering en in beginsel geen getuigen worden gehoord, maar dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter zich op basis van de gedingstukken en de behandeling ter terechtzitting een oordeel kan vormen over die uitleg, vooruitlopend op het oordeel in de eventuele bodemprocedure. 4.4. Uitgangspunt in deze zaak is – daarover zijn partijen het eens – dat dit niet de SPA dient te worden nageleefd. Partijen verschillen echter van mening over de inhoud en de reikwijdte daarvan. Nu de SPA een schriftelijke overeenkomst is, aangegaan door professionele partijen, na deugdelijke onderhandelingen over de inhoud, moet allereerst grote waarde worden toegekend aan de letterlijke tekst van die overeenkomst. Naast de letterlijke tekst is echter, anders dan Xxxxxxxxx lijkt te bepleiten, ook van belang hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zeker in het geval de letterlijke tekst ontoereikend is of voor meerdere uitleg vatbaar. Deze uitgangspunten vinden ook hun weerslag in de SPA, bijvoorbeeld (zoals weergegeven onder 2.3) in artikel 18 leden 4 en zal het oordeel hieronder toelichten5 (de overeenkomst wordt geacht compleet te zijn vastgelegd en wijzigingen zijn alleen schriftelijk mogelijk) en in lid 8, op grond waarvan partijen “all further acts as reasonably necessary for the purpose of satisfying their respective obligations” dienen te verrichten. 3.2 4.5. Voorts dient tot uitgangspunt hetgeen in artikel 21 (eveneens aangehaald bij 2.3) is vastgelegd, dat de verkoper de koper volledig heeft geïnformeerd over zaken die van belang zijn en mogelijk de koopprijs zouden kunnen beïnvloeden. 4.6. De uitvoerder kern van de SPA is de overdracht van de aandelen in GIN, met daaraan gekoppeld de overdracht van alle activa en passiva. Voor de aandelen heeft CM een koopprijs betaald van € 150.000,- en daarnaast alle lopende verplichtingen (huur van het pand, KPN contracten, personeel) van GIN overgenomen. CM heeft terecht gesteld dat daarmee alle ‘assets’ (eigendommen, bezittingen) van GIN (zijn) over(ge)gaan van Xxxxxxxxx naar CM, waarbij in artikel 6 van de garantiebepalingen (warranties) is opgenomen dat deze ‘assets’ niet aan beperkingen onderhevig zijn en dat ‘the Company’ (GIN) het exclusieve gebruiksrecht heeft op de assets benodigd voor haar bedrijfsvoering. 4.7. Motricity heeft betwist dat de Domeinnaam valt onder deze ‘assets’ aangezien deze volgens CM geen eigendom was/is van GIN, maar van Motricity, dus niet behoorde tot de activa van GIN en geen voorwerp was van de overdracht op grond van de SPA. Motricity heeft daarbij in de eerste plaats verwezen naar Annex 8.1 van de SPA waarin een lijst met domeinnamen staat ‘owned or to be transferred from Motorcity’ en waarop ontbreekt. Op zichzelf zou het niet expliciet vermelden ervan in Annex 8.1 van de SPA een aanwijzing kunnen zijn dat de Xxxxxxxxxx niet bij de overdracht betrokken was. Anderzijds moet op grond van de overige bepalingen (met name artikel 8 en Schedule 8.1 inzake de Warranties) en de strekking van de SPA worden aangenomen dat wel onder de overdracht zou vallen als de Domeinnaam aan GIN toebehoorde, bij haar in gebruik was en noodzakelijk was voor de bedrijfsvoering. De enkele omstandigheid dat de Xxxxxxxxxx in het lijstje niet specifiek is genoemd, is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat deze bij de overname van GIN zonder meer buiten beschouwing zou moeten blijven. CM c.s. heeft er in dit verband terecht op gewezen dat bij de overdracht ook een andere niet met name in Annex 8.1 genoemde domeinnaam (xxxxxxxx.xxx) is overgegaan. Dat dit louter uit ‘coulance’ buiten de SPA om zou zijn gebeurd, zoals Motricity heeft aangevoerd, is mogelijk, maar daar zijn geen concrete aanwijzingen voor. 4.8. Ter ondersteuning van haar stelling dat de Xxxxxxxxxx, ondanks dat deze niet op het lijstje van Annex 8.1 is vermeld, wel eigendom was van GIN en dus behoorde tot de ‘assets’, heeft CM c.s. verwezen naar de omstandigheid dat GIN de eerste houdster van de Domeinnaam was en deze altijd is blijven gebruiken, terwijl de overgang naar (aanvankelijk) InterSpace en vervolgens Motricity slechts een administratieve aangelegenheid zou zijn geweest. Daartegenover heeft Xxxxxxxxx aangevoerd dat voor de afwijzing Xxxxxxxxxx al jaren niet meer op naam van GIN stond, dat Motricity in ieder geval sinds 2008 als eigenaar moet worden aangemerkt, omdat zij sindsdien houdster daarvan was en sinds 2008 steeds de registratiekosten heeft voldaan. Daarnaast is op de site van de dekking op 26 mei 2021 Domeinnaam ook (tot zeer recent) reclame gemaakt voor Motricity. 4.9. De stellingen van CM c.s. dat de consument consistent heeft verklaard dat Xxxxxxxxxx, ondanks het houthok altijd onderdeel is geweest ontbreken daarvan bij Annex 8.1 toch als ‘asset’ van GIN dient te worden aangemerkt, zijn, in het licht van de gezamenlijke erfafscheidinghiervoor weergegeven gemotiveerde betwisting daarvan door Xxxxxxxxx, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie voorzieningenrechter voorshands onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat in de (bij 2.2. geciteerde) brief van CM aan Motricity van 25 april 2012 ook de domeinnaam < xxx.xx> als “owned by Motricity” wordt aangeduid, wat vermoedelijk de aanleiding is geweest om deze domeinnaam expliciet in het lijstje op te nemen. Het valt dan ook te betwijfelen of de bodemrechter zal oordelen dat de domeinnaam aan GIN toebehoort en onderdeel is van de aandelentransactie, zodat de vordering tot overdracht van de Domeinnaam op deze grond niet kan worden beschouwd als een nadere duiding van het geschiltoegewezen. 3.4 De uitvoerder 4.10. Behalve op haar eigendomsrecht heeft CM c.s. zich ook beroepen op het standpunt gesteld gebruiksrecht dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin zij op grond van de polis, de plaatsing van het houthok SPA heeft op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevondendaarin vermelde intellectuele eigendomsrechten. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering 4.11. Motricity heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en allereerst aangevoerd dat de consument Domeinnaam niet behoort tot de bewijslast intellectuele eigendomsrechten als bedoeld in de SPA, omdat in de definitie daarvan in Schedule 1.1 (zie 2.2) staat “means all industrial and intellectual property rights owned by the Company as set out in Annex 8.1 to the warranties”. CM c.s. heeft om aan te tonen echter terecht gewezen op artikel 8 (ook aangehaald bij 2.3) waarin in lid 1 enerzijds is bepaald dat de gebeurtenis tijdens ‘Intellectual Property Rights are specified in the list attached hereto as Annex 8.1’, maar anderzijds dat ‘the company is legally and beneficially entitled to all these Intellectual Property Rights, including, but not limited to the domain names used by the Company’. Dit duidt op een ruimere uitleg van het begrip ‘intellectual property rights’ dan door Motricity bepleit, in die zin dat daartoe ook andere, niet met name in de looptijd Annex genoemde domeinnamen kunnen behoren. Bovendien lijkt de definitie in Schedule 1 een onduidelijkheid te bevatten, in die zin dat daarin melding wordt gemaakt van intellectual property rights “owned by the Company (GIN) as set out in Annex 8.1”, terwijl volgens eerdergenoemde brief (2.2) de verzekering heeft plaatsgevondendaarin vermelde domeinnaam xxx.xx als “owned by Motricity” wordt aangeduid, hetgeen door Motricity niet is tegengesproken. In lid 6 3 is vervolgens bepaald dat de transactie geen gevolgen heeft voor een eventueel gebruiksrecht van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij GIN op enig intellectueel eigendomsrecht. Naar het oordeel van de uitleg voorzieningenrechter dient dit zo te worden gelezen dat (ook) als gebruik wordt gemaakt van een schriftelijk contractandere domeinnaam door GIN dan de in annex 8.1 vermelde domeinnamen, zoals een verzekeringdergelijk gebruik door de overname niet zou kunnen worden beperkt. De stelling van Xxxxxxxxx dat artikel 8 lid 3 alleen zou zien op software en niet op andere intellectuele eigendomsrechten is, staat voorop gezien de tekst daarvan en het hiervoor overwogene, onvoldoende onderbouwd. 4.12. Een volgend punt waar partijen het niet over eens zijn is of (nog) in gebruik was bij GIN en/of voor de bedrijfsvoering noodzakelijk. Volgens Xxxxxxxxx is dat niet het geval en wordt aan de belangen van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden GIN voldoende tegemoet gekomen doordat zij over de domeinnaam xxx.xx beschikt. Motricity heeft echter op zichzelf niet betwist dat bezoekers van ook na 2008 en – naar de voorzieningenrechter heeft begrepen tot en met 2012 – doorgeleid worden (werden) naar xxx.xx. Dat ook op die site wordt verwezen naar Motricity, neemt het belang van de site voor CM c.s. niet weg. Voorts is voldoende aannemelijk dat CM c.s. zich mede richt op de internationale markt. Haar stelling dat CM c.s. in ieder geval actief is in Maleisië, Zwitserland, Italie en Griekenland heeft Motricity niet, althans onvoldoende betwist. Dat GIN gebruik maakte van de Domeinnaam en bij het beschikken over een .com domeinnaam een belang heeft wordt dan ook eveneens voldoende aannemelijk geacht. Het beroep van CM c.s. op het recht van GIN om de domeinnaam te gebruiken en het daarmee samenhangende beroep op artikel 8.3 van de SPA lijken op grond van het concrete gevalvoorgaande dan ook wel kans van slagen te hebben. In verband daarmee staat het Motricity vooralsnog niet vrij om de Domeinnaam aan een derde te koop aan te bieden. 4.13. Daar komt bij dat CM c.s. terecht heeft gesteld dat het op grond van het bepaalde in artikel 21 van de SPA op de weg van Motricity had gelegen om het al dan niet overdragen en/of blijven gebruiken van de Domeinnaam door CM c.s. tijdens de onderhandelingen ter sprake te brengen. Aannemelijk is immers dat het niet overdragen, gewaardeerd naar hetgeen althans het niet meer kunnen gebruiken van de maatstaven Domeinnaam tot aanpassing van redelijkheid de koopprijs zou hebben kunnen leiden, ervan uitgaande dat CM c.s. het gebruik van de Domeinnaam daadwerkelijk zou willen voortzetten. Voorshands bestaat onvoldoende aanleiding om in dit kort geding van het tegendeel uit te gaan. 4.14. Voor zover Motricity de (overdracht van de) Domeinnaam bewust niet met CM c.s. heeft besproken vanwege de grote commerciële waarde die de domeinnaam – los van GIN, maar in verband met aan de drankindustrie gerelateerde bedrijven – mogelijk vertegenwoordigt, gelet op de prijzen die voor aanverwante domeinnamen zoals xxxxxxx.xxx en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillenxxxxx.xxx zijn betaald, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factorenkomt dat, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van het voorgaande, voor haar risico. Indien CM c.s. (ook) voornemens zou zijn om de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassingXxxxxxxxxx niet zelf te (blijven) gebruiken, maar aan een derde te verkopen ligt dat mogelijk anders, maar daarvoor bestaan vooralsnog geen aanwijzingen. 3.8 Daarbij geldt 4.15. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat bij de gevorderde medewerking tot het wijzigen van de registratie van de domeinnaam zal worden afgewezen, evenals de daarmee samenhangende vorderingen, maar dat het gevraagde verbod om de domeinnaam aan derden aan te bieden en te leveren, totdat in een consumentenovereenkomsteventuele bodemprocedure over de rechten op deze domeinnaam zal zijn beslist, wel toewijsbaar is. Het ligt op de weg van CM c.s. om tijdig – uiterlijk binnen vier weken na de vonnisdatum – een dergelijke bodemprocedure aanhangig te maken. Het verbod tot het aanbieden en/of leveren aan derden blijft beperkt tot de domeinnaam , aangezien het door CM c.s. gestelde geen grond biedt voor toewijzing van een verdergaand verbod. 4.16. De dwangsom zal worden gemaximeerd, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteldhierna vermeld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, 4.17. Uit de processtukken blijkt niet dat Motricity vóór de zitting aan CM c.s. kenbaar heeft gemaakt dat zij bereid is om de domeinnaam niet te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over verkopen zolang de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluitingbodemprocedure loopt. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van Motricity de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleertproceskosten zal moeten dragen. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Legal Proceedings

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt 4.1. Het handelen en/of nalaten waarop de vraag voor of klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de uitvoerder dekking mocht weigeren voor Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). 4.2. Xxxxxxxxxx heeft betoogd dat de repliek van klaagster meer het juridisch probleem tussen karakter heeft van een nieuw klaagschrift dan een reactie op zijn verweerschrift. Betrokkene verzoekt de consument en zijn buurvrouwAccountantskamer de in de repliek opgenomen klachtonderdelen die een verruiming van de oorspronkelijke klacht impliceren, niet-ontvankelijk te verklaren. 4.3. In de Memorie van Toelichting van de Wet tuchtrechtspraak accountants (kamerstukken 30 397, nr. 3, pagina 11) is opgenomen dat van belang is dat de onderdelen van een klacht tijdig worden ingebracht zodat de betrokken accountant voldoende mogelijkheden heeft zich daartegen te verweren. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene in dit geval voldoende gelegenheid heeft gehad zich tegen de inhoud nieuwe klachtonderdelen te verweren. Hij heeft ook van de die gelegenheid gebruik gemaakt. Voor het niet-ontvankelijk verklaren daarvan is dan ook geen aanleiding. Klachtonderdeel a: door de uitvoerder overgelegde correspondentie aan klaagster toekomende vergoedingen niet in strijd te voldoen heeft betrokkene een onrechtmatige daad gepleegd. Andere crediteuren zijn wel betaald. Ook heeft betrokkene zichzelf een exorbitante managementfee toegekend. Door dit alles is met klaagster benadeeld. 4.4. Xxxxxxxxxx heeft daartegen ingebracht dat de latere stelling vordering van de consument klaagster op [BV2] pas op 22 augustus 2019 is ontstaan. Toen was hij geen bestuurder meer. Daar komt bij dat het houthok op een later moment is verplaatst[BV2] geen liquide middelen meer had en niet kon betalen. De consument heeft immers voor de afwijzing Accountantskamer overweegt dat betrokkene niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie kan worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval gevolgd in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan zijn betoog dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok vordering van klaagster eerst na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is zijn vertrek als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem bestuurder is ontstaan, dateert zodat dit hem in zoverre niet kan baten. Anderzijds moet de Accountantskamer vaststellen dat klaagster geen van vóór de ingangsdatum van de verzekeringhaar stellingen heeft onderbouwd. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van Zo de stelling van klaagster dat betrokkene “bewust” andere crediteuren wel en haar niet heeft betaald, al juist is, dan betekent dit geenszins dat betrokkene daardoor onzorgvuldig dan wel anderszins in strijd met de uitvoerder kunnen dienen voor hem geldende gedragsregels heeft gehandeld. Dat de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot managementfee veel hoger is dan destijds is afgesproken evenmin. In de conclusie door klaagster in geding gebrachte management overeenkomst daterend uit 2005 is inderdaad een lagere vergoeding opgenomen, maar de overeenkomst bevat een bepaling dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consumentvergoeding jaarlijks kan worden herzien. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Accountantskamer Uitspraak

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt 6. In het kader van het contract tot reisorganisatie tussen partijen, had verweerster zich onder meer verbonden tot het verschaffen van een verblijf van 11 dagen (van 17 tot 28 juli 2016) in Hotel A, op Zakyntos (Griekenland). Als reisorganisator is verweerster aansprakelijk voor de vraag goede uitvoering van het contract tot reisorganisatie, overeenkomstig de verwachtingen die de reiziger op grond van de bepalingen van dat contract redelijkerwijs mag hebben, en voor de uit het contract voortvloeiende verplichtingen, ongeacht of deze verplichtingen zijn uit te voeren door hemzelf dan wel door andere verstrekkers van diensten en zulks onverminderd het recht van de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouwreisorganisator om deze andere verstrekkers van diensten aan te spreken (art. 17, lid 1 Reiscontractenwet). De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval reisorganisator is voor de daden en zal het oordeel hieronder toelichtennalatigheden van zijn aangestelden en vertegenwoordigers, handelend in de uitoefening van hun functie, evenzeer aansprakelijk als voor zijn eigen daden en nalatigheden (art. 17, lid 2 Reiscontractenwet). De reisorganisator is aansprakelijk voor alle schade die de reiziger oploopt wegens de gehele of gedeeltelijke niet-naleving van zijn verplichtingen (art. 18, lid 1 Reiscontractenwet). 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing 7. Na kennisname van de dekking op 26 mei 2021 klachten en de consument consistent heeft verklaard dat stukken van xxxxxx en na het houthok altijd onderdeel is geweest horen van de gezamenlijke erfafscheidinguiteenzetting ter zitting van eisers, is het arbitraal college de mening toegedaan dat er zich inderdaad een probleem stelde met de kwaliteit van de studio die aan eisers werd toegewezen en het aangrenzende terras. Uit het fotodossier dat eisers bijbrengen blijkt meer bepaald dat eisers de kwaliteit van de studio terecht als ondermaats konden beschouwen (bijvoorbeeld: schakelaars die niet goed in de muur bevestigd en niet goed afgedekt zijn, ongedierte aan het terras, kamer gelegen aan uitgang ventilatie en beerput,...). Het arbitraal college kan eisers in hun standpunt volgen dat hun reis niet is verlopen volgens de redelijke verwachtingen die zij op grond van het contract tot reisorganisatie konden hebben. Het arbitraal college is daarbij van mening dat er weliswaar, zoals verweerster inroept, rekening kan worden gehouden met de beschrijving van het hotel als “eenvoudig” alsook met de relatief beperkte prijs van de reis om de redelijke verwachtingen van de reizigers te beoordelen, maar ook meent tegelijkertijd deze elementen de reisorganisator niet ontslaan van haar verplichting om “mooie’ en “verzorgde studio’s” te voorzien zoals vooropgesteld in de reisbeschrijving (p. 33 dossier). Uit de klachten en de stukken van eisers en meer bepaald het fotodossier blijkt dat verweerster haar verplichtingen op dit vlak niet is nagekomen. Voor het houthok al twintig jaar geleden overige is geplaatst. Volgens een deel van de uitvoerder heeft klachten van eisers daarentegen subjectief van aard (bijvoorbeeld: geluidsoverlast), kunnen deze klachten in de consument voor gegeven omstandigheden geen aanleiding geven tot een vergoeding (bijvoorbeeld: stoppen van de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, bus en overstappen op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat kleinere bus) of zijn de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt klachten niet bewezen (bijvoorbeeld: klachten met betrekking tot de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing infrastructuur van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin hotel zelf). Eisers hebben tenslotte daadwerkelijk kunnen genieten van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing overige infrastructuur van het houthok die hotel en hebben geen klachten hebben met betrekking tot de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factorenoverige reisdiensten, zoals de bewoordingen waarin vluchten. In die omstandigheden beschouwt het arbitraal college de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht vordering van eisers tot terugbetaling van de verzekeringsvoorwaarden volledige reissom als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak overdreven. Na rijp beraad kent het arbitraal college een bedrag van toepassing350,- € toe aan eisers. 3.8 Daarbij geldt 8. Het arbitraal college komt dan ook tot het besluit dat bij een consumentenovereenkomstde vordering van eisers als ontvankelijk en deels gegrond is, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis ten belope van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is bedrag van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert350,- €. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Arbitral Decision

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt Het is niet geheel duidelijk of [gedaagde] aan haar incidentele vordering ook ten grondslag heeft bedoeld te leggen dat tussen haar en Gemeente Dor- drecht in het geheel geen overeenkomst bestaat. De bevoegde rechter zal, indien hij [gedaagde] daarin volgt, de vordering moeten afwijzen. Voor het ant- woord op de vraag voor of welke rechter bevoegd is de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen zaak te beoordelen, zal moeten worden uitgegaan van de consument en zijn buurvrouw. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichtenovereenkomst zoals door Gemeente Dordrecht gesteld. 3.2 De uitvoerder Beoordeeld dient te worden of de overeenkomst zoals door Gemeente Dordrecht gesteld heeft aangevoerd dat voor de afwijzing van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing gelden als relevant voorval huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 BW. Op grond van dat artikel is huur de voorwaarden zal worden aangemerktover- eenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. 3.3 De commissie is door Gemeente Dordrecht gestelde overeen- komst houdt in dat zij 100 parkeerplaatsen in par- keergarage Spuihaven in gebruik geeft aan [gedaag- de] tegen betaling door [gedaagde] van oordeel dat een redelijke prijs. Het betreft een gebruiksrecht op willekeurige parkeerplaatsen; er zijn in de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschilparkeergarage geen specifieke parkeerplaatsen aangewezen. 3.4 De uitvoerder heeft zich Volgens [gedaagde] is geen sprake van een huur- overeenkomst nu in dit geval geen specifieke par- keerplaatsen zijn aangewezen, maar er slechts een gebruiksrecht bestaat op het 100 willekeurige plaat- sen. Voor haar standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval wordt in de zin literatuur steun gevonden in het arrest van de polisHoge Raad van G maart 19G4, NJ 19G4, 215. Anders dan wel wordt aangenomen heeft de plaatsing van het houthok op de thans door de consument Hoge Raad in dat arrest niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen geoordeeld dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden gebruiksrecht met betrekking tot een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden vaste plaats’ in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk parkeergarage on- voldoende bepaalbaar is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienenhuur kan worden aangemerkt. Andere bewijsmiddelen De Hoge Raad heeft ‘slechts’ geoordeeld dat in die als bewijs zaak het gebruiks- recht op een garagebox met het doel daar een auto te stallen viel onder het bereik van huur en niet van bewaargeving omdat de feitelijke macht over de auto niet werd overgedragen. Die vraag is in de onderhavige zaak niet aan de orde. Voor zover in de conclusie van de stelling Advocaat-Generaal bij het arrest gelezen zou kunnen worden dat naar diens oordeel bij een gebruiksrecht zoals hier aan de orde geen sprake is van huur, maakt dat nog niet dat die op- vatting als geldend recht moet worden beschouwd. 3.5 Van huur is niet slechts sprake wanneer bij het aangaan van de uitvoerder kunnen dienen overeenkomst een specifieke zaak wordt aangewezen die in gebruik wordt gegeven. Wanneer die eis wel gesteld zou worden, zou dat immers tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld het re- serveren van een hotelkamer, waarbij men in de regel niet een specifieke kamer huurt maar een kamer uit een bepaalde categorie, niet onder het bereik van huur zou vallen. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat de wetgever een dergelijke beperking zou hebben beoogd. Evenmin lijdt het twijfel dat het gebruiksrecht bij een huurovereen- komst kan zijn beperkt, bijvoorbeeld tot een gedeel- te van een zaak. Zo kan het recht op gebruik van een muur voor reclamedoeleinden vallen onder het bereik van huur (zie MvT TK 2G 089, nr. 3, p. 10). Bij het recht op gebruik van een niet specifiek aange- wezen en dus in de praktijk wisselend gedeelte van een zaak, zoals hier aan de orde, komen deze beide elementen tot uitdrukking. 3.G Ook uit de door de wetgever opgenomen regels die gelden voor huurovereenkomsten blijkt niet dat hij het gebruiksrecht op een niet specifiek gedeelte van een zaak heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt willen uitsluiten. Integendeel, op grond van bovenstaande tot artikel 7:203 BW is de conclusie verhuurder verplicht de zaak ter beschikking van de huurder te stellen voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is. Op grond van artikel 7:204 BW is sprake van een gebrek wanneer de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor huurder bij het gemelde juridisch probleem aangaan van de consument. 3.12 overeenkomst mocht verwachten. De consument heeft een vergoeding gevorderd omvang van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg het gebruiks- recht op de verhuurde zaak kan immers zonder problemen worden bepaald. Uitgaande van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard juist- heid van de gevorderde kostenstellingen van Gemeente Dordrecht, evenmin tegen heeft [gedaagde] te allen tijde recht op het gebruik van 100 parkeerplaatsen in de hoogte parkeergarage aan de Spuihaven, maar zij heeft niet het recht op het gebruik van specifieke parkeerplaatsen. In de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook prak- tijk betekent dit dat Gemeente Dordrecht ervoor dient zorg te dragen dat er te allen tijde voor [ge- daagde] 100 deugdelijke parkeerplaatsen in zijn geheel toewijzende gara- ge beschikbaar zijn.

Appears in 1 contract

Samples: Huurovereenkomst

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording beoordeling ligt de vraag voor of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen tussenpersoon is tekortgeschoten in zijn zorg- plicht en, zo ja, of hij op grond daarvan gehouden is tot vergoeding van de door de consument en zijn buurvrouw. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichtengeleden schade. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd commissie stelt voorop dat voor de afwijzing van rechtsverhouding tussen de dekking op 26 mei 2021 tussenpersoon en de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval opdracht in de zin van artikel 7:400 van het Burgerlijk Wetboek (hierna ‘BW’). Op de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel tussenpersoon rust als opdrachtnemer een zorgplicht in die zin dat de inhoud tussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en een redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht.1 De algemene zorgplicht uit dit arrest van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd Hoge Raad is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval ingevuld in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteldjurisprudentie. 1 HR 25 november 2016Zie overweging 3.4.1 in Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6HR:2003:AF0122, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 xxxxxxxxxxx.xx. Als uitgangspunt geldt dat van een redelijk bekwaam en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel redelijk handelend assurantie- tussenpersoon mag worden verwacht dat hij beschikt over de betekenis nodige deskundigheid en vakkennis, dat hij de financiële belangen van een bepaling gaat zijn klanten naar beste weten en kunnen behartigt en dat hij zijn klant op zorgvuldige wijze adviseert. Neemt de voor tussenpersoon niet de consument meest gunstige uitleg voor. Dit vereiste zorg in acht, dan is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek)als gevolg daarvan lijdt. Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard De zorgplicht van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte tussenpersoon geldt niet alleen ten tijde van het sluiten van de kostenovereenkomst maar ook erna. De zorgplicht vergt een voort- durende bemoeienis door de tussenpersoon met de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Een tussenpersoon mag dus in beginsel niet stil blijven zitten wanneer hij tijdens de looptijd van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kennis neemt van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de door hem beheerde verzekeringen mogelijk aanpassing behoeven.2 3.3 De consument verwijt de tussenpersoon dat hij hem geen passende verzekering heeft geadviseerd en dat hij bij het afsluiten van de inboedelverzekering heeft verzuimd hem te waarschuwen voor de gevolgen van onderverzekering voor de uitkering bij schade. De tussenpersoon verweert zich tegen deze verwijten van de consument en stelt dat de consument een zo laag mogelijke premie en een zo laag mogelijk eigen risico wilde. Dit blijkt volgens de tussenpersoon uit het aanvraagformulier van 23 januari 2013 en de e-mail van 24 januari 2013. De tussenpersoon geeft aan dat hij die wens heeft uitgevoerd. De commissie zal deze vordering dan passeert dit verweer. Als al wordt aangenomen dat de tussenpersoon de wens van de consument juist heeft verwoord, wat geenszins zeker is, is daarmee nog niet het verwijt van de consument weerlegd dat de tussenpersoon hem onvoldoende heeft gewezen op het risico van onderverzekering en het gevolg ervan bij schade aan de inboedel. Het lag op de weg van de tussenpersoon de consument deugdelijk over onderverzekering te informeren, zodat hij een juiste voorstelling van zaken had en zich een geïnformeerde keuze kon maken, ook als de consument een goedkope oplossing wenste. 3.4 De tussenpersoon stelt verder dat hij de consument wel degelijk vóór het aangaan van de verzekering twee keer heeft gewaarschuwd voor het risico van onderverzekering, namelijk op het aanvraagformulier en in zijn geheel toewijzene-mail van 24 januari 2013. De commissie overweegt dat in beide documenten weliswaar twee keer staat dat er geen garantie tegen onderverzekering is, maar deze formulering is onvoldoende concreet en specifiek om als waarschuwing voor het risico van onderverzekering te gelden. Met name ontbreekt een uitleg van het risico van onderverzekering en de consequentie van onderverzekering voor de uitkering onder de verzekering bij een eventuele schade.

Appears in 1 contract

Samples: Bindend Advies

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt 5.1. In zijn vonnis van 14 november 2016 heeft het Scheidsgerecht geoordeeld dat de vraag voor of opdracht van ver- weerster aan de uitvoerder dekking mocht weigeren voor vakgroep om ervoor zorg te dragen dat eiser niet meer zou worden ingezet in de pa- tiëntenzorg, in combinatie met de blokkering van de toegangspas en de blokkering van de bevoegd- heden in de geautomatiseerde systemen, kan worden beschouwd als een definitieve ontzegging van de toegang tot het juridisch probleem ziekenhuis van verweerster in zin van artikel 15 lid 7 van de maatschapsovereen- komst. Daardoor is de maatschap tussen de consument leden van de vakgroep orthopedie geëindigd. Verweer- ster was in de procedure die heeft geleid tot dat vonnis geen partij. Zij heeft in deze procedure be- twist dat zij een maatregel heeft getroffen tegen eiser die kwalificeert als een definitieve ontzegging van de toegang. Voor de onderbouwing van die stelling heeft zij verwezen naar haar eindverantwoor- delijkheid voor de kwaliteit van de zorg in het ziekenhuis. Volgens verweerster heeft zij de leden van de vakgroep orthopedie vanuit die eindverantwoordelijkheid alleen willen aanspreken op hun indivi- duele verantwoordelijkheid. Dat is de verantwoordelijkheid van de hulpverlener in de zin van artikel 7:453 BW. Om die reden heeft zij de leden van de vakgroep een opdracht gegeven om de kwaliteit van zorg te waarborgen en heeft zij alleen vanwege de overname van de patiëntgebonden activiteiten van eiser door anderen de toegangspas van eiser laten blokkeren. Van een maatregel gericht tegen eiser was volgens verweerster daarom geen sprake. 5.2. Het is niet in geschil dat verweerster eiser en de overige orthopeden mag aanspreken op hun indivi- duele verantwoordelijkheid als hulpverlener voor de kwaliteit van zorg. Dat neemt echter niet weg dat het verweerster is geweest die op of omstreeks 22 januari 2016 met de instemming van de VMS en het F. een aantal feitelijke gedragingen heeft verricht waarmee zij heeft bewerkstelligd dat er defini- tief een einde is gekomen aan de werkzaamheden van eiser in haar ziekenhuis. Verweerster heeft de orthopeden niet slechts aangesproken op hun individuele verantwoordelijkheid. Zij heeft de orthope- den geen keuze gelaten. A. moest meteen vertrekken en I. c.s. moest zijn buurvrouwwerkzaamheden overne- men. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing optelsom van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest feitelijke gedragingen van verweerster kwalificeert dan ook als een defini- tieve ontzegging van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval toegang in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatstmaatschapsovereenkomst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet Die optelsom kwalifi- ceert naar het oordeel van de commissie worden beschouwd het Scheidsgerecht ook als een nadere duiding opzegging van het geschilindividueel deel aan A.. Het resultaat van de feitelijke gedragingen is immers materieel hetzelfde als het rechtsgevolg van de rechtshandeling van opzegging. Het is niet relevant of verweerster, zoals zij heeft gesteld en eiser heeft betwist, de bevoegdheden van eiser in de geautomatiseerde systemen bij vergissing heeft ge- blokkeerd. Xxxxx heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk onweersproken aangevoerd dat een eventuele vergissing nooit is hersteld. Xxxxx heeft alleen de op 22 januari 2016 reeds via zijn e- mailaccount verzonden en ontvangen e-mails alsnog ter beschikking gesteld gekregen. 3.4 5.3. Voormeld oordeel wordt niet anders door de brief van de gemachtigde van verweerster van 28 januari 2016 bij de beoordeling te betrekken. In die brief, geschreven in reactie op een bericht van de ge- machtigde van xxxxx, staat dat verweerster op en omstreeks 22 januari 2016 alleen een voorzorgs- maatregel heeft willen treffen, alsmede dat alleen een dringend verzoek aan de vakgroep is gedaan om eiser “zolang de problemen niet zijn opgelost” niet in te zetten in de patiëntenzorg. Deze verwij- zing naar de oplossing van de problemen is onvoldoende om te concluderen dat verweerster de toe- gang slechts tijdelijk heeft ontzegd en dat geen sprake is geweest van opzegging met onmiddellijke ingang van het individueel deel. Verweerster heeft in dezelfde brief immers de conclusies en aanbeve- lingen van de onderzoekscommissie volledig overgenomen. Zij heeft niet, ook op geen enkel moment na 28 januari 2016, aan eiser bericht dat zij nog mogelijkheden zag voor herstel van de verstoorde verhoudingen binnen de maatschap of dat de toegang slechts was ontzegd voor de duur van de arbi- trale procedure tussen de leden van de vakgroep. Het enkele feit dat verweerster het individueel deel niet met zoveel woorden en bij aangetekend schrijven heeft opgezegd, maakt niet dat haar handelin- gen materieel niet als zodanig kunnen worden gekwalificeerd. 5.4. Uit het voorgaande volgt dat verweerster op of omstreeks 22 januari 2016 aan A. definitief de toe- gang heeft geweigerd en dat zij het individueel deel zonder inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van zes maanden feitelijk heeft opgezegd. 5.5. Xxxxx had op grond van artikel 15 van het individueel deel binnen dertig dagen beroep kunnen instel- len bij het Scheidsgerecht tegen de opzegging. Verweerster heeft om die reden betoogd dat eiser niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Dat betoog wordt verworpen. De uitvoerder termijn van artikel 15 begint pas te lopen na de verzending van het aangetekend schrijven waarin de gronden voor de opzegging zijn vermeld. Dat schrijven heeft verweerster niet verzonden. De termijn is dus niet gaan lopen. Verweerster is zich bovendien steeds op het standpunt gesteld blijven stellen dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval geenszins spra- ke was van een situatie als bedoeld in de zin van de polis, de plaatsing artikel 15 van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevondenindividueel deel. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd Ook om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd reden komt haar naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over geen beroep toe op de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeldtermijn van dertig dagen. 5.6. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij De stelling van mening verschillen, dan geldt eiser dat de uitleg opzegging van die voorwaarde(n) het individueel deel zowel formeel als inhoudelijk in strijd is geweest met name afhankelijk is hetgeen partijen daarover zijn overeengekomen, slaagt. Verweerster heeft eiser immers niet tevoren gehoord. Zij heeft ook de overeengekomen opzegtermijn van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen zes maanden niet in het licht acht genomen. Opzegging zonder inachtneming van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen opzegtermijn kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing alleen op grond van een drin- gende reden die onverwijld aan eiser is medegedeeld. Dat van een dringende reden sprake was heeft verweerster niet gesteld. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling met zoveel woorden erkend dat er voor onmiddellijke opzegging van het individueel deel geen aanleiding was. Ook de onder- zoekscommissie heeft niet geconcludeerd dat de aanwezigheid van eiser in het ziekenhuis acuut moest worden beëindigd. De onderzoekscommissie heeft voorgesteld aan de orthopeden nog een termijn van drie weken te gunnen om alsnog in onderling overleg een vertrekregeling overeen te ko- men, dan wel opdracht te geven voor bindende arbitrage. Verweerster heeft nog wel gesteld dat zij niet meer lang kon wachten, omdat het uitkomen van het rapport, en dan met name de conclusie dat een vertrek van xxxxx uit het ziekenhuis onontkoombaar was, een potentieel risicovolle situatie voor de patiëntveiligheid opleverde. Het conflict tussen de orthopeden sleepte echter al jaren en de con- clusie dat eiser uit de maatschap zou moeten vertrekken en dat een goede samenwerking niet meer mogelijk was had I. c.s. al in april 2015 getrokken. Tegen deze achtergrond heeft verweerster met de enkele verwijzing naar het uitkomen van het rapport en ongewenste groepsvorming onvoldoende gemotiveerd dat zij eiser, zelfs zonder hem te horen, zo ongeveer op staande voet de toegang tot het ziekenhuis moest weigeren. De conclusie moet dan ook zijn dat verweerster onrechtmatig heeft ge- handeld door aan eiser definitief per 22 januari 2016 de toegang tot haar ziekenhuis te ontzeggen zonder dat sprake was van individueel disfunctioneren en zonder hem tevoren te horen. 5.7. Uit het voorgaande volgt dat verweerster in beginsel aansprakelijk is voor de inkomensschade die eiser heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het noodgedwongen vertrek uit de praktijk in het ziekenhuis van verweerster per 22 januari 2016. Dat is dezelfde schade waarvoor eiser I. c.s. aanspra- kelijk heeft gesteld. Het Scheidsgerecht heeft deze schade in het vonnis van 14 november 2016 bere- kend over de periode tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd (in 2024) en begroot op een bedrag gelijk aan de managementvergoeding gedurende twee jaar. Het Scheidsgerecht heeft gerekend vanaf 22 januari 2016. Daarom is bij de begroting van de schade van eiser rekening gehouden met het ver- lies van het winstaandeel in de maatschap gedurende de periode vanaf 22 januari 2016 tot aan de da- tum van het vonnis van 14 november 2016. Omdat verweerster in beginsel gehouden is dezelfde schade te vergoeden als I. c.s. zijn zij hoofdelijk verbonden en kon eiser kiezen van wie hij vergoeding van de gehele schade vorderde. Dat volgt uit artikel 6:238 6:102 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel (BW). Vanwege eigen schuld van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het eiser aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum duurzame ontwrichting van de verzekeringsamenwerking binnen de maatschap is in de verhouding tot I. c.s. Daarmee is evenmin aangetoond geoordeeld dat eiser de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeldschade voor een gedeelte van 50% zelf moet dragen. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en Eiser kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande het bepaalde in artikel 6:102 lid 2 BW van I. c.s. en verweer- ster in totaal niet meer vorderen dan hem zou zijn toegekomen, indien voor de omstandigheden waarop de vergoedingsplicht berust, slechts één persoon aansprakelijk zou zijn geweest. Dat brengt in dit geval mee dat eiser alleen een aanvullende vergoeding van inkomensschade van verweerster kan eisen indien zijn eigen draagplicht voor de gehele inkomensschade op minder dan 50% moet worden begroot. Dat is niet het geval. Integendeel, in de relatie tot verweerster moet de eigen schuld van xxxxx aan zijn inkomensschade gewaardeerd worden op 100%. Ter toelichting wordt het volgende overwogen. 5.8. De inkomensschade is ook een gevolg van omstandigheden die aan verweerster zijn toe te rekenen, maar deze vallen in de verhouding tot de conclusie omstandigheden die aan eiser zelf zijn toe te rekenen in het niet. Gelet op de conclusies van de onderzoekscommissie en de ernstig en duurzaam verstoorde ver- houdingen tussen eiser en de overige leden van de maatschap orthopedie is het zeer onwaarschijnlijk dat eiser zonder de onrechtmatige gedragingen van verweerster na 22 januari 2016 nog veel langer feitelijk in het ziekenhuis zou hebben kunnen werken en een volledig winstaandeel zonder aftrek van kosten van waarneming zou hebben kunnen genieten. Verweerster had op grond van de aanbevelin- gen van de onderzoekscommissie immers na een termijn van ongeveer drie weken rechtmatig kun- nen overgaan tot een tijdelijke ontzegging van de toegang voor de duur van de arbitrageprocedure, al dan niet in combinatie met een opzegging van het individueel deel met inachtneming van de opzeg- termijn. Xxxxx heeft gesteld dat hij binnen de stichting overgeplaatst had kunnen worden naar een an- der ziekenhuis. Die stelling is ongeloofwaardig. Hij heeft deze stelling tegenover de bevindingen van de onderzoekscommissie over de opstelling van de orthopeden in andere ziekenhuizen van de stich- ting ook niet concreet onderbouwd. Zonder de gewraakte gedragingen van verweerster zou eiser langer recht hebben gehouden op zijn winstaandeel. Daar staat echter tegenover dat hij dan op grond van het individueel deel in beginsel de kosten van de waarneming voor eigen rekening had moeten nemen. Daar komt nog bij dat eiser in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Scheidsge- recht de inkomensschade van eiser op hetzelfde bedrag zou hebben begroot indien de maatschap niet op 22 januari 2016 zou zijn geëindigd, maar pas op 14 november 2016 door een vonnis van het Scheidsgerecht zou zijn ontbonden, en eiser voor de duur van de procedure op non-actief zou zijn ge- steld. Het is aannemelijk dat de uitvoerder ten onrechte dekking inkomensschade in dat geval op een lager bedrag zou zijn begroot. Xxxxx kan niet aan verweerster verwijten dat hij geen oordeel van arbiters heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem gekregen over de ge- volgen van een einde van de consumentmaatschap per 14 november 2016. Het is zijn eigen beslissing geweest om te berusten in de maatregel en om geen poging te doen om die maatregel in (een arbitraal) kort geding van tafel te krijgen. Verder is van belang dat het I. c.s. is geweest, en dus niet verweerster, die aan de bereidheid tot het onverschuldigd doorbetalen van de managementvergoeding gedurende zes maanden als voorwaarde heeft verbonden dat een definitieve vertrekregeling tot stand zou komen. Het is in de verhouding tot verweerster voor risico van eiser dat die definitieve regeling er niet is ge- komen en dat I. c.s. zich vervolgens, nadat in de arbitrale procedure incidenten waren opgeworpen en door eiser om aanhouding was gevraagd, op het standpunt heeft gesteld dat zijn aanbod was verval- len. I. c.s. heeft aan het vonnis van 14 november 2016 voldaan. Bij deze stand van zaken is er dan ook geen aanleiding om verweerster tot vergoeding van enige inkomensschade te veroordelen. 3.12 De consument 5.9. Xxxxx heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die wel voldoende aangetoond dat hij ook immateriële schade heeft gemaakt geleden als gevolg van het feit dat hij niet is gehoord en dat de dekkingsafwijzingopzegtermijn van zes maanden niet in acht is genomen. 3.13 Nu vast I. c.s. is komen niet veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade. Door eiser niet te staan horen op haar voorgenomen besluit, heeft verweerster eiser de kans ontnomen om overleg te voeren over een voor hem mogelijk minder schadelijke route of over minder schadelijke en zo mogelijk gezamenlijke com- municatie. De plotselinge en acute verwijdering uit het ziekenhuis, zonder dat onterecht dekking sprake was van indivi- dueel disfunctioneren, was in ieder geval onnodig diffamerend en schadelijk voor de goede naam van eiser. Daarvoor dient eiser door verweerster gecompenseerd te worden. De omvang van de immate- riële schade heeft eiser begroot op € 5.000. Hij heeft deze begroting mede gebaseerd op de parallel die door derden wordt getrokken tussen zijn situatie en de situatie van J.. Dat die parallel wordt ge- trokken is geweigerd, ongelukkig. Dat heeft ook verweerster erkend. Verweerster heeft echter geen mededelin- gen aan derden gedaan op grond waarvan die parallel is de uitvoerder getrokken en kan dus ook niet aansprakelijk worden gesteld voor de schade die eiser daardoor lijdt. Alles afwegende, ook redenen van billijkheid, zal het Scheidsgerecht de consument immateriële schade begroten op de helft van het gevorderde bedrag, der- halve op een bedrag van € 2.500 en verweerster veroordelen tot betaling van dit bedrag. 5.10. Verweerster dient eiser ook te compenseren voor de geleden immateriële schade door een medede- ling op haar intranet te plaatsen. Xxxxx heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij daarbij belang heeft. De tekst van de rectificatie zoals gevorderd kan echter niet worden toegewezen. Verweerster kan niet worden verplicht om melding te maken van een vonnis van het Scheidsgerecht dat is gewe- zen in een procedure waarbij zij geen partij is geweest. Verweerster kan ook niet worden verplicht om mede te delen dat er voor een ‘dergelijke maatregel’ als toegangsontzegging geen enkele grondslag of rechtvaardiging bestond. Op grond van de vaststaande feiten was er immers voldoende aanleiding om eiser, indien hij er niet in zou slagen binnen drie weken overeenstemming te bereiken over een vertrekregeling, voor de duur van de arbitrale procedure op non-actief te stellen. Verweerster kan wel veroordeeld worden om de volgende mededeling op haar intranet te plaatsen. 5.11. Partijen worden over en weer in het ongelijk gesteld. Gelet op deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen uitkomst dient verweerster aan eiser de aard helft van de gevorderde kosten, evenmin tegen buitengerechtelijke kosten en de hoogte helft van de kostenkosten voor rechtsbij- stand te betalen, alsmede de helft van de kosten van het Scheidsgerecht. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzengevorderde verklaring voor recht wordt achterwege gelaten omdat eiser daarbij geen afzonderlijk belang heeft.

Appears in 1 contract

Samples: Arbitraal Vonnis

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt de vraag voor of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouw5.1. De commissie komt tot eerst te beantwoorden vraag is of het oordeel dat dit niet het geval Tuchtcollege bevoegd is en zal het oordeel hieronder toelichtenom van de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 3.2 De uitvoerder 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft aangevoerd op een daaraan voorafgaande periode dat voor betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de afwijzing vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van de dekking rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op 26 mei 2021 het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de consument consistent heeft verklaard dat Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het houthok altijd onderdeel is geweest tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de gezamenlijke erfafscheidingStatuten NOAB, maar ook dat zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat Tuchtcollege aan het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin slot van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de inhoud zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatstvereniging. De consument heeft immers voor Aspiranten zijn onderworpen aan de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel statuten, reglementen en besluiten van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de verplaatsing meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het houthok Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de consument na aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de afwijzing innam, moet statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de commissie ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden beschouwd als een nadere duiding gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van 4 oktober 2021 naar verwijsteen voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, laat niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de plek tuchtklacht en het voldoen van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegddoen vermijden. 3.11 De commissie komt op 5.9. Op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor al het gemelde juridisch probleem van de consumentvorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Tuchtcollege Beslissing

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt de vraag voor of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouw3.1. De commissie komt klacht richt zich tegen een rentmeester NVR en dat betekent dat de rentmeesterska- mer bevoegd is over deze klacht te oordelen. 3.2.1. De rentmeesterskamer stelt voorop dat uit de stukken en uit hetgeen ter zitting is be- sproken blijkt dat [A] en de rentmeester beiden een verschillende zienswijze hebben met be- trekking tot de geestelijke gesteldheid van [klager]. [A] heeft onder verwijzing naar een ver- slag van het oordeel psychologisch onderzoek van 31 maart 2015 aangevoerd dat dit niet het geval [klager] zwakbe- gaafd is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 dat zij niet in staat is (geweest) om de gevolgen van juridische en financiële beslis- singen te overzien. De uitvoerder rentmeester heeft aangevoerd dat voor [klager] als dochter van een man van aanzien zich steeds heeft omgeven met dezelfde allure als haar vader, dat zij heel goed wist wat zij wilde en geen tegenspraak duldde. Van zwakbegaafdheid was geen sprake, aldus de afwijzing rentmeester. 3.2.2. Nu geen sprake is van ondercuratelestelling van [klager] of onderbewindstelling van haar vermogen, moet worden geoordeeld dat [klager] zelfstandig kan en mag deelnemen aan het rechtsverkeer. Daar komt bij dat [klager] ten overstaan van de dekking notaris op 26 mei 2021 27 november 2014 nog een volmacht heeft gegeven aan haar drie neven om haar volledig te vertegenwoordigen. Vanuit zijn ambt is de consument consistent notaris vertrouwd met het beoordelen of de persoon tegenover hem (nog) wilsbekwaam is. De notaris heeft verklaard kennelijk geoordeeld dat het houthok altijd onderdeel [klager] toen in staat was de reikwijdte en de gevolgen van de volmachtverlening te overzien. Ook [A] stelt zich kennelijk op dat standpunt, nu hij gebruik wenst te maken van de verleende volmacht. Daarom kan de rentmeesterskamer niet aanvaarden dat [klager] op andere momenten en met name in haar contacten met de rentmeester niet wilsbekwaam zou moeten worden geacht. De rentmeesters- kamer neemt bijgevolg tot uitgangspunt dat [klager] in de contacten met de rentmeester in staat is geweest haar wil te bepalen. Indien de familie daar anders over denkt, dan had het op haar weg gelegen om de kantonrechter te verzoeken een beschermende maatregel als onder- curatelestelling of onderbewindstelling in te stellen. 3.2.3. Nu [klager] geacht wordt in staat te zijn geweest haar wil te bepalen en de rentmees- terskamer de door haar afgegeven volmacht rechtens accepteert, moet worden geoordeeld dat [klager] als klaagster kan worden aangemerkt. [Klager] is als opdrachtgever van de gezamenlijke erfafscheidingrentmees- ter bevoegd om een klacht in te dienen, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zodat zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing 2.1 van het houthok heeft plaatsgevonden voor Reglement inzake de ingangsdatum tuchtrechtspraak van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder rentmeesterskamer kan worden ontvangen in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegdhaar klacht. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Complaint Procedure

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt Is de vraag voor of IMA geldig? 4.1. Voorshands is het Gerecht van oordeel dat de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen IMA op grond van de consument en zijn buurvrouwbepaling van artikel 3 lid 1 van de Landsverordening niet geldig is mede in verbinding met van artikel 5 lid 2 van de IMA (vergelijk hiervoor artikel 3:40 BW). De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing term 'overdracht` van artikel 3 van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest van de gezamenlijke erfafscheidingLandsverordening dient hier niet alleen in goederenrechtelijke betekenis te worden opgevat, maar ook huur of andere verbintenissenrechtelijke constructies op grond waarvan een ander dan de vergunninghouder tot exploitatie van de gokvergunning in staat wordt gesteld, dienen onder 'overdracht' te worden verstaan. 4.2. De Landsverordening schrijft nadrukkelijk voor dat de gokvergunning niet voor overdracht vatbaar is. Dit ligt ook in de rede gelet op de vereisten die in het houthok al twintig jaar geleden belang van derden worden gesteld aan de vergunning exploiterende rechtspersoon: niet alleen op grond van de Landsverordening maar ook op grond van de vergunning. In dit verband wijst het Gerecht allereerst de voorschriften van artikel 2 lid 2 onder a en d van de Landsverordening. Voor wat betreft de vergunning wijst het Gerecht op artikelen 5, 6, 7, 8, 9, 10, 20, 23, 26 waaruit dient te worden afgeleid dat de vergunninghouder zelf de vergunning client te exploiteren door zelf de buitengaatse gokactiviteiten te ontplooien. 4.3. Daar komt nog bij dat [eiser sub 2] ter zitting heeft gesteld dat Playmaster alleen de gokvergunning heeft en dat zij verder geen enkele faciliteit en/ of infrastructuur voor de gokactiviteiten heeft. Playmaster heeft zelfs geen werknemers of ervaring in de gokwereld. Ze zou de gokvergunning niet eens zelf kunnen exploiteren. Daarmee rijst uiteraard de vraag waarom nu juist aan Playmaster de gokvergunning is geplaatstverleend. Volgens de uitvoerder Hiervoor hebben partijen geen verklaring gegeven. 4.4. De reden waarom partijen tot elkaar zijn gekomen, heeft de consument voor gemachtigde van Playmaster en [eiser sub 2] ter zitting als volgt verwoord: Atlantis zou de afwijzing nimmer gesteld gokvergunning namelijk niet hebben kunnen verkrijgen omdat `de Atlantis groep allemaal uiteindelijk order een persoon [valt] en dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezetligt erg lastig'. 4.5. De uitvoerder meent IMA is gesloten tussen Playmaster en Atlantis op grond waarvan het Gerecht voorshands van oordeel dat deze overeenkomst bewerkstelligt dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval gokvergunning aan Atlantis wordt overgedragen in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel dat de inhoud artikel 3 lid 1 van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd Landsverordening. Deze overeenkomst is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing voorshands op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen3:40 BW ongeldig. De uitvoerder is er niet eventuele ongeldigheid van deze overeenkomst betekent in geslaagd om te bewijzen elk geval dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt prestaties op grond van bovenstaande tot de conclusie IMA niet kunnen worden afgedwongen en dat reeds verrichte prestaties zonder rechtsgrond zijn verricht. Verder is aannemelijk dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem ongeldigheid van de consumentovereenkomst (rechts-)gevolgen zal hebben voor de overige tussen partijen tot stand gekomen rechtshandelingen temeer waar in die rechtshandelingen zelf is verwezen naar de IMA waaraan partijen bij die rechtshandelingen -blijkens die rechtshandelingen- gebonden zouden zijn (vergelijk ook artikel 6:229 BW). 3.12 De consument heeft 4.6. Zou het Gerecht op grond van het voorgaande thans beslissen, zal het een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van verrassingsbeslissing nemen hetgeen niet toelaatbaar is. Vandaar dat het Gerecht partijen in de dekkingsafwijzinggelegenheid zal stellen om zich omtrent het voorgaande bij nadere conclusie uit te laten, eerst Playmaster en [eiser sub 2] en daama [gedaagde sub 1], Euphoria en Atlantis. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek)4.7. Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie Ondertussen zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzenhet Gerecht elke verdere beslissing aanhouden.

Appears in 1 contract

Samples: Vonnis

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt Klager heeft ter onderbouwing van zijn klacht naar voren gebracht dat een makelaar als deskundige wordt ingeschakeld en dat zijn opdrachtgever niet of onvoldoende op de vraag voor hoogte is van de belangrijke bepalingen in de koopovereenkomst die de makelaar wordt geacht tot stand te brengen. Klager meent dat ontbindende voorwaarden waarin een boeteclausule is verwerkt onderdeel van de koopovereenkomst hadden moeten uitmaken. Nu dat niet is gebeurd, en de koopovereenkomst werd ontbonden, heeft klager geen aanspraak kunnen maken op een boete van de koper. Op grond hiervan, zo meent klager, is beklaagde als makelaar tekort geschoten. Hiervan is beklaagde zich pas achteraf bewust geraakt. Vervolgens heeft klager beklaagde schriftelijk in gebreke gesteld waarop door beklaagde nooit een reactie is verschaft. Desondanks heeft beklaagde gemeend recht te hebben op courtage ondanks zijn wanprestatie, en daarvoor een rekening aan klager gestuurd. Weliswaar heeft de rechter in een vonnis geoordeeld dat klager tot betaling aan beklaagde moet overgaan, maar dat neemt niet weg dat klager gerechtigd is een klacht inzake de handelwijze van beklaagde in te dienen. Xxxxxxxxx heeft klager aanzienlijk meer schade geleden door de handelwijze van beklaagde dan het bedrag dat klager aan courtage in rekening is gebracht. Beklaagde heeft als verweer naar voren gebracht dat klager de koper heeft aangedragen, en de notaris. Op 21 maart 2012 zijn partijen, alsmede de notaris en beklaagde, op het kantoor van de notaris aanwezig geweest om het concept van de koopakte uitvoerig te bespreken. Hierbij is klager door zowel de notaris als beklaagde op de risico’s gewezen om geen financieringsvoorbehoud op te nemen. Xxxxxxxx was klager van mening dat een bankgarantie en/of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouwwaarborgsom niet nodig was, zo heeft beklaagde aangevoerd. De commissie komt definitieve koopovereenkomst is uiteindelijk op het kantoor van beklaagde door partijen ondertekend. Met betrekking tot het oordeel dat dit niet het geval is de ingebrekestellingen van klager heeft beklaagde bestreden geen reactie te hebben verstuurd, en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft verder aangevoerd dat voor de afwijzing hij op deze reactie van de dekking zijde van klager niet meer heeft vernomen. Beklaagde heeft verder naar voren gebracht gemeend recht te hebben op 26 mei 2021 courtage nu de consument consistent koper geen beroep heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest gedaan, zo meent hij, op de contractuele ontbindingsmogelijkheid van artikel 16.1. van de gezamenlijke erfafscheidingkoopovereenkomst. Aangezien klager weigerde tot betaling van de courtage over te gaan, maar ook heeft beklaagde ter invordering een civiele procedure moeten starten bij de rechtbank. Hierbij is beklaagde in het gelijk gesteld hetgeen, zo meent hij, bevestigt dat hij niet klachtwaardig heeft gehandeld. Beklaagde heeft verder naar voren gebracht dat hij tevens beslag heeft laten leggen ten laste van klager. De Raad overweegt ten aanzien van beide klachtonderdelen in de eerste plaats als volgt. De Raad kan geen oordeel vellen over de schade die klager stelt te hebben geleden door het houthok al twintig jaar geleden handelen of nalaten van beklaagde. Daartoe is geplaatstuitsluitend de civiele rechter bevoegd. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld Voor zover klager meent dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geledeneen ontbindende voorwaarde in een koopovereenkomst een boete pleegt te bevatten, of daarmee gelijk dient te worden gesteld, berust dat op een later tijdstip op misvatting aan de zijde van xxxxxx. Het doel van een andere plek is gezet. De uitvoerder meent ontbindende voorwaarde is, als aan de voorwaarde wordt voldaan, dat de huidige stelling ongeloofwaardig overeenkomst in rechte ophoudt te bestaan en partijen uit hun verplichtingen worden ontslagen. Een boete daarentegen is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin een prikkel tot nakoming van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie overeenkomst en derhalve niet met een ontbindende voorwaarde te vergelijken. Feit is van oordeel dat de inhoud koopovereenkomst een ruime ontbindende voorwaarde behelst, zij het ten behoeve van de koper in die zin dat die zonder opgaaf van reden tot 15 oktober 2012 bevoegd was de ontbinding uit te roepen. Feit is eveneens dat de koopovereenkomst geen boetebepaling bevat, noch met betrekking tot de door de uitvoerder overgelegde correspondentie koper te stellen zekerheid voor de koopprijs, noch ten aanzien van zijn afname van het verkochte woonhuis. Op grond hiervan begrijpt de Raad de klacht van klager als het verwijt dat de koopovereenkomst niet een dergelijke boetebepaling bevat, en beklaagde heeft verzuimd klager hierop te wijzen. De Raad overweegt verder dat klager zich op het standpunt stelt dat de koper de ontbindingsmogelijkheid heeft en ook gerechtigd wás te benutten. Xxxxxxx heeft klager zijn klacht gericht op het feit dat de ontbindingsmogelijkheid in de koopovereenkomst is opgenomen. Daar met de ontbinding van een koopovereenkomst zonder nadere afspraken – die ontbreken – ook enige boetebepaling komt te vervallen, heeft de afwezigheid van een boetebepaling niet tot enig nadeel bij klager geleid. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Naar de Raad, gelet op het verhandelde ter zitting, heeft begrepen stelt beklaagde zich op het standpunt dat, nu in het kader van zijn bemiddeling een koopovereenkomst tot stand is gekomen, hij gerechtigd is courtage in rekening te brengen. De Raad wijst in dit verband op het bepaalde in artikel 6 lid 3 van de Algemene Consumentenvoorwaarden NVM 2011: De Raad stelt vervolgens vast dat beklaagde een factuur heeft verzonden terwijl zijn opdrachtgever-consument zich op het standpunt stelde dat de opdracht niet is vervuld nu de koper de ontbindingsmogelijkheid heeft benut. Het moge zo zijn dat beklaagde stelt dat deze mogelijkheid in zijn ogen niet of niet tijdig is benut, dan wel hieraan gebreken kleven, maar dat heeft hij voor de Raad, ook niet na hiertoe ter zitting uitdrukkelijk te zijn uitgenodigd, niet hard kunnen maken. De Raad meent dat hiermee beklaagde heeft gehandeld in strijd is met de latere stelling artikel 1 van de consument Erecode waarin de makelaar zich heeft verplicht zorgvuldig en betrouwbaar op te treden. Het feit dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument de rechtbank klager heeft immers voor veroordeeld de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innamfactuur aan beklaagde te betalen, moet naar brengt in het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van Raad geen verandering. Beklaagde noch klager heeft het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan vonnis aan de orde komt, is of Raad overgelegd zodat de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering Raad hiervan geen kennis heeft plaatsgevondenkunnen nemen. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan Daarenboven geldt dat de uitleg Raad over zijn eigen bevoegdheid beschikt te oordelen over de handelwijze van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen beklaagde in het licht tuchtrechtelijk opzicht als makelaar van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf Vereniging. Klachtonderdeel b is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5derhalve gegrond. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet In het onderstaande zal tevens worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich ingegaan op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan al dan niet te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegdtreffen maatregel. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.

Appears in 1 contract

Samples: Belangenbehartiging Opdrachtgever

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt 4.1. C.S. vordert vemietiging de vraag voor of ondertekening de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen Participatieovereenkomst voorafgaande besluitvorming van de consument en zijn buurvrouwvergadering van deelnemers van RAB. De commissie komt tot rechtbank begrijpt dat ORN c.s. hiermee doelen op het oordeel dat dit niet besluit van de deelnemersraad van RAB van 25 oktober (zie 2.6) omtrent de van de kosten van het geval is en zal NLO (hierna: het oordeel hieronder toelichtenbesluit). 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet4.2. De uitvoerder meent rechtbank stelt voorop dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing een besluit van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin een orgaan van de voorwaarden zal een rechtspersoon kan worden aangemerkt. 3.3 De commissie is vernietigd indien dit naar inhoud of wijze van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet totstandkoming in strijd is met de latere stelling redelijkheid en billijkheid die de bij de rechtspersoon betrokkenen jegens elkaar in acht dienen te nemen (artikel 2:15 jo Burgerlijk Wetboek). De bevoegdheid om vemietiging van het besluit te vorderen vervalt echter één jaar na het einde van de consument waarop de belanghebbende(n) kennis hebben genomen van het besluit (artikel 5 BW). De rechtbank begrijpt dat RAB c.s. een beroep doet op deze vervaltennijn aangezien zij heeft aangevoerd dat ORN c.s. nog bijna een jaar onvoonvaardelijk uitvoering heeft gegeven aan het besluit en de Participatieovereenkomst en pas eind de besluitvorming ter discussie heeft gesteld. Vast staat dat ORN en E-Power aanwezig waren in de van de deelnemersraad van RAB van 25 oktober zodat zij op die datum kennis hebben genomen van het besluit. De bevoegdheid om vernietiging te vorderen was derhalve ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding mei 2013) al vervallen. Ook indien RAB c.s. geen beroep op de vervaltermijn heeft willen geldt dat het houthok op een later moment enkele dat de meerderheid in weerwil van de minderheid heefl besloten tot de gewraakte kostenverdeling nog niet meebrengt dat sprake is verplaatstvan misbruik van Daarvan slechts sprake indien de alle belangen in aanmerking genomen, in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Daarvan is gezien hetgeen hiema wordt oveiwogen m geval geen sprake. De consument heeft immers vordering onder I zal derhalve worden afgewezen voor zover deze strekt tot vemietiging van het besluit. Bij de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel verdere beoordeling zal dan ook worden uitgegaan van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing rechtsgeldigheid van het houthok die besluit. Verder gaat de consument na rechtbank er m navolging van partijen, vanuit dat de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval kostenverdeling zoals opgenomen in de zin van de polisParticipatieovereenkomst in overeenstemming is met het besluit. OKT , de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek201 4 HANDE L ' 861 P, ruim twintig jaar geleden XXXXXXX G ADM, HANDE L 4.3. ORN c.s. heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan betoogd dat de consument er niet in krachtens het besluit tussen partijen geldende regel met van toepassing is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd omdat dit naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over billijldieid onaanvaardbaar is. De rechtbank stelt voorop dat ook na het van de voorwaarden vervaltermijn een beroep op artikel 2:8 lid 2 mogelijk blijft. 4.4. ORN c.s. stelt dat er (thans) geen rechtvaardiging (meer) is voor het feit dat zij als landelijke verkooporganisatie(s) van regionale zenders een hogere bijdrage in de kosten van het NLO moet betalen dan een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeldlandelijke zender. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over Het gebied waarbinnen de voorwaarde(n) waarover zij luistercijfers worden gemeten is bij een landelijke verkooporganisatie van mening verschillenregionale omroepen globaal even groot als dat van een landelijke zender en er is in de huidige werkwijze geen sprake van meerwerk of meerkosten bij de verwerking van de meetgegevens van verschillende regionale zenders, dan geldt aldus ORN c.s. De rechtbank begrijpt dat de uitleg bezwaren van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factorenORN cs, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in niet zien op het licht variabele deel van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij bijdrage maar op de factor die voor haar geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op staffel, in combinatie met de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren enindeling in negen gewesten. ' OKT . 201 4 HANDE L PLANNIN G AOM, bij voldoende gemotiveerde betwistingHANDE L NR. 861 P, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.9/1 0 29 oktober

Appears in 1 contract

Samples: Vonnis

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt 4.1. Nu PEB een rechtspersoon is naar buitenlands recht en een deel van de vorderingen uit dien hoofde een internationaal ka- rakter draagt, dient allereerst de vraag voor te worden beantwoord of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen Nederlandse rechter bevoegd is van de consument en zijn buurvrouw. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichtenvordering kennis te nemen. 3.2 De uitvoerder 4.2. Porc-Ex Holland c.s. legt aan haar vorderingen mede ten grondslag dat PEB onrechtmatig jegens haar heeft aangevoerd dat voor gehandeld. Omdat Denemarken partij is bij Verordening (EU-Verordening nr. 1215/2012) van het Europees Parlement en de afwijzing Raad van 12 de- cember 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erken- ning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening 2012), is deze verordening van toepassing en geldt artikel 7 lid 2 van deze verordening. Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie wordt onder ‘plaats van het schadebrengende feit’ zowel gedoeld op de plaats van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie is van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is veroorzakende gebeurtenis als de gebeurtenis voor plaats waar de ingangsdatum schade is ingetreden. Naar de voorzieningenrechter de stellin- gen van Porc-Ex Holland c.s. begrijpt, heeft het gestelde on- rechtmatig handelen plaatsgevonden op diverse plaatsen in Ne- derland, zodat de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing Nederlandse rechter op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert7 lid 2 EEX-Verordening 2012 bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel 4.3. Op grond van artikel 150 Wetboek 6 lid 2 van Burgerlijke Rechtsvordering de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-con- tractuele verbintenissen (hierna: Rome II-Verordening) is in het geval dat een daad van oneerlijke concurrentie uitsluitend de belangen van een bepaalde concurrent schaadt, zoals in dit geval de belangen van Porc-Ex Holland, artikel 4 van toepas- sing. In artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening staat – kortgezegd – dat het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de relatieve bevoegdheid is overwogen, is Nederland het land waar schade zich voordoet, al- thans zich dreigt voor te doen. Zodoende is voorshands oorde- lend Nederlands recht van toepassing waar het het gestelde on- rechtmatig handelen betreft. 4.4. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de Neder- landse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen die zijn gebaseerd op verbintenissen uit de aandeelhouders- overeenkomst en uit de samenwerkingsovereenkomst. Zoals reeds aan de uitvoerder orde is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden gekomen, is EEX-Verordening 2012 van toepassing. Omdat de verbintenis die (mede) aan te voeren ende eisen van Porc-Ex Holland c.s. ten grondslag ligt, bij voldoende gemotiveerde betwistingis uitgevoerd of moet worden uitgevoerd in Nederland, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt Nederlandse voorzienin- genrechter op grond van bovenstaande tot artikel 7 lid 1 onder a EEX-Verordening 2012 bevoegd. Hier komt bij dat BEP geen exceptie van onbe- voegdheid heeft opgeworpen zodat de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem Nederlandse voorzienin- genrechter ook op grond van artikel 24 van genoemde verorde- ning bevoegd. 4.5. Ten aanzien van dit deel van de consument. 3.12 vorderingen, gebaseerd op verbintenissen uit de aandeelhoudersovereenkomst en de sa- menwerkingsovereenkomst, en het daarop toepasselijke recht wordt het volgende overwogen. De consument heeft een vergoeding gevorderd bepaling van € 938,- het toepasselij- ke recht dient plaats te vinden aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg de hand van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerdop verbinte- nissen uit overeenkomst (Rome I-Verordening), is nu de uitvoerder aansprakelijk aandeel- houdersovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst zijn gesloten na 17 december 2009. De partijen bij deze overeen- komsten hebben – overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de verordening – in de tussen hen gesloten overeenkom- sten een expliciete keuze gedaan voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek)toepasselijkheid van het Nederlands recht. Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard Daarom is dit recht op dit deel van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte vor- deringen van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzentoepassing.

Appears in 1 contract

Samples: Vertegenwoordiging Van Een Cv

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt 4.1. Het handelen en/of nalaten waarop de vraag klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Klachtonderdeel a: betrokkene heeft met de afgifte van haar verklaring gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van professionaliteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, omdat zij geen onderzoek heeft gedaan naar de kwaliteit van de omzet en het verdienvermogen van het kantoor te [plaats6], zij haar waardeoordeel op slechts één vergelijking heeft gebaseerd en een verdere onderbouwing van haar waardering ontbreekt, terwijl zij kennis droeg van het conceptrapport van de bindend adviseur waarin de waarde op 70% van de omzet is vastgesteld. 4.2. Xxxxxxxxxx heeft als verweer aangevoerd dat haar handelen niet onder het tuchtrecht valt omdat geen sprake was van een betaalde opdracht, maar alleen een verzoek om informatie. De advocaat van eisers wilde niet de koopovereenkomsten van de portefeuille [plaats6] aan de rechtbank overleggen en wilde alleen informatie over de marktwaarde. Zij heeft geen algemeen oordeel gegeven over de marktwaarde van een [bedrijfsnaam1]-kantoor. 4.3. De Accountantskamer is van oordeel dat het verweer van betrokkene dat zij voor haar brief niet is betaald, geen doel treft. Die omstandigheid doet namelijk niet ter zake. Een accountant is op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep ten aanzien van zijn beroepsuitoefening onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde en enig ander handelen of nalaten dat in strijd is met het belang van de uitvoerder dekking mocht weigeren voor uitoefening van het juridisch probleem accountantsberoep. Dit artikel maakt geen onderscheid tussen betaalde en onbetaalde dienstverlening. De brief valt onder de beroepsuitoefening van betrokkene waarop zij tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. 4.4. Xxxxxxxxxx heeft ter zitting verklaard dat zij wist dat tussen de consument voormalige leden van de maatschap een gerechtelijke procedure aanhangig was. Zij wist of behoorde te weten dat haar brief in die procedure zou worden overgelegd. Dat volgt onder meer uit haar verweerschrift waarin zij heeft geschreven: “…de advocaat van de tegenpartij van klager wilde niet de koopovereenkomsten van de portefeuille uit [plaats6] in de zaak inbrengen maar wilde slechts informatie over de marktwaarde. Dat heb ik toegelicht in productie 1 van de klager.” 4.5. Uit de vaste rechtspraak van de Accountantskamer volgt dat een accountant die weet of behoort te weten dat zijn rapport in een gerechtelijke procedure zal worden overgelegd, ervoor dient te zorgen dat zijn rapport de waarheidsvinding door de rechter niet belemmert. Van een belemmering is sprake indien de inhoud van het rapport onjuist of onvolledig is, de bevindingen of conclusies van het rapport een deugdelijke grondslag ontberen of het rapport ten onrechte geen duidelijke voorbehouden of beperkingen bevat. Deze regel geldt ook voor de brief van 12 juni 2020 omdat betrokkene daarin een standpunt heeft ingenomen inzake de marktprijs van een klantenportefeuille en zijn buurvrouwzij de brief in haar hoedanigheid van accountant-administratieconsulent (“AA”) heeft ondertekend. 4.6. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor de afwijzing van de dekking op 26 mei 2021 de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest van de gezamenlijke erfafscheiding, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezet. De uitvoerder meent dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin van de voorwaarden zal worden aangemerkt. 3.3 De commissie Accountantskamer is van oordeel dat de inhoud brief de waarheidsvinding door de rechter belemmert. In de brief heeft betrokkene immers geschreven dat “de conclusie” is, dat de marktprijs voor “een” klantenportefeuille van “een[bedrijfsnaam1]-vestiging 100% van de door omzet bedraagt. Deze conclusie is zo geformuleerd dat die voor de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd marktprijs van alle klantenportefeuilles van een [bedrijfsnaam1]-vestiging geldt, hoewel die conclusie berust op de verkoop van slechts één klantenportefeuille. Betrokkene heeft dus een uitspraak gedaan over de totale populatie van klantenportefeuilles terwijl die uitspraak op slechts één geval is met gebaseerd. In de latere stelling hierboven (rov. 2.5.) gedeeltelijk geciteerde Regeling is de marktwaarde van het klantenbestand op 100% van de consument jaaromzet gesteld, maar er staat bij dat die “100% wordt behaald bij een tevreden klant, waar de werkzaamheden up-to-date zijn en aan de kwaliteitsnormen voldoen.” Deze vooronderstelling bij een waarde van 100% van de jaaromzet ontbreekt in de brief. Dat klemt te meer nu de bindend adviseur in zijn conceptrapport (gemotiveerd) de waarde van de klantenportefeuille in kwestie op 70% van de omzet heeft vastgesteld, en betrokkene had dat moeten laten meewegen of minst genomen moeten vermelden. Betrokkene heeft over de marktprijs een te stellige uitspraak gedaan. Zij had het houthok woord conclusie niet mogen gebruiken, omdat zij daarmee een zekerheid suggereert die niet op een later moment deugdelijke grondslag berust. Xxxxxxxxxx heeft nagelaten in de brief de beperkingen op te nemen die op haar onderzoek en haar conclusie van toepassing zijn, hoewel artikel 15 van de VGBA haar daartoe verplichtte. Uit wat hiervoor is verplaatstoverwogen volgt, dat die beperkingen er zeker waren. Xxxxxxxxxx had Handreiking 1127 “Opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen” kunnen volgen. Dan had zij kunnen vaststellen dat bijvoorbeeld in paragraaf 4.5 van de Handreiking wordt geadviseerd de reikwijdte van de opdracht, de uitgevoerde werkzaamheden, de uitkomsten en de eventuele beperkingen in die uitkomsten op te nemen. De consument slotsom is dat betrokkene het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaannageleefd. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding Klachtonderdeel a. is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzengegrond.

Appears in 1 contract

Samples: Tuchtrechtspraak Accountants

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording ligt 5.1. De Raad constateert allereerst dat de vraag voor of klacht kennelijk wordt ingegeven door de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen de consument schade die volgens klager door hem en zijn buurvrouwpartner is geleden. Blijkens de klachtbrief, de door klager overgelegde stukken en de mondelinge toelichting daarop, is de klacht dan ook vooral gericht op vergoeding van die schade. Het verweer concentreert zich daar logischerwijs dus óók op. 5.2. De commissie komt tot vraag óf klagers als gevolg van het oordeel feit dat dit zij minder vierkante meters woon‐ en terrasoppervlakte geleverd hebben gekregen dan zij dachten te verkrijgen, daadwerkelijk schade hebben geleden en zo ja, óf en in hoeverre die schade rechtens al dan niet het geval door beklaagde behoort te worden vergoed is en zal het oordeel hieronder toelichtenniet van tuchtrechtelijke, maar van civielrechtelijke aard. Op grond van de wet is dus niet de Raad, maar slechts de gewone rechter bevoegd om daarover te oordelen. 3.2 5.3. De uitvoerder Raad zal daar dan ook geen oordeel over (kunnen) geven en de klacht, voor zover die gericht is op het verkrijgen van een oordeel over enige mogelijk door klager geleden schade c.q een veroordeling van beklaagde tot betaling van schadevergoeding aan klager niet ontvankelijk verklaren. 5.4. De klacht is echter wél ontvankelijk voor zover die betrekking heeft aangevoerd op het feit dat voor beklaagde zich volgens klager niet heeft “…gehouden aan de afwijzing zorgvuldigheidsplicht”, zulks met name door onjuiste informatieverstrekking in de verkoopbrochure en op Funda 5.5. De Raad overweegt wat dat betreft allereerst dat het verweer van beklaagde dat hij slechts een beperkte opdracht had zonder meer faalt. Ingevolge artikel 1 van de dekking Erecode NVM is het Deze regel geldt algemeen en steeds, dus óók als een makelaar een beperkte opdracht heeft. 5.6. De Raad overweegt wat dat betreft vervolgens dat: i.) in de als bijlage 1 bij de klachtbrief overgelegde verkoop‐brochure uitdrukkelijk een woon‐oppervlakte van 200 m2, een oostelijk terras van circa 30 m2 en een zuidwestelijk terras van circa 90 m2 worden genoemd; ii.) blijkens een op 26 mei 2021 Funda geplaatste tekening (bijlage 3a bij verweerschrift) het zuidwestelijk terras 8.8 X 9.5 meter = 83,6 m2 groot zou zijn; iii.) uit als bijlage 2 bij de consument consistent heeft verklaard klachtbrief overgelegde mails d. dis. 3 en 6 oktober 2017 van [naam aannemer] daarentegen blijkt , dat het houthok altijd onderdeel is geweest die maten volgens de aannemer op grond van de gezamenlijke erfafscheidingbouwtekening respectievelijk 197 m2, maar ook dat het houthok al twintig jaar geleden is geplaatst. Volgens de uitvoerder heeft de consument voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na de plaatsing twintig jaar geleden, op een later tijdstip op een andere plek is gezetcirca 28 m2 en circa 70 m2 (zullen) zijn. 5.7. De uitvoerder meent Raad concludeert op grond daarvan dat de huidige stelling ongeloofwaardig is en wellicht beoogt de consument hiermee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval in de zin door beklaagde gebruikte verkoopbro‐ chure genoemde en op de op Funda geplaatste tekening aangegeven maten hoe dan ook ver‐ schilden van de voorwaarden zal worden aangemerktmaten die volgens de aannemer op grond van de maatvoering op de bouw‐ tekening(en) gerealiseerd zouden worden. 3.3 De commissie 5.8. Dat is van oordeel dat de inhoud van de door de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met de latere stelling van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet juist en valt beklaagde naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als Raad ook te verwijten. De door beklaagde aangevoerde omstandigheid dat de door hem gebruikte brochure en informatie door zijn opdrachtgever werden aangeleverd en dat hij daar op vertrouwde doet daar niet(s) af. Die omstandigheid geeft namelijk wel een nadere duiding verklaring, maar geen rechtvaardiging voor het hanteren, noemen en/of publiceren van het geschil. 3.4 De uitvoerder foutieve maten. Een NVM‐makelaar heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in immers te houden aan de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevondenNVM‐Meetinstructie. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan Dit impliceert dat de consument makelaar zich er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst steeds, dus óók als hem door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden zijn opdrachtgever en/of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg iemand anders maten van een schriftelijk contractobject worden opge‐ geven, zoals een verzekering, staat voorop van dient te vergewissen dat van beslissende betekenis die maten juist zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over de voorwaarden in een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeld. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt dat bij een consumentenovereenkomst, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. 1 HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel over de betekenis van een bepaling gaat de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit is in casu, zoals beklaagde ter zitting desgevraagd heeft erkend, echter niet gebeurd. Het feit dat het appartement dat klager kocht nog in aanbouw was maakt dat niet anders. Afgezien van het feit dat in dat geval op (bouw)tekening kan (en moet) worden gemeten, geldt dat als dat onverhoopt toch niet goed zou kunnen er in brochures, publicaties e.d. een voorbehoud ten aanzien van de zogenoemde contra proferentem-regelmaten zou kunnen zijn en ook had moeten worden gemaakt. Tenslotte doet ook de door beklaagde genoemde omstandigheid dat klager de juiste maten had kunnen kennen op zichzelf geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid en taak van de makelaar. Anders gezegd: naar het oordeel van de Raad is en blijft het de verantwoordelijkheid èn de taak van de NVM‐makelaar om de maten van een object –ongeacht of dit reeds is gebouwd of nog in aanbouw is‐ volgens de in de meetinstructie aangegeven methode, hetzij feitelijk en/of op (bouw)tekening te berekenen en/of te checken en slechts de maten die aldus berekend en/of gecheckt zijn in een brochure, op een website of in mondelinge contacten te noemen. 5.9. De Raad merkt daarbij wellicht ten overvloede, doch voor alle duidelijkheid nog op dat een makelaar die verantwoordelijkheid c.q. taak niet alleen ten opzichte van zijn opdrachtgever, maar gelet op zijn functie als NVM‐makelaar in het maatschappelijk verkeer óók ten aanzien van derden‐belanghebbenden, zoals (potentiële) kopers, in casu klager, in acht te nemen heeft. 5.10. Tenslotte overweegt de Raad ten aanzien van de verkoopbrochure nog dat daarin als NVM verkoopmakelaar “[Y], [kantoornaam]” wordt genoemd. Dat strijdt echter met artikel 10 van de opdracht tot dienstverlening bij verkoop. In zoverre is de verkoop‐brochure dus óók niet juist. 5.11. Dat neemt evenwel niet weg dat beklaagde, zoals klager ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk heeft bevestigd, klager voor verder informatie aanstonds heeft doorverwezen naar zijn op‐ drachtgever X., die vervolgens ook de onderhandeling met klager heeft gevoerd en zelfstandig met klager een koopovereenkomst heeft gesloten. Daarvan uitgaande valt beklaagde dan ook niet te verwijten dat klager minder m2 en met name een minder groot (zuid‐westelijk) terras geleverd zou hebben gekregen dan hij dacht geleverd te krijgen. De Raad neemt daarbij nog in aanmerking dat klager enig sluitend bewijs dat dat beklaagde wel zou zijn te verwijten niet heeft geleverd en dergelijk bewijs ook overigens niet is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van gebleken. In zoverre treft de klacht naar het oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden meebrengt Raad dan ook geen doel. 5.12. Alles afwegende komt de Raad tot de slotconclusie dat beklaagde bij de uitvoering van de hem verleende opdracht niet de zorgvuldigheid, deskundig‐ en onafhankelijkheid heeft betracht, die hij volgens artikel 1 Erecode NVM behoorde en behoort te betrachten en is de klacht in zoverre dus gegrond. 5.13. Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is en voor zover de Raad heeft kunnen nagaan aan beklaagde niet eerder een tuchtrechtelijke straf is opgelegd, zal de Raad beklaagde de volgens artikel 31 lid 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NVM lichtst mogelijke straf van berisping opleggen. 5.14. Uit het oordeel van de Raad volgt dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum kosten van de verzekering heeft plaatsgevonden of als u voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat voor zover artikel 2 lid 6 behandeling van de voorwaarden klachtzaak ingevolge artikel 32 lid 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NVM in beginsel ten laste van beklaagden komen. De Raad ziet geen reden om in het onderhavige geval van dat beginsel af te wijken. 5.15. Op grond van vorenstaande overwegingen, alsmede gelet op meerdere wijzen kan worden uitgelegdhet Reglement Tuchtrechtspraak NVM, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum statuten van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat NVM en de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar erecode NVM komt de uitvoerder Raad van Toezicht in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande deze tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu vast is komen te staan dat onterecht dekking is geweigerd, is de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzen.navolgende uitspraak:

Appears in 1 contract

Samples: Bieden, Onderhandelen & Totstandkoming Overeenkomst

De beoordeling. 3.1 Ter beantwoording beoordeling ligt de vraag voor of de uitvoerder dekking mocht weigeren voor het juridisch probleem tussen de consument en zijn buurvrouw. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en zal het oordeel hieronder toelichten. 3.2 De uitvoerder heeft aangevoerd dat voor Merius, vanwege de afwijzing van de dekking op 26 mei 2021 hypotheek- aanvraag voor de consument consistent heeft verklaard dat het houthok altijd onderdeel is geweest derde hypotheek c.q. de verhoging van de gezamenlijke erfafscheidingbestaande lening, maar gehouden is de door de consumenten gevorderde schade te vergoeden. 3.2 Tussen partijen staat niet ter discussie dat Xxxxxx bevoegd was om de boeterente bij vervroegde aflossing in rekening te brengen. Partijen zijn immers overeengekomen dat Xxxxxx de consumenten in geval van vervroegde aflossing van de eerste en tweede hypotheek, waarvan sprake is bij het oversluiten van een hypothecaire lening, een vergoedingsrente in rekening mag brengen indien zij van het voortijdig beëindigen van de lening nadeel ondervindt. Naar het oordeel van de commissie ontbreekt enige grondslag om Xxxxxx in dit geval te verplichten hiervan af te zien. Zij zal dit hierna toelichten. 3.3 De commissie stelt voorop dat Xxxxxx een zekere mate van contracts- en beleidsvrijheid heeft. Dit betekent dat Xxxxxx in principe zelf mag bepalen of en onder welke voorwaarden zij een (aanvullende) hypothecaire lening aangaat. Op basis van de contractsvrijheid kan een partij ook bepalen om geen overeenkomst te sluiten.1 Dit betekent dat Merius het houthok al twintig jaar geleden recht heeft om een hypotheekaanvraag af te wijzen en dat de beoordeling van een dergelijke aanvraag aan Merius is geplaatstvoorbehouden. Volgens Ook mag Xxxxxx de uitvoerder heeft de consument voorwaarden voor de afwijzing nimmer gesteld dat het houthok na verstrekking van een financiering tot op zekere hoogte zelf bepalen. Deze contractsvrijheid kan worden beperkt indien sprake is van misbruik van bevoegdheid, schending van de plaatsing twintig jaar geleden, geldende wet- en regelgeving of als Merius in de gegeven omstandigheden van haar vrijheid op een later tijdstip op een andere plek is gezetnaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare wijze gebruik maakt. De uitvoerder meent commissie past de nodige terughoudendheid toe bij een beroep op misbruik van bevoegdheid of een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, gelet op de aard van de artikelen 3:13 BW en 6:248 BW.2 3.4 De commissie is van oordeel dat Xxxxxx voldoende heeft toegelicht waarom zij niet bereid was de huidige stelling ongeloofwaardig derde hypotheek te verstrekken. Kort samengevat voert zij daartoe aan dat een verhoging van een hypothecaire geldlening geen recht is en wellicht beoogt de consument hiermee dat zij ook niet verplicht is om mee te bewerkstelligen dat niet de plaatsing werken aan een verhoging van het houthok ruim twintig jaar geleden, maar de verplaatsing als relevant voorval een lening. Dit staat ook in de zin artikel 4.3 en 5.3 van de voorwaarden zal worden aangemerkten in artikel 3.5 van haar hypotheekgids. Merius kent enkel de onderhandse verhoging en de tweede hypotheek; dit staat ook duidelijk vermeld in de voornoemde bepalingen. Er is bij de eerste en tweede hypotheek van de consumenten geen hogere inschrijving opgenomen. Hierdoor was een onderhandse verhoging niet mogelijk. 3.3 3.5 De commissie is van oordeel dat de inhoud afwijzing van de door hypotheekaanvraag voor de uitvoerder overgelegde correspondentie niet in strijd is met derde hypotheek en de latere stelling afwijzing van – uitsluitend – de verhoging van de consument dat het houthok op een later moment is verplaatst. De consument heeft immers voor de afwijzing niet expliciet verklaard dat het houthok altijd op dezelfde plek heeft gestaan. De consument heeft aangegeven dat het houthok twintig jaar geleden als onderdeel tweede hypotheek door Xxxxxx geen blijk geeft van de gezamenlijke erfafscheiding is geplaatst. De stelling wat betreft de verplaatsing misbruik van het houthok die de consument na de afwijzing innam, moet bevoegdheid en/of naar het oordeel van de commissie worden beschouwd als een nadere duiding van het geschil. 3.4 De uitvoerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is voor het geschil omdat het eerste relevante voorval in de zin van de polis, de plaatsing van het houthok op de thans door de consument niet meer gewenste plek, ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De consument dient aan te tonen, althans aannemelijk te maken dat zich een gedekt evenement binnen de looptijd van de verzekering heeft voorgedaan. De uitvoerder voert aan dat de consument er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het houthok na 2015 is verplaatst door de buurvrouw en deze verplaatsing binnen de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. 3.5 De commissie overweegt dat volgens artikel 2 lid 6 van de voorwaarden een juridisch probleem niet verzekerd is als de gebeurtenis voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden of als de verzekerde voor de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden. Een gebeurtenis is volgens de voorwaarden een voorval waardoor voor de verzekerde een juridisch probleem ontstaat. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de gebeurtenis waardoor het juridisch probleem is ontstaan, dateert van vóór de ingangsdatum van de verzekering. De commissie is van oordeel dat de gebeurtenis die kan worden gezien als het voorval waardoor het juridisch probleem is ontstaan, de verplaatsing van het houthok betreft. 3.6 De vraag die dan aan de orde komt, is of de gebeurtenis, de verplaatsing van het houthok, voor de ingangsdatum van de verzekering heeft plaatsgevonden. Ter zitting is de aard van artikel 2 lid 6 van de voorwaarden, meer specifiek de tweede zin van de bepaling, aan de orde gesteld. De uitvoerder heeft betwist dat de bepaling kwalificeert als een uitsluiting en aangevoerd dat de consument de bewijslast heeft om aan te tonen dat de gebeurtenis tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden. In lid 6 van artikel 2 is bepaald: 3.7 Bij de uitleg van een schriftelijk contract, zoals een verzekering, staat voorop dat van beslissende betekenis zijn: alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1 Over niet onaanvaardbaar is. Bij dit oordeel neemt de commissie mee dat uit de voorwaarden in en de hypotheekgids voldoende duidelijk blijkt dat Xxxxxx enkel een consumenten-verzekeringsovereenkomst wordt meestal niet onderhandeldverhoging of een tweede hypotheek verstrekt. Hebben partijen inderdaad niet onderhandeld over de voorwaarde(n) waarover zij van mening verschillen, dan geldt dat de uitleg van die voorwaarde(n) met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de voorwaarde is gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.2 Deze uitlegmaatstaf is Dat in deze zaak van toepassing. 3.8 Daarbij geldt voorwaarden niet uitdrukkelijk is opgenomen dat bij een consumentenovereenkomstderde hypotheek niet mogelijk is, zoals de onderhavige verzekering, de bepalingen voor de consument duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteldmaakt dit niet anders. 1 HR 25 november 2016GC Kifid 2018-173. 2 GC Kifid 2022-0319. Ook het feit dat Xxxxxx om systeemtechnische redenen niet de mogelijkheid kent om uitsluitend één van de twee bestaande hypotheken over te sluiten, ECLI:NL:HR:2016:2687 overweging 3.6, is onvoldoende om te vinden op xxx.xxxxxxxxxxx.xx 2 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 overweging 3.3.2 oordelen dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid of dat dit naar maatstaven van redelijkheid en HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800 overweging 3.7.5. Bij twijfel billijkheid niet onaanvaardbaar is. 3.6 Wat betreft de uitlatingen van de accountmanager van Xxxxxx over de betekenis van een bepaling gaat verschillende mogelijkheden om de voor de consument meest gunstige uitleg voor. Dit lening te verkrijgen, is de zogenoemde contra proferentem-regel, die is opgenomen in artikel 6:238 lid 2, tweede zin, Burgerlijk Wetboek).3 3.9 De commissie is van oordeel dat deze mededeling erg ongelukkig is geweest en bij de consumenten bepaalde verwachtingen heeft gewekt. Dat zo zijnde oordeelt de commissie echter dat dergelijke uitlatingen op zichzelf onvoldoende zijn voor de consumenten om daaraan een redelijke uitleg van artikel 2 lid 6 recht op een derde hypotheek of verhoging van de voorwaarden meebrengt bestaande lening te ontlenen. Dergelijke uitlatingen vormen nog geen aanbod dat door enkele aanvaarding tot een overeenkomst kon leiden. 3.7 Dat de zinssnede ‘een juridisch probleem is niet verzekerd als de gebeurtenis voor de ingangsdatum afwijzing van de verzekering hypotheekaanvraag bij de consumenten voor grote onvrede heeft plaatsgevonden gezorgd staat vast. Echter, naar objectieve maatstaven bezien kan het handelen van Xxxxxx in de gegeven omstandigheden niet als onrechtmatig of als u voor anderszins ontoelaatbaar worden gezien. Het voorgaande leidt ertoe dat Xxxxxx niet gehouden is de ingangsdatum kon verwachten dat deze gebeurtenis zou plaatsvinden’ moet worden gekwalificeerd als een uitsluiting. Dit brengt mee dat gestelde schade van de consumenten te voldoen, voor zover artikel 2 lid 6 van de voorwaarden op meerdere wijzen kan worden uitgelegd, de voor de consument meest gunstige lezing op grond van artikel 6:238 Burgerlijk Wetboek prevaleert. 3.10 De commissie overweegt dat nu het de uitvoerder is die zich op de uitsluiting beroept ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het aan de uitvoerder is om ter onderbouwing hiervan voldoende feiten en omstandig- heden aan te voeren en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, dit te bewijzen. De uitvoerder is er niet in geslaagd om te bewijzen dat de verplaatsing van het houthok heeft plaatsgevonden voor de ingangsdatum van de verzekering. Daarmee is evenmin aangetoond dat de consument het probleem pas na drie jaar heeft gemeld. De foto waar de uitvoerder in zijn e-mail van 4 oktober 2021 naar verwijst, laat de plek van het houthok niet zien en kan om die reden niet als bewijs dienen. Andere bewijsmiddelen die als bewijs van de stelling van de uitvoerder kunnen dienen heeft de uitvoerder niet overgelegd. 3.11 De commissie komt op grond van bovenstaande tot de conclusie dat de uitvoerder ten onrechte dekking heeft geweigerd voor het gemelde juridisch probleem van de consument. 3.12 De consument heeft een vergoeding gevorderd van € 938,- aan kosten die hij heeft gemaakt als gevolg van de dekkingsafwijzing. 3.13 Nu al vast is zou komen te staan dat onterecht dekking van schade sprake is. De klacht is geweigerd, is ongegrond en de uitvoerder aansprakelijk voor de schade die de consument door deze afwijzing lijdt (zie artikel 6:74 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Hij heeft geen verweer gevoerd tegen de aard vordering van de gevorderde kosten, evenmin tegen de hoogte van de kosten. De commissie consumenten zal deze vordering dan ook in zijn geheel toewijzendaarom worden afgewezen.

Appears in 1 contract

Samples: Hypotheekovereenkomst