Common use of De beoordeling Clause in Contracts

De beoordeling. 5.1. De eerst te beantwoorden vraag is of het Tuchtcollege bevoegd is om van de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Tuchtcollege Beslissing

De beoordeling. 5.14.1 Eiseres heeft zich er in de eerste plaats op beroepen dat aan de formele vereisten van art. De eerst 7.4.2 AMS en art. 3.1.5 CAO voor de Ziekenhuizen (verder: de CAO) voor non-actiefstelling niet is voldaan. Volgens het ziekenhuis hoefde dat in de gegeven omstandigheden niet, althans kan eiseres zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer erop beroepen dat daaraan niet is voldaan. Wat het eerste punt betreft komt het standpunt van het ziekenhuis erop neer dat sprake is geweest van een vrijstelling van arbeid met (stilzwijgend) goedvinden van eiseres. Het ziekenhuis kan daarin niet worden gevolgd. Uit het verslag van het gesprek van 13 juli 2012 kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de vrijstelling van arbeid per direct een besluit van C. was, waarbij hij gebleven is ondanks de wens van eiseres om te beantwoorden vraag is of het Tuchtcollege bevoegd is blijven werken. Dat eiseres er vervolgens voor heeft gekozen om te trachten in onderling overleg te komen tot een oplossing van de ingediende klacht kennis gerezen problemen zonder meteen (rechts)maatregelen te nementreffen die kunnen leiden tot wedertewerkstelling, maakt dat niet anders. Klager beantwoordt Het besluit tot vrijstelling van arbeid moet worden gekwalificeerd als een besluit tot non-actiefstelling. Volgens art. 7.4.2 lid 2 van de AMS is dit besluit slechts geldig wanneer dit onder vermelding van de gronden waarop het berust, binnen tweemaal 24 uur na aanzegging (…), bij aangetekend schrijven aan de medisch specialist is meegedeeld of bevestigd. Het staat vast dat dit niet is gebeurd. Blijkens art. 3.5.1. van de CAO kan de werkgever de werknemer voor maximaal drie weken op non-actief stellen, met een mogelijkheid van verlenging met maximaal drie weken. Aan de non-actiefstelling van eiseres is geen termijn verbonden geweest en vastgesteld moet worden dat die thans reeds veel langer duurt dan zes weken. Verder geldt op grond van art. 7.4.2 lid 1 van de AMS dat non-actiefstelling kan plaatsvinden ‘zoveel mogelijk na raadpleging van (een vertegenwoordiging van) het stafbestuur’. Uit de e-mail van 12 juli 2012 van de beleidsadviseur medische staf aan C. blijkt niet meer dan dat het stafbestuur een onderzoek naar te nemen arbeidsrechtelijke maatregelen aannemelijk acht en graag op de hoogte wordt gehouden. Dat de medische staf is geraadpleegd over een voorgenomen besluit tot non-actiefstelling blijkt daaruit niet. Niet juist is dat eiseres zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet (meer) kan beroepen op de niet-inachtneming van deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendvereisten. Dat eiseres zich niet eerder (in rechte) heeft verzet tegen de non- actiefstelling met een beroep op het niet voldaan zijn aan deze vereisten is daarvoor onvoldoende. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking 4.2 Verder heeft op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt eiseres zich op het standpunt gesteld dat de vigerende Statuten en overige reglementen aangevoerde redenen geen omstandigheden van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien zodanig ernstige aard zijn dat onmiddellijke feitelijke beëindiging van de rol werkzaamheden die de medisch specialist verricht noodzakelijk moet worden geacht. Het ziekenhuis heeft dat standpunt bestreden. Aan de non-actiefstelling heeft het ziekenhuis blijkens het gespreksverslag van 13 juli 2012 drie incidenten ten grondslag gelegd. Het eerste incident betreft een aspirant ten opzichte waarschuwing aan eiseres bij brief van 26 mei 2010 omdat zij de afdeling nucleaire geneeskunde had geïnformeerd over een gekwalificeerd (senior) lid mogelijke wijziging in de operationele leiding van NOABdie afdeling wegens disfunctioneren van het paramedisch hoofd F., waarmee zij de aanpak van de kwestie zoals die het management voor ogen stond, heeft doorkruist. En ▇▇▇▇▇▇▇ heeft betwist dat verhindert - aldus betrokkene - de toedracht zo is geweest. Hoe die wel is geweest kan in het midden blijven, omdat ook indien de lezing van het ziekenhuis juist is, het op zichzelf niet een omstandigheid van zodanig ernstige aard is dat klager onmiddellijke beëindiging van de werkzaamheden noodzakelijk moet worden geacht. Non-actiefstelling op die grond heeft destijds ook niet plaatsgevonden. 4.3 Het tweede incident betreft de doorverwijzing in de maand december 2011 door eiseres van patiënten voor een PET-CT scan naar het I.-Ziekenhuis te X. in plaats van naar het H. te W.. De kern van het verwijt van het ziekenhuis aan eiseres is dat zij dit heeft gedaan ondanks het dringende verzoek bij brief van 7 oktober 2011 de PET-CT-scan afname bij het H. tot het afgesproken niveau te hervatten. Eiseres stelt dat zij in de eerste week van december 2011 van het H. te horen had gekregen dat de PET-CT apparatuur buiten gebruik was voor reparatie of onderhoud en dat zij toen in het kader van goede zorgverlening en met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich het oog op het standpunt patiëntbelang, patiënten naar het I.-Ziekenhuis heeft verwezen. Volgens het ziekenhuis had eiseres dat ook op een aspirant van NOAB niet zonder overleg met de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, leiding van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3afdeling BVT mogen doen en had het H. maar een oplossing moeten zoeken. Gelijk Hoewel eiseres er zeker beter aan had gedaan niet zonder overleg met de leiding naar het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehoudenI.-Ziekenhuis door te verwijzen, is het Tuchtcollege feit dat zij dat onder de gegeven omstandigheden heeft gedaan ondanks de instructie bij brief van oordeel 7 oktober 2011, op zichzelf evenmin een omstandigheid van zodanig ernstige aard als bedoeld in art. 7.4.2 lid 1 AMS. Aantekening daarbij verdient dat het, zoals eiseres heeft aangevoerd, meestal gaat om oncologische patiënten voor wie het van groot belang is zo snel mogelijk zekerheid te hebben. Overigens bestond er kennelijk met het I.-Ziekenhuis ook een op dat moment nog geldende overeenkomst voor het in opdracht van het ziekenhuis maken van PET-CT-scans en werden patiënten voorafgaande aan de brief van 11 oktober 2011 in verband met kwaliteitsproblemen in het H., naar het I.-Ziekenhuis verwezen. 4.4 Het derde incident heeft te maken met deelname door eiseres aan het zogenoemde M.-overleg in de eerste helft van 2012. Dat was een overleg tussen deelnemers van verschillende ziekenhuizen om te onderzoeken of gezamenlijke aanschaf van PET-CT apparatuur mogelijk was. ▇▇▇▇▇▇▇ heeft aan dat overleg deelgenomen op uitnodiging van de initiatiefnemer ▇., die als internist-oncoloog aan het ziekenhuis is verbonden. Het ziekenhuis was ervan op de hoogte dat dit overleg hierover plaatsvond, maar stelt niet te hebben geweten dat eiseres namens het ziekenhuis daaraan deelnam. Het ziekenhuis verwijt eiseres in wezen tweeërlei: Ten eerste dat zij aan dat overleg is blijven deelnemen na het gesprek van 21 juni 2012. Ten tweede dat zij tijdens een bijeenkomst van het M.-overleg op 2 juli 2012 desgevraagd heeft gezegd dat de prijs van een scan tussen de € 600,- en € 800,- zou bedragen. Wat betreft het eerste kan thans niet worden vastgesteld dat het gelijk eiseres op grond van het gesprek van 21 juni 2012 zonder meer duidelijk moest zijn dat zij haar lopende deelname aan het M.-overleg moest afbreken. Ten aanzien van het tweede punt heeft het ziekenhuis gesteld dat het noemen van een prijs voor haar zeer schadelijk was in verband met het lopende aanbestedingstraject voor de inkoop van PET-CT scans. Het noemen van prijzen door eiseres in dat overleg was zonder twijfel niet handig en dat het ziekenhuis daardoor in een positie kan komen waarin het nadeel hiervan ondervindt, is aannemelijk. Dat het ziekenhuis feitelijk ernstig nadeel, in wat voor opzicht dan ook, heeft geleden, heeft het niet voldoende kunnen concretiseren. Net zo min als de stelling dat eiseres met haar uitlating over de prijs (mogelijk) een economisch delict zou hebben begaan. Ook van deze kwestie kan niet, ook niet in onderling verband en samenhang met de beide eerdere, worden gezegd dat het omstandigheden van zodanig ernstige aard zijn dat onmiddellijke beëindiging van de werkzaamheden noodzakelijk moet worden geacht. 4.5 Meer in het algemeen geldt dat het telkens gaat om kwesties waarin eiseres verweten wordt zich ten onrechte te mengen in managementtaken of te handelen in strijd met organisatorische instructies. Niet gesteld of gebleken is dat er tussen eiseres en het overige medische personeel van de afdeling BVT enig samenwerkingsprobleem bestaat, noch dat er enig gevaar voor de patiëntveiligheid bestaat of dat er op eiseres vakinhoudelijk iets valt aan te merken. De verklaringen die door het ziekenhuis zijn overgelegd zijn uitsluitend afkomstig van leidinggevenden die verklaren over problemen die zij ondervinden met eiseres bij het management van bedrijfsvoering en organisatie. Hoewel dat problemen kunnen zijn die aan een vruchtbare samenwerking in de weg kunnen staan, zijn deze problemen die in de vorm van de drie incidenten die aan de zijde non-actiefstelling ten grondslag zijn gelegd, niet omstandigheden van betrokkene iszo ernstige aard dat onmiddellijke beëindiging van de werkzaamheden noodzakelijk moest worden geacht. De conclusie moet zijn dat procedureel en inhoudelijk niet aan de voorwaarden voor de non-actiefstelling is voldaan. Eiseres heeft er belang bij dat zij haar werkzaamheden kan hervatten en dat een ernstige en diffamerende maatregel als non- actiefstelling niet langer voortduurt. Terugkeer van een op non-actief gestelde medisch specialist tegen wie nog een ontbindingsprocedure loopt, is voor het ziekenhuis ongetwijfeld ongemakkelijk. Dat een terugkeer van eiseres tot een onwerkbare situatie in het ziekenhuis zal leiden en/of anderszins belangen van het ziekenhuis onevenredig dreigen te worden geschaad, is gezien het voorgaande niet aannemelijk. Er is dan ook geen reden waarom werkhervatting achterwege zou moeten blijven in afwachting van de uitkomst van de behandeling van het ontbindingsverzoek van het ziekenhuis. Op de beoordeling van dat ontbindingsverzoek wordt hier niet vooruitgelopen. Voor een non-actiefstelling gelden afzonderlijke vereisten, waaraan niet is voldaan. De vordering tot -kort gezegd- wedertewerkstelling zal daarom worden toegewezen, zoals hierna te vermelden. 5.44.6 Wat betreft de gevorderde doorbetaling van de complementaire bijdrage medisch specialist manager II geldt het volgende. Het Tuchtcollege grondt staat vast dat die bijdrage aan eiseres in 2009 is toegekend op grond van haar oordeel op takenpakket. Dat, wanneer en in welk opzicht dit takenpakket zodanig is gewijzigd dat eiseres die bijdrage niet langer toekomt is door het ziekenhuis niet voldoende duidelijk gemaakt. In de volgende bepalingenbrief van 8 juni 2012 schrijft ▇. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt wel dat “Aspiranten zijn degenen ‘ons is gebleken’ dat die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschaptaken ‘niet (meer) tot uw takenpakket behoren’, maar geen lid zijn een onderbouwing of toelichting daarvan ontbreekt. Er is daarom aanleiding het ziekenhuis bij wege van voorlopige voorziening te veroordelen die bijdrage te blijven uitbetalen. In de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen ontbindingsprocedure kan het ziekenhuis deze kwestie desgewenst opnieuw aan de statuten, reglementen en besluiten van orde stellen. 4.7 Het ziekenhuis zal worden veroordeeld in de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 kosten van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 Scheidsgerecht en tevens worden veroordeeld aan eiseres een bedrag te betalen van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem € 3.500,- als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort vergoeding voor de zitting heeft de griffier kosten van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijdenrechtsbijstand. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Kort Geding Vonnis

De beoordeling. 5.14.1. De eerst te beantwoorden vraag is Het handelen en/of het Tuchtcollege bevoegd is om van nalaten waarop de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). 4.2. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft betoogd dat de repliek van klaagster meer het karakter heeft van een nieuw klaagschrift dan een reactie op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022)zijn verweerschrift. Betrokkene stelt zich op het standpunt verzoekt de Accountantskamer de in de repliek opgenomen klachtonderdelen die een verruiming van de oorspronkelijke klacht impliceren, niet-ontvankelijk te verklaren. 4.3. In de Memorie van Toelichting van de Wet tuchtrechtspraak accountants (kamerstukken 30 397, nr. 3, pagina 11) is opgenomen dat van belang is dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van de rol onderdelen van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOABklacht tijdig worden ingebracht zodat de betrokken accountant voldoende mogelijkheden heeft zich daartegen te verweren. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder De Accountantskamer is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat betrokkene in dit geval voldoende gelegenheid heeft gehad zich tegen de nieuwe klachtonderdelen te verweren. Hij heeft ook van die gelegenheid gebruik gemaakt. Voor het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene isniet-ontvankelijk verklaren daarvan is dan ook geen aanleiding. 5.4Klachtonderdeel a: door de aan klaagster toekomende vergoedingen niet te voldoen heeft betrokkene een onrechtmatige daad gepleegd. Het Tuchtcollege grondt Andere crediteuren zijn wel betaald. Ook heeft betrokkene zichzelf een exorbitante managementfee toegekend. Door dit alles is klaagster benadeeld. 4.4. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft daartegen ingebracht dat de vordering van klaagster op [BV2] pas op 22 augustus 2019 is ontstaan. Toen was hij geen bestuurder meer. Daar komt bij dat [BV2] geen liquide middelen meer had en niet kon betalen. De Accountantskamer overweegt dat betrokkene niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat de vordering van klaagster eerst na zijn vertrek als bestuurder is ontstaan, zodat dit hem in zoverre niet kan baten. Anderzijds moet de Accountantskamer vaststellen dat klaagster geen van haar oordeel op stellingen heeft onderbouwd. Zo de volgende bepalingenstelling van klaagster dat betrokkene “bewust” andere crediteuren wel en haar niet heeft betaald, al juist is, dan betekent dit geenszins dat betrokkene daardoor onzorgvuldig dan wel anderszins in strijd met de voor hem geldende gedragsregels heeft gehandeld. Artikel 4, lid 2, van Dat de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschapmanagementfee veel hoger is dan destijds is afgesproken evenmin. In de door klaagster in geding gebrachte management overeenkomst daterend uit 2005 is inderdaad een lagere vergoeding opgenomen, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan overeenkomst bevat een bepaling dat de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaardvergoeding jaarlijks kan worden herzien.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Accountantskamer Uitspraak

De beoordeling. 5.1in het incident en in de hoofdzaak 4.1. De eerst te beantwoorden vraag rechtbank is of het Tuchtcollege bevoegd is om van de ingediende klacht vorderingen kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendnemen reeds omdat die bevoegdheid niet is bestreden (artikel 110 Rv). 5.24.2. Betrokkene voert ter ondersteuning Ter comparitie hebben partijen ingestemd met het opmaken van zijn standpunt aan het proces-verbaal buiten hun aanwezigheid. Met partijen is afgesproken dat zij uitsluitend eventuele feitelijke onjuistheden in het proces-verbaal en/of daarin onverhoopt niet- opgenomen wezenlijke stellingen binnen zeven dagen na dagtekening kenbaar mogen maken. OTB c.s. heeft bij brief van 21 juli 2011 een aantal wijzigingen voorgesteld, die, zoals ▇▇▇▇▇▇ c.s. in haar reactie van 25 juli 2011 terecht opmerkt, niet zozeer niet-opgenomen wezenlijke stellingen en/of feitelijke onjuistheden betreffen, doch meer het karakter hebben van aanvullingen op ingenomen stellingen (het zogenaamde ‘napleiten’). Die wijzigingen zullen derhalve worden geweigerd. Dat is slechts anders wat de achternaam van de op de zitting namens ▇▇▇▇▇▇ c.s. aanwezige [K] (in plaats van het in het proces-verbaal onjuiste gespelde ‘[K]’) betreft. Ook het punt van OTB c.s. (in reactie op opmerkingen dienaangaande van de zijde van ▇▇▇▇▇▇ c.s.) dat de rechtbank de grondslag onvoorziene omstandigheden kan gebruiken, zal als wijzigingsverzoek worden toegestaan, mede nu zulks door ▇▇▇▇▇▇ c.s. in haar reactie van 25 juli 2011 ook niet specifiek is bestreden. De brieven van de raadslieden van partijen worden aan het griffiedossier toegevoegd. 4.3. In deze zaak draait het om de vraag of Lemnis, zoals OTB c.s. stelt maar ▇▇▇▇▇▇ betwist, tekort is geschoten in een tussen partijen gesloten overeenkomst, omtrent de inhoud waarvan partijen van mening verschillen. 4.4. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat het bij beoordeling van de vraag wat de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst is, aankomt op 5 december 2022 de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de beoordeling zijn in de onderhavige zaak de volgende omstandigheden van belang. 4.5. De MoU (vgl. r.o. 2.5.) zag op het vervaardigen door klager ingediende klacht betrekking heeft OTB c.s. van een machine waarmee lichtbronnen konden worden geproduceerd. Het business model van ▇▇▇▇▇▇, die octrooiaanvragen had gedaan voor – kort gezegd – LED verlichtings- configuraties, bestond erin dat zij derden licenties zou verlenen onder haar octrooien voor het maken van lichtbronnen en dat derden daarvoor tegen een jaarlijkse licentievergoeding een machine zouden kunnen leasen. Bovendien zou dan een licentievergoeding per met de machine geproduceerde lichtbron aan ▇▇▇▇▇▇ verschuldigd zijn. OTB c.s. zou, naast een door Lemnis te betalen 5% marge bovenop de kostprijs van de machine, over beide vergoedingen een percentage ontvangen. De percentages zijn genoemd in een aan de MoU gehechte annex. Hierover bestaat tussen partijen geen verschil van mening (vgl. paragrafen 7 en 25 dagvaarding; paragraaf 3.7 conclusie van antwoord). 4.6. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de MoU uit november 2005 de samenwerking zoals die medio 2006 plaatsvond, niet langer volledig dekte en inhoudelijk niet langer de juiste afspraken weergaf (vgl. bijv. de weergave van het gesprek op 20 november 2006 (r.o. 2.10.); de interne memo van [F] (r.o. 2.12.); de notitie van [D] van 29 januari 2007 naar aanleiding van het gesprek op 15 januari 2007 (r.o. 2.13.); en voorts: paragraaf 8 pleitnota OTB c.s.; paragraaf 2.6 pleitnota Lemnis). Partijen hebben in januari 2007 geconstateerd dat hun samenwerking zich had uitgebreid tot drie niveaus: i) het opzetten van de efficiënte productie van groene dice, ii) het maken van een lichtbronmachine waarbij werd uitgegaan van de uitgangspunten en financiële vergoedingen zoals verwoord in de MoU en iii) de productie en ontwikkeling van producten op basis van de Lemnis technologie zoals de Pharox-lamp en kas- en straatverlichting. Ten aanzien van deze laatste categorie van samenwerking is overeengekomen dat OTB c.s. de manuren betaald krijgt en “10% van de door Lemnis ontvangen royalty op de gebruikte lichtbron”. Ten aanzien van de Pharox-lamp zijn partijen overeengekomen, gezien de bijdrage van OTB bij de totstandkoming daarvan, de “royalty per lichtbron per Pharox (E27) te verhogen tot 20% van de door Lemnis ontvangen royalty”. Dit is in de notitie van [D] naar aanleiding van de bespreking op 15 januari 2007 zo verwoord en blijkens de e-mail van [F] van 30 januari 2007 (vgl. r.o. 2.14.) ook aanvaard. 4.7. In confesso is dat aan de niveau’s 1 en 2 door partijen geen uitvoering is gegeven. Het geschil spitst zich toe op de beloningssystematiek op het derde niveau. Tussen partijen bestaat namelijk verschil van mening over de inhoud van de gemaakte afspraken. 4.8. Naar de kern genomen stelt OTB c.s. dat haar aanspraak op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog percentage van de aspirantroyaltieswas bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat derde niveau, geheel los staat van de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden afspraken gemaakt op de andere niveaus, met name die ten aanzien van de rol vervaardiging van een aspirant ten opzichte lichtbronmachine, waarbij partijen, blijkens de afspraken eind 2006/begin 2007 van de MoU als vertrekpunt zijn blijven uitgaan. Dat de lichtbronmachine niet is vervaardigd en geleverd (over de redenen daarvan lopen de meningen overigens uiteen), laat onverlet, aldus OTB c.s., dat zij recht heeft op de op het derde niveau overeengekomen “royalties” (vgl. paragraaf 86 dagvaarding; paragraaf 8 pleitnota OTB c.s.). OTB c.s. verwijst in dat verband ook nog naar de concept Cooperation Agreement. In artikel 6 (“Further cooperation”) van het concept (vgl. r.o. 2.16.) is de royaltyvergoeding volgens OTB c.s. niet gekoppeld aan de lichtbron geproduceerd op de machine. Dit artikel heeft ongewijzigd in een gekwalificeerd aantal uitgewisselde concepten gestaan. Eerst medio november 2007 is die koppeling door toevoeging van de zinsnede “In case OTB produces Light Source Machines, [etc.]” in artikel 6.3. sub b van het concept door ▇▇▇▇▇▇ aangebracht (seniorvgl. r.o. 2.29.), hetgeen – zo begrijpt de rechtbank de stellingen van OTB c.s. ter zake – een extra aanwijzing is dat de koppeling partijen in januari 2007 nooit voor ogen heeft gestaan. 4.9. ▇▇▇▇▇▇ heeft de stellingen van OTB c.s. op het punt van de beloningssystematiek op het derde niveau gemotiveerd betwist. In haar visie gaat het om een percentage van de door ▇▇▇▇▇▇ te ontvangen royalties op de gebruikte lichtbron, in welk verband zij verwijst naar de MoU en de notitie van [D] van 29 januari 2007. Lemnis zou slechts royalties kunnen ontvangen, indien lichtbronnen zouden kunnen worden geproduceerd met behulp van de door OTB te ontwikkelen lichtbronmachine. Omdat die machine er niet is gekomen, moet Lemnis lichtbronnen bij derden inkopen. Zij heeft, aldus nog steeds Lemnis, de afgelopen jaren geen royalties op lichtbronnen van derden ontvangen en behoeft dus ook geen percentage van niet-ontvangen royalties aan OTB c.s. af te dragen (“10% of 20% van nul is immers ook nul”). 4.10. De rechtbank overweegt dat uit een zuiver taalkundige uitleg van de afspraak in januari 2007 (vgl. r.o. 2.13.) lid en de concept Cooperation Agreement geen steun valt te vinden voor het standpunt van NOABOTB c.s. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes de vergoedingsstructuur op het derde niveau losstaat van de door OTB c.s. ingevolge de afspraken op het tweede niveau (en de MoU) te ontwikkelen lichtbronmachine. Partijen zijn in hun onderlinge correspondentie consequent de terminologie “royalties” blijven gebruiken, hetgeen – gezien het (oorspronkelijke) business model van Lemnis – erop zou kunnen klagen over duiden dat de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is lichtbron in de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt derde niveau te produceren LED lampen vervaardigd zou worden door de lichtbronmachine op het tweede niveau. Ook de concept Cooperation Agreement biedt vooralsnog onvoldoende steun voor de visie van OTB c.s. ter zake. Weliswaar is juist dat ook op een aspirant eerst in november 2007 van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene is▇▇▇▇▇▇ een wijziging is voorgesteld ten aanzien van artikel 6.3. sub b (zie r.o. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Vonnis

De beoordeling. 5.14.1 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de stichting haar prealabele verweer inzake de bevoegdheid van C. om op te treden namens eisers, niet langer gehandhaafd. Deze bevoegdheid blijkt afdoende uit door eisers ingezonden verklaring van erfrecht en machtiging. 4.2 Het tweede prealabele verweer van de stichting houdt in dat eisers niet een voldoende nauwkeurig omschreven vordering hebben ingesteld en dat ook de grondslag van de vordering – hoe deze ook luidt – ongewis is. Inderdaad ontbreekt in de memorie van eis een duidelijke, welomschreven vordering. Uit die memorie en de ter zitting gegeven verdere toelichting blijkt dat het eerste onderdeel van de vordering van eisers ertoe strekt dat het Scheidsgerecht voor recht verklaart dat zij jegens de stichting aanspraak hebben op een vergoeding wegens de goodwill die aan de praktijk van A. verbonden was en dat deze vergoeding dient te worden berekend volgens de gebruikelijke maatstaven van de OMS. Ook is gebleken dat eisers dit onderdeel van hun vordering, alsmede de overige onderdelen daarvan, baseren op de stelling dat de stichting op grond van de toelatingsovereenkomst van A., dan wel op grond van de verplichting tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, gehouden is tot betaling van die goodwillvergoeding. Het Scheidsgerecht is van oordeel dat deze strekking van de vordering en de grondslag daarvan voor de stichting voldoende duidelijk waren en (in elk geval) zijn. Het hier besproken, door de stichting gehandhaafde, verweer treft dus geen doel. 4.3 Bij de beoordeling van de vordering gaat het Scheidsgerecht er veronderstellenderwijs van uit dat A. en D., in de door hen in maatschapsverband uitgeoefende specialistische praktijk, inderdaad, zoals eisers stellen, goodwill – in de zin van op zichzelf op geld waardeerbare verdiencapaciteit – hadden opgebouwd. In dat geval zouden eisers mogelijk een aanspraak op vergoeding terzake hebben (gehad) tegenover D.. Na het eindigen van de maatschap door het overlijden van ▇. heeft D. immers feitelijk de voor gezamenlijke rekening gedreven praktijk voortgezet in de vorm van een solopraktijk, met dien verstande dat hij, naar tussen partijen vaststaat, een of enkele waarnemers heeft aangetrokken om het praktijkdeel van ▇. voort te zetten. De eerst te beantwoorden vraag hier veronderstelde goodwill is zo bezien dus feitelijk bij D. verbleven. Voor een eventuele vergoeding voor A.’ aandeel in die goodwill hadden eisers zich primair tot hem kunnen wenden. Dit strookt met de hoofdregel dat goodwill voor vrijgevestigde medisch specialisten in beginsel een zaak van en voor die specialisten onderling is. Het staat vast dat eisers zich ook tot D. hebben gewend, maar ook dat die contacten niet tot enigerlei regeling hebben geleid. Het Scheidsgerecht kan overigens binnen het verband van deze procedure, die wordt gevoerd tussen de erven A. en de stichting, geen enkel oordeel geven over de gerechtvaardigdheid of kans van slagen van een eventuele vordering van eisers tegen D., die immers buiten deze procedure staat. Mogelijk heeft ▇. deugdelijke verweren tegen een eventuele aanspraak van eisers jegens hem. 4.4 In deze zaak gaat het Tuchtcollege bevoegd om de mogelijke aanspraak van ▇▇▇▇▇▇ tegenover de stichting. In bijzondere gevallen kan de Stichting jegens (de erven van) een toegelaten specialist aansprakelijk zijn voor uitbetaling van een vergoeding wegens verloren gegane goodwill. Onderzocht moet dus worden of zo’n bijzonder geval, waarbij een uitzondering wordt gemaakt op de in 4.3 vermelde hoofdregel, zich hier voordoet. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als er bijzondere afspraken met de stichting zijn gemaakt, of als de stichting haar zorgplicht tegenover (de erven van) een toegelaten medisch specialist heeft verzaakt of zich omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat de goodwill zonder enige tegenprestatie aan de stichting ten goede is om gekomen. 4.5 Er zijn enkele omstandigheden die wijzen op de aanwezigheid van een dergelijk bijzonder geval. In de eerste plaats vermeldt de eerste volzin van artikel 17.2 van de ingediende klacht kennis toelatingsovereenkomst, met het opschrift “Goodwill”, een recht op goodwill, dat slechts niet bestaat als het tegendeel schriftelijk is vastgelegd. Tussen partijen staat vast dat tussen de stichting en A. dat tegendeel (te nemenweten: geen recht op goodwill) niet schriftelijk is vastgelegd. Klager beantwoordt De tweede volzin van dit artikel houdt weliswaar in dat aan deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning (nieuwe) tekst van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden toelatingsovereenkomst ten aanzien van de rol goodwill niet méér rechten kunnen worden ontleend dan bij het aangaan van deze overeenkomst bestonden, maar deze bepaling sluit het bestaan van zo’n (eerdere) aanspraak niet uit. In de tweede plaats verwijst de door de stichting zelf geplaatste advertentie voor de opvolging van ▇. naar “de richtlijnen van de OMS”. Deze richtlijnen hebben in het bijzonder betrekking op de wijze van berekening van goodwill. De stichting heeft wel gesteld dat de aangehaalde richtlijnen ook andere onderwerpen betreffen, maar zij heeft daarvan geen voorbeelden genoemd. De advertentietekst lijkt dus te impliceren dat de gezochte opvolgers goodwill zouden moeten betalen. In de derde plaats is van belang dat de stichting, naar eisers onweersproken hebben aangevoerd, geen contact heeft opgenomen met C. of haar adviseurs om te spreken over de opvolging en de eventueel daarbij te bedingen goodwill. Daardoor waren eisers ook niet in de positie om met de kandidaten voor de vacature te spreken over de door hen gepretenteerde aanspraak op goodwill. 4.6 Tegenover deze aanwijzingen staan echter andere – en zwaarder wegende – aanwijzingen in andere richting. Van belang is allereerst dat ▇. zelf, bij zijn toelating of bij het aangaan van zijn samenwerking met ▇., geen goodwill heeft behoeven te betalen. Uit niets blijkt dat hij gedurende die samenwerking ooit het aspect van mogelijke goodwill heeft besproken. Het maatschapscontract houdt ook niets in over goodwill. Eisers hebben in de memorie van eis gesteld dat deze overeenkomst “uit[ging] van een aspirant ten opzichte goodwillrecht”, maar dat blijkt uit niets. Vermelding verdient voorts dat ▇., bij zijn vertrek uit het ziekenhuis, geen goodwill van een gekwalificeerd (seniorzijn opvolger(s) lid heeft bedongen. Het is niet bekend welke redenen hij daarvoor heeft gehad, maar dit gegeven wijst niet op enigerlei afspraak of gedragslijn waarbij goodwill werd vergoed. Ten slotte is van NOAB. En belang dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, moet worden aangenomen – aan degenen die naar aanleiding van de Statuten NOABadvertentie in 2001 tot het ziekenhuis zijn toegelaten, geen goodwill is gevraagd en dat zij die (dus) ook niet hebben betaald. Dit alles impliceert dat alle betrokkenen er door de jaren heen van zijn uitgegaan dat de praktijk van ▇. “goodwillvrij” was, zelfs als er, zoals deze luiden per 1 juli 2013hier wordt verondersteld, feitelijk wel goodwill is opgebouwd. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot 4.7 Het feitelijke gedrag van de mondelinge behandeling hier genoemde betrokkenen maakt het aannemelijk dat de tekst van artikel 17.2 van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, toelatingsovereenkomst en die van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn advertentie slechts standaardformuleringen hebben bevat en niet de uitdrukking waren van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan gedachte dat er wel degelijk sprake is (verrekenbare) goodwill was. Gelet daarop kan aan het niet opnemen van een verschil contact met eisers in aanpak verband met de opvolging, wat daarvan verder ook zij, geen argument van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen betekenis worden ontleend voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaardde kwestie die hier aan de orde is. Onder die omstandigheden kan Bij de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, tekst van de statuten NOAB leidt naar eerste volzin van artikel 17.2 kan nog worden opgemerkt dat daarin niet is vermeld jegens wie de medisch specialist het oordeel van het Tuchtcollege niet tot hier bedoelde recht op goodwill heeft. Deze tekst houdt niets in over een andere conclusiedesbetreffende aanspraak tegenover de stichting. 5.6. De 4.8 Het voorgaande brengt het Scheidsgerecht tot de slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen de vordering van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet eisers in al haar alle onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist afgewezen. Dit betekent tevens dat niet behoeft te worden vastgesteld of de in 4.3 vermelde veronderstelling juist is. 4.9 Bij deze uitkomst dienen eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten van het Scheidsgerecht te dragen. Deze worden begroot op het hierna is vermeldin 5.2 te vermelden bedrag. 4.10 Voor een veroordeling van eisers tot betaling van (een tegemoetkoming in) de kosten van rechtsbijstand van de stichting bestaat onvoldoende grond. Daarbij speelt een rol dat de in 4.5 genoemde uitingen en gedragingen van de stichting op zijn minst genomen verwarrend zijn geweest ten aanzien van het al dan niet bestaan van een aanspraak op goodwill. Daarom zal worden bepaald dat iedere partij de eigen kosten voor rechtsbijstand dient te dragen.

Appears in 1 contract

Sources: Scheidsgerecht Gezondheidszorg

De beoordeling. 5.1. De eerst te beantwoorden vraag is of Raad constateert dat in het Tuchtcollege bevoegd is om verweerschrift onder meer uitdrukkelijk wordt gesteld en mitsdien erkend: “[X] erkent dat bij de verkoop van de ingediende klacht kennis te nemenwoning [adres 1] niet conform de NVM Meetinstructie het woonoppervlak is opgenomen en vermeld.” en voorts: “Het is ook juist dat bij het identieke buurpand [adres 2] niet conform de NVM Meetinstructie is gehandeld. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendBeide woningen zijn rondom 2002 gebouwd en [X] heeft destijds de woningen voor de ontwikkelaar verkocht. Bij de inverkoopname van nummer [2] in 2013 en nummer [1] in mei 2016 is het woonoppervlak overgenomen uit de verkoopstukken van 2002. Dat is niet juist en zal ook niet meer gebeuren. ” en tenslotte: Die stellingen zijn tijdens de zitting van 10 oktober zowel door de gemachtigde van beklaagden als door de heer S. expliciet bevestigd. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning Naar het oordeel van de Raad staat aldus vast dat met betrekking tot de percelen c.q. panden [adres 1, 2 en 3], de meetinstructie niet is nageleefd en dat er bij de verkoop van die panden inderdaad niet de juiste woonoppervlakten –de Raad begrijpt overigens dat met “woonoppervlakte “ gebruiksoppervlakte is bedoeld- zijn standpunt vermeld c.q. genoemd. 5.3. De omstandigheid dat, zoals in het verweerschrift wordt gesteld, “…. het woon- oppervlak (is) overgenomen uit de verkoopstukken van 2002.” Doet aan het voren- staande niet af. Die omstandigheid geeft namelijk wel een verklaring, maar geen rechtvaardiging voor de foutieve maten. Een makelaar heeft zich immers steeds te houden aan de NVM meetinstructie. Dit impliceert dat hij zich er steeds, dus óók als hem door zijn opdrachtgever en/of iemand anders maten van een object worden opgegeven, van dient te vergewissen dat die maten juist zijn. Anders gezegd: het is en blijft de verantwoordelijkheid van de NVM-makelaar om de maten van een object volgens de in de meetinstructie aangegeven methode te berekenen en/of te checken 5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de in de klachtbrief als “Klacht 1, Klacht 2, Klacht 3 en Klacht 4” omschreven onderdelen van de klacht , die immers specifiek betrekking hebben op het feit dat bij verkoop van de percelen/panden [adres 1 en 2] de meetinstructie niet is nageleefd en dat er bij de verkoop van die percelen/panden onjuiste woonoppervlaktematen zijn vermeld c.q. genoemd, gegrond zijn. 5.5. Uit het vorenstaande volgt voorts dat ook het in de klachtbrief als “Klacht 5” omschreven onderdeel van de klacht, voor zover daarmee geklaagd wordt over het feit dat (ook) bij de verkoop van het perceel/pand [adres 3] de meetinstructie niet is nageleefd en een onjuiste woonoppervlakte is vermeld, gegrond is. 5.6. Het in de klachtbrief als “Klacht 5” omschreven onderdeel van de klacht, heeft echter een breder strekking en derhalve overweegt de Raad over “Klacht 5” verder het navolgende. 5.7. Blijkens de eerste volzin van “Klacht 5”, die luidt: “Klagers hechten er aan expliciet te benadrukken, dat hun bekend is dat de meetinstructie vaker niet of niet goed is/wordt gevolgd door beklaagde! “ en de slotzin van de derde alinea op blad 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft van de klacht- brief, die luidt: “Dat is geen nalatigheid meer, dit is gewoon pure oplichting!”, alsook hun op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt de zitting op 10 oktober gegeven mondelinge toelichting, stellen klagers zich op het standpunt dat beklaagde de vigerende Statuten Meetinstructie stelselmatig en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes doelbewust niet zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013hebben nageleefd/naleven. 5.35.8. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de De klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4bevat aldus ook een naar zijn aard en inhoud “zware” beschuldiging. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschapUiteraard mag/kan een klacht een dergelijk beschuldiging bevatten, maar geen lid zijn een veroordeling op grond van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen zo’n “zware” beschuldiging en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt daarbij passende tuchtrechtelijke maatregel kán/mág naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom de Raad slechts volgen indien onomstotelijk is komen vast te staan dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijdenbeschuldiging juist is. 5.9. Op De Raad constateert op grond van al de door klagers tijdens de zitting op 10 oktober 2017 gegeven mondelinge toelichting dat zij “Klacht 5” baseren op het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeldfeit dat beklaag- de, zoals klagers in hun klachtbrief en tijdens de zitting hebben betoogd, “….niet éénmaal, niet tweemaal, maar driemaal de zaken verkeerd (hebben) voorgesteld.”.

Appears in 1 contract

Sources: Real Estate Sale Agreement

De beoordeling. 5.1. De eerst te beantwoorden vraag Raad constateert allereerst dat de klacht kennelijk wordt ingegeven door de schade die volgens klager door hem en zijn partner is of het Tuchtcollege bevoegd geleden. Blijkens de klachtbrief, de door klager overgelegde stukken en de mondelinge toelichting daarop, is om de klacht dan ook vooral gericht op vergoeding van de ingediende klacht kennis te nemendie schade. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendHet verweer concentreert zich daar logischerwijs dus óók op. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning De vraag óf klagers als gevolg van zijn standpunt aan het feit dat zij minder vierkante meters woon‐ en terrasoppervlakte geleverd hebben gekregen dan zij dachten te verkrijgen, daadwerkelijk schade hebben geleden en zo ja, óf en in hoeverre die schade rechtens al dan niet door beklaagde behoort te worden vergoed is niet van tuchtrechtelijke, maar van civielrechtelijke aard. Op grond van de wet is dus niet de Raad, maar slechts de gewone rechter bevoegd om daarover te oordelen. 5.3. De Raad zal daar dan ook geen oordeel over (kunnen) geven en de klacht, voor zover die gericht is op 5 december 2022 het verkrijgen van een oordeel over enige mogelijk door klager ingediende geleden schade c.q een veroordeling van beklaagde tot betaling van schadevergoeding aan klager niet ontvankelijk verklaren. 5.4. De klacht is echter wél ontvankelijk voor zover die betrekking heeft op het feit dat beklaagde zich volgens klager niet heeft “…gehouden aan de zorgvuldigheidsplicht”, zulks met name door onjuiste informatieverstrekking in de verkoopbrochure en op Funda 5.5. De Raad overweegt wat dat betreft allereerst dat het verweer van beklaagde dat hij slechts een daaraan voorafgaande periode beperkte opdracht had zonder meer faalt. Ingevolge artikel 1 van de Erecode NVM is het Deze regel geldt algemeen en steeds, dus óók als een makelaar een beperkte opdracht heeft. 5.6. De Raad overweegt wat dat betrokkene nog “aspirant” was betreft vervolgens dat: i.) in de als bijlage 1 bij NOAB de klachtbrief overgelegde verkoop‐brochure uitdrukkelijk een woon‐oppervlakte van 200 m2, een oostelijk terras van circa 30 m2 en een zuidwestelijk terras van circa 90 m2 worden genoemd; ii.) blijkens een op Funda geplaatste tekening (bijlage 3a bij verweerschrift) het zuidwestelijk terras 8.8 X 9.5 meter = 83,6 m2 groot zou zijn; iii.) uit als bijlage 2 bij de klachtbrief overgelegde mails d. dis. 3 en 6 oktober 2017 van 20 november 2019 tot 6 december 2022)[naam aannemer] daarentegen blijkt , dat die maten volgens de aannemer op grond van de bouwtekening respectievelijk 197 m2, circa 28 m2 en circa 70 m2 (zullen) zijn. 5.7. Betrokkene stelt zich De Raad concludeert op het standpunt grond daarvan dat de vigerende Statuten in de door beklaagde gebruikte verkoopbro‐ chure genoemde en overige reglementen op de op Funda geplaatste tekening aangegeven maten hoe dan ook ver‐ schilden van NOAB de maten die volgens de aannemer op grond van de maatvoering op de bouw‐ tekening(en) gerealiseerd zouden worden. 5.8. Dat is niet juist en valt beklaagde naar het oordeel van de Raad ook te verwijten. De door beklaagde aangevoerde omstandigheid dat de door hem gebruikte brochure en informatie door zijn opdrachtgever werden aangeleverd en dat hij daar op vertrouwde doet daar niet(s) af. Die omstandigheid geeft namelijk wel een uitdrukkelijk verklaring, maar geen rechtvaardiging voor het hanteren, noemen en/of publiceren van foutieve maten. Een NVM‐makelaar heeft zich immers te houden aan de NVM‐Meetinstructie. Dit impliceert dat de makelaar zich er steeds, dus óók als hem door zijn opdrachtgever en/of iemand anders maten van een object worden opge‐ geven, van dient te vergewissen dat die maten juist zijn. Dit is in casu, zoals beklaagde ter zitting desgevraagd heeft erkend, echter niet gebeurd. Het feit dat het appartement dat klager kocht nog in aanbouw was maakt dat niet anders. Afgezien van het feit dat in dat geval op (bouw)tekening kan (en moet) worden gemeten, geldt dat als dat onverhoopt toch niet goed zou kunnen er in brochures, publicaties e.d. een voorbehoud inhouden ten aanzien van de rol maten zou kunnen zijn en ook had moeten worden gemaakt. Tenslotte doet ook de door beklaagde genoemde omstandigheid dat klager de juiste maten had kunnen kennen op zichzelf geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid en taak van de makelaar. Anders gezegd: naar het oordeel van de Raad is en blijft het de verantwoordelijkheid èn de taak van de NVM‐makelaar om de maten van een aspirant object –ongeacht of dit reeds is gebouwd of nog in aanbouw is‐ volgens de in de meetinstructie aangegeven methode, hetzij feitelijk en/of op (bouw)tekening te berekenen en/of te checken en slechts de maten die aldus berekend en/of gecheckt zijn in een brochure, op een website of in mondelinge contacten te noemen. 5.9. De Raad merkt daarbij wellicht ten overvloede, doch voor alle duidelijkheid nog op dat een makelaar die verantwoordelijkheid c.q. taak niet alleen ten opzichte van zijn opdrachtgever, maar gelet op zijn functie als NVM‐makelaar in het maatschappelijk verkeer óók ten aanzien van derden‐belanghebbenden, zoals (potentiële) kopers, in casu klager, in acht te nemen heeft. 5.10. Tenslotte overweegt de Raad ten aanzien van de verkoopbrochure nog dat daarin als NVM verkoopmakelaar “[Y], [kantoornaam]” wordt genoemd. Dat strijdt echter met artikel 10 van de opdracht tot dienstverlening bij verkoop. In zoverre is de verkoop‐brochure dus óók niet juist. 5.11. Dat neemt evenwel niet weg dat beklaagde, zoals klager ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk heeft bevestigd, klager voor verder informatie aanstonds heeft doorverwezen naar zijn op‐ drachtgever ▇., die vervolgens ook de onderhandeling met klager heeft gevoerd en zelfstandig met klager een gekwalificeerd (senior) lid van NOABkoopovereenkomst heeft gesloten. En dat verhindert - aldus betrokkene - Daarvan uitgaande valt beklaagde dan ook niet te verwijten dat klager minder m2 en met succes name een minder groot (zuid‐westelijk) terras geleverd zou kunnen klagen over hebben gekregen dan hij dacht geleverd te krijgen. De Raad neemt daarbij nog in aanmerking dat klager enig sluitend bewijs dat dat beklaagde wel zou zijn te verwijten niet heeft geleverd en dergelijk bewijs ook overigens niet is gebleken. In zoverre treft de periode klacht naar het oordeel van de Raad dan ook geen doel. 5.12. Alles afwegende komt de Raad tot de slotconclusie dat betrokkene nog aspirant was beklaagde bij NOAB. Verder de uitvoering van de hem verleende opdracht niet de zorgvuldigheid, deskundig‐ en onafhankelijkheid heeft betracht, die hij volgens artikel 1 Erecode NVM behoorde en behoort te betrachten en is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013in zoverre dus gegrond. 5.35.13. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van Omdat de klacht reeds gedeeltelijk gegrond is en voor zover de Raad heeft kunnen nagaan aan partijen heeft voorgehoudenbeklaagde niet eerder een tuchtrechtelijke straf is opgelegd, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan zal de zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op Raad beklaagde de volgende bepalingen. Artikel 4, volgens artikel 31 lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB NVM lichtst mogelijke straf van berisping opleggen. 5.14. Uit het oordeel van de Raad volgt dat leden, zoals verwoord in de kosten van de behandeling van de klachtzaak ingevolge artikel 4, 32 lid 1 van de statuten het Reglement Tuchtrechtspraak NVM in beginsel ten laste van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpenbeklaagden komen. De Raad ziet geen reden om in het onderhavige geval van dat beginsel af te wijken. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.95.15. Op grond van al vorenstaande overwegingen, alsmede gelet op het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.Reglement Tuchtrechtspraak NVM, de statuten van de NVM en de erecode NVM komt de Raad van Toezicht in deze tot de navolgende uitspraak:

Appears in 1 contract

Sources: Bieden, Onderhandelen & Totstandkoming Overeenkomst

De beoordeling. 5.14.1. De eerst te beantwoorden vraag is Het handelen en/of het Tuchtcollege bevoegd is om van nalaten waarop de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). 4.2. Het is in beginsel aan een klager om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat een accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel a: belangenverstrengeling 4.3. Klaagster verwijt betrokkene dat hij geen neutrale adviseur was voor klaagster, omdat hij een nauwe band heeft met [D] en zijn bedrijf. Volgens klaagster heeft betrokkene deze zakelijke relatie bij het aangaan van de opdracht verzwegen. Verder zou betrokkene [D] ook een flinke korting hebben geboden voor de afhandeling van de verkoop van zijn bedrijf terwijl betrokkene tegelijkertijd hoge bedragen aan klaagster in rekening bracht voor nutteloos bestede uren aan de cao-onderhandelingstafel. Daarnaast heeft klaagster erop gewezen dat [D] zijn kinderopvangbedrijf een maand later heeft verkocht, waardoor hij geen belang meer had bij de totstandkoming van een cao. 4.4. Betrokkene heeft bestreden dat sprake was van belangenverstrengeling. Volgens betrokkene was het bestuur van klaagster van meet af aan betrokken bij de opdrachtverlening en wist het bestuur van zijn werkzaamheden ten behoeve van het bedrijf van [D]. In dit verband heeft betrokkene op de zitting verklaard dat hij tijdens het kennismakingsgesprek met het bestuur op 15 februari 2021 heeft verteld dat hij [D] kende van een daaraan voorafgaande periode andere opdracht aan hem. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft verder betwist dat hij [D] een flinke korting heeft gegeven voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de verkoop van diens bedrijf. Ook heeft hij erop gewezen dat slechts een gedeelte het bedrijf van [D] is verkocht, zodat [D] na deze verkoop nog steeds belang had bij het sluiten van een cao. 4.5. Met betrekking tot dit klachtonderdeel overweegt de Accountantskamer het volgende. Ter zitting heeft [B] erkend dat tijdens het kennismakingsgesprek met het bestuur aan de orde is geweest dat betrokkene nog “aspirant” een connectie had met [D] en dat duidelijk was dat zij elkaar kenden. Verder heeft [B] op de zitting gezegd dat hij zich niet meer kon herinneren wat betrokkene in dat gesprek precies over zijn connectie met [D] heeft verteld. De stelling van betrokkene dat hij de opdrachtrelatie met [D] in het kennismakingsgesprek met het bestuur op 15 februari 2021 heeft genoemd, geldt daarom als onvoldoende weersproken. Met betrekking tot de stellingen van klaagster dat betrokkene aan [D] korting heeft gegeven en het ontbreken van belang van [D] bij NOAB (het sluiten van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich de cao, lag het, gelet op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap verweer van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor op de zitting weg van klaagster om die beide stellingen nader te onderbouwen. Omdat zij dat niet heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klagergedaan, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen sprake is geweest van de tuchtklacht door haar gestelde korting en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijdenbelangenverstrengeling. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Tuchtrechtspraak Accountants

De beoordeling. 5.1. De eerst Klager verwijt verweerder dat hij frauduleus heeft gehandeld door zonder grond stelselmatig parallelle DBC’s te beantwoorden vraag is openen en directe en indirecte tijd te declareren voor specialistische geestelijke gezondheidszorg die in werkelijkheid niet of het Tuchtcollege bevoegd is om onvolledig aan de verzekerden van de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendklager werd gegeven. 5.2. Betrokkene Verweerder voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat hij op basis van de op 5 december 2022 handleiding ‘Spelregels DBC- registratie GGZ’ meerdere parallelle DBC’s (zorgtrajecten) mocht openen als patiënten meerdere ziektebeelden of stoornissen hadden. Verweerder heeft door klager ingediende klacht betrekking collega I. een dossieronderzoek laten uitvoeren om aan te tonen dat het declareren van de parallelle DBC’s en de directe en indirecte tijd recht- en doelmatig heeft op plaatsgevonden. Per verzekerde heeft zij onderzocht welke zorgtrajecten er zijn geopend aan de hand van de diagnoses. Zij heeft aan de hand van de dossiers beoordeeld of de diagnoses adequaat zijn onderbouwd en of de diagnoses ook een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (substantieel andere behandeling vergen. De conclusie van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt onderzoek luidt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien behandelingen stuk voor stuk noodzakelijk zijn geweest, gelet op de complexiteit van de rol problematiek. De redenen voor het openen van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOABmeerdere zorgtrajecten zijn volgens I. duidelijk en overtuigend gemotiveerd en opgenomen in het medisch dossier. En De geleverde zorg was volgens het onderzoek doelmatig. Uit het dossier volgt ondubbelzinnig dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder zorg ook daadwerkelijk is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013geleverd. 5.3. Gelijk Het gaat in het Tuchtcollege aan tuchtrecht om de vraag of er sprake is van enig handelen of nalaten dat in strijd is met artikel 47 eerste lid Wet BIG. In onderhavige zaak gaat het slot om de vraag of verweerder in strijd heeft gehandeld met de professionele normen die gelden voor het declareren van geleverde zorg, zoals onder meer neergelegd in de handleiding ‘Spelregels DBC-registratie GGZ’ (hierna: Spelregels) en de ‘Dbc-regeltool van de mondelinge behandeling NZa’. Voor het opleggen van de klacht reeds aan partijen een tuchtmaatregel is vereist dat aannemelijk is dat zodanig handelen of nalaten zich heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene isvoorgedaan. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, Op grond van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt overlegde stukken en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gesteld is het college van oordeel dat klager mede op basis van eigen onderzoeksgegevens aannemelijk heeft gemaakt en onderbouwd dat er door verweerder onrechtmatig is gedeclareerd. Het college overweegt daartoe als volgt. 5.5. Niet in het geschil is dat verweerder in de periode van 15 maart 2015 tot 15 oktober 2013 voor de 16 verzekerden die hij behandelde minimaal twee en in de meeste gevallen drie zorgtrajecten (parallelle DBC’s) declareerde. Meerdere verzekerden hebben schriftelijk aan klager verklaard zich niet te herkennen in de door verweerder ten aanzien van hun geopende zorgtrajecten en gestelde (verschillende) diagnoses. Het kan voorkomen dat voor een patiënt gelijktijdig meer dan één zorgtraject is aangewezen. Parallelle zorgtrajecten kunnen op grond van de Spelregels worden geopend als er sprake is van verschillende diagnoses met een gelijkwaardig belang waarbij een hoofdbehandelaar oordeelt dat hij substantieel verschillende behandelingen in moet zetten. De hoofdbehandelaar dient dit ook te kunnen verantwoorden. In de specialistische GGZ worden echter alleen in uitzonderlijke situaties parallelle DBC’s geopend. Parallelle zorgtrajecten komen weinig voor omdat zij zelden geïndiceerd of noodzakelijk zijn. Verweerder is er niet in geslaagd om te motiveren waarom dat in zijn praktijk en bij zijn patiëntenpopulatie anders was. Voor het kunnen vaststellen of inderdaad sprake was van verschillende gelijkwaardige diagnoses met een substantieel verschillende behandeling bij de patiënten van verweerder is het van belang dat degene die dit beoordeelt en/of onderzoekt de verzekerden spreekt. Dit is niet gebeurd in het onderzoek van ▇., waardoor het college de conclusies uit dat onderzoek terzijde schuift. 5.6. Uit de overgelegde stukken blijkt verder dat verweerder in de periode 13 maart 2013 en 1 december 2013 werkweken van minimaal 129 tot maximaal 238 uren heeft gemaakt. Dat is respectievelijk 18 en 34 uur per dag. Het college acht het onwaarschijnlijk dat verweerder dit aantal uren daadwerkelijk heeft gewerkt. De verhouding van de directe tijd en indirecte tijd van het aantal gedeclareerde uren was bij verweerder gemiddeld 1 staat tot 4. Uit de door verweerder overgelegde tijdsregistratie blijkt verweerder zelfs vaak 6 uur indirecte tijd op 1 uur directe tijd te declareren, waarvan gemiddeld 6 uur per dag hersteltijd om uit te rusten na een vermoeiend gesprek. Verweerder beweert dat hij voor deze wijze van declareren toestemming had verkregen van klager. Klager betwist dit. Direct patiëntgebonden tijd is volgens de definitie in de Spelregels: Aspiranten de tijd waarin een behandelaar in het kader van diagnostiek of behandeling contact heeft met de patiënt of het systeem. Dit kan persoonlijk, telefonische of elektronisch contact zijn”. Indirect patiëntgebonden contact is in de Spelregels als volgt gedefinieerd: “De tijd die de behandelaar besteedt aan zaken rondom een contactmoment, maar waarbij de patiënt zelf niet aanwezig is.” Hieronder vallen het voorbereiden van een therapie- sessie, de verslaglegging en hersteltijd na een intensieve behandeling. Uit onderzoek van de Nederlandse Zorgautoriteit (Nza) blijkt dat van een psychiater een gemiddelde verhouding directe en indirecte tijd wordt verwacht van 60% staat tot 40%. Het gevoerde verweer, dat verweerder in zijn degenen die zich bekwamen praktijk te maken heeft met patiënten met complexe problematiek en dat hij veel tijd besteedt aan het voorbereiden van de therapie, verwerken van testresultaten en het monitoren van de behandeling, geeft geen verklaring voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van ongebruikelijke aantal gedeclareerde hersteluren en de verenigingbuitenproportionele verhouding tussen het aantal gedeclareerde directe en indirecte uren geleverde zorg. 5.7. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 De conclusie van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB voorgaande is dat ledende klacht gegrond is. Verweerder heeft bewust, zoals verwoord stelselmatig, over een langere periode onrechtmatig gedeclareerd. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 4, 47 lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, Wet op de beroepen in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door individuele gezondheidszorg jegens klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis had behoren te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraakbetrachten. 5.8. Hoewel Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel overweegt het college als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 65d lid 2 sub b van de klacht Wet BIG moet het college beoordelen of de behandeling van dit klachtonderdeel, ondanks de intrekking daarvan, om redenen aan het algemeen belang ontleend, moet worden voortgezet. Het college is van oordeel dat dit niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaardhet geval is, acht waarbij het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 rekening houdt met de toezegging van verweerder ter zitting alsnog zijn medewerking aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijdenverlenen. 5.9. Op grond Ten aanzien van al de op te leggen maatregel overweegt het vorenstaande dient college het volgende: Alles overziend, acht het college doorhaling uit het BIG-register noodzakelijk. Verweerder heeft over een langere periode bewust, stelselmatig en onjuist gedeclareerd. Hierbij past gelet op de ernst van dit geval geen lichtere maatregel dan een doorhaling. Het stelselmatig onjuist declareren brengt de integriteit van de individuele gezondheidszorg in diskrediet. Hiermee wordt ernstige schade toegebracht aan het vertrouwen in de individuele gezondheidszorg en het aanzien van de beroepsgroep. De patiënt moet erop kunnen vertrouwen dat psychiaters de kosten van een behandeling juist declareren en dat zij adequate informatie krijgen over de geregistreerde diagnose(s) en behandeling(en). Bij de beoordeling van de laakbaarheid van het onjuiste declaratiegedrag betrekt het college het ontbreken van enige zelfreflectie bij verweerder. Verweerder lijkt op geen enkele wijze verantwoordelijkheid te worden beslist als hierna is vermeld.nemen voor zijn handelwijze. Evenmin heeft hij enige vorm van betrokkenheid getoond bij het maatschappelijke belang dat hier in het geding is. ”

Appears in 1 contract

Sources: Tuchtprocedure

De beoordeling. 5.14.1. C.S. vordert vemietiging de ondertekening de Participatieovereenkomst voorafgaande besluitvorming van de vergadering van deelnemers van RAB. De eerst te beantwoorden vraag is of rechtbank begrijpt dat ORN c.s. hiermee doelen op het Tuchtcollege bevoegd is om besluit van de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennenddeelnemersraad van RAB van 25 oktober (zie 2.6) omtrent de van de kosten van het NLO (hierna: het besluit). 5.24.2. Betrokkene voert De rechtbank stelt voorop dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon kan worden vernietigd indien dit naar inhoud of wijze van totstandkoming in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die de bij de rechtspersoon betrokkenen jegens elkaar in acht dienen te nemen (artikel 2:15 jo Burgerlijk Wetboek). De bevoegdheid om vemietiging van het besluit te vorderen vervalt echter één jaar na het einde van de waarop de belanghebbende(n) kennis hebben genomen van het besluit (artikel 5 BW). De rechtbank begrijpt dat RAB c.s. een beroep doet op deze vervaltennijn aangezien zij heeft aangevoerd dat ORN c.s. nog bijna een jaar onvoonvaardelijk uitvoering heeft gegeven aan het besluit en de Participatieovereenkomst en pas eind de besluitvorming ter ondersteuning discussie heeft gesteld. Vast staat dat ORN en E-Power aanwezig waren in de van zijn standpunt aan de deelnemersraad van RAB van 25 oktober zodat zij op die datum kennis hebben genomen van het besluit. De bevoegdheid om vernietiging te vorderen was derhalve ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding mei 2013) al vervallen. Ook indien RAB c.s. geen beroep op de vervaltermijn heeft willen geldt dat het enkele dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien meerderheid in weerwil van de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En minderheid heefl besloten tot de gewraakte kostenverdeling nog niet meebrengt dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van misbruik van Daarvan slechts sprake indien de alle belangen in aanmerking genomen, in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Daarvan is gezien hetgeen hiema wordt oveiwogen m geval geen sprake. De vordering onder I zal derhalve worden afgewezen voor zover deze strekt tot vemietiging van het besluit. Bij de verdere beoordeling zal dan ook worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van het besluit. Verder gaat de rechtbank er m navolging van partijen, vanuit dat de kostenverdeling zoals opgenomen in de Participatieovereenkomst in overeenstemming is met het besluit. OKT , 201 4 HANDE L ' 861 P, ▇▇▇▇▇▇▇ G ADM, HANDE L 4.3. ORN c.s. heeft betoogd dat de krachtens het besluit tussen partijen geldende regel met van toepassing is omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijldieid onaanvaardbaar is. De rechtbank stelt voorop dat ook na het van de vervaltermijn een verschil beroep op artikel 2:8 lid 2 mogelijk blijft. 4.4. ORN c.s. stelt dat er (thans) geen rechtvaardiging (meer) is voor het feit dat zij als landelijke verkooporganisatie(s) van regionale zenders een hogere bijdrage in aanpak de kosten van het NLO moet betalen dan een landelijke zender. Het gebied waarbinnen de luistercijfers worden gemeten is bij een landelijke verkooporganisatie van regionale omroepen globaal even groot als dat van een aspirant ten opzichte landelijke zender en er is in de huidige werkwijze geen sprake van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan meerwerk of meerkosten bij de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, verwerking van de statuten NOAB leidt naar het oordeel meetgegevens van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6verschillende regionale zenders, aldus ORN c.s. De slotsom is rechtbank begrijpt dat de bezwaren van ORN cs, niet zien op het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen variabele deel van de ingediende klacht en zal zich om bijdrage maar op de factor die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling voor haar geldt op grond van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toestaffel, in combinatie met de indeling in negen gewesten. Indien klager persisteert bij zijn grieven' OKT . 201 4 HANDE L PLANNIN G AOM, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7HANDE L NR. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard861 P, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.9/1 0 29 oktober

Appears in 1 contract

Sources: Vonnis

De beoordeling. 5.1. De eerst te beantwoorden vraag is of het Tuchtcollege bevoegd is om 4.1 Het Scheidsgerecht zal beslissen op de vordering zoals deze luidt na de in 1.3 weergegeven wijzigingen, en met inachtneming van de ingediende klacht kennis te nemennuancering die ter zitting is aangebracht (zie 1.5, slot). 4.2 Als de opzegging van de toelatingsovereenkomst van eiseres in stand blijft, eindigt deze overeenkomst op 20 januari 2014. Klager Het Scheidsgerecht zal allereerst onderdeel IV van de vordering bespreken. Hierbij gaat het om de vraag of zich de in artikel 24 van de toelatingsovereenkomst vermelde ‘gewichtige redenen van […] klemmende aard’ hebben voorgedaan. 4.3 Het Scheidsgerecht beantwoordt deze vraag bevestigend. Het staat vast dat de grote meerderheid van de maatschap (te weten alle andere leden behalve I.) het vertrouwen in eiseres heeft verloren en op die grond verdere samenwerking met eiseres afwijst en zich schaart achter de opzegging van haar toelating. Hieraan is een lange voorgeschiedenis, betrokkene ontkennendmet inschakeling van diverse externe adviseurs, voorafgegaan. Ook het stafbestuur steunt de directie in de opzegging. In beginsel levert een dergelijke situatie voor een bestuur – gegeven diens eindverantwoordelijkheid voor een goede gang van zaken in het ziekenhuis – gewichtige redenen van zodanig klemmende aard op dat van hem redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst te continueren. Dit zou, afhankelijk van de verdere omstandigheden, anders kunnen zijn (i) als het vermoeden gerechtvaardigd is dat het gebrek aan vertrouwen in eiseres (van de zijde van de meerderheid van de maatschap, en in dit geval in het verlengde daarvan: van het stafbestuur en van de directie) te herstellen zou zijn, of (ii) als de schuld aan het ontstaan van de bedoelde situatie geheel bij het bestuur, of in het geheel niet bij eiseres, ligt. Geen van deze mogelijke uitzonderingen doet zich voor. Het Scheidsgerecht ziet in hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat herstel van vertrouwen mogelijk is. Na het rapport O. is in dit opzicht een uitzichtloze situatie ontstaan. Ook het geval dat uitsluitend de directie of zeker niet eiseres heeft bijgedragen aan de ontstane situatie, doet zich hier niet voor. Op dit laatste aspect komt het Scheidsgerecht hierna terug. 5.24.4 Hiermee is niet gezegd dat eiseres als enige of in hoofdzaak schuld heeft aan het ontstaan van de hier beschreven situatie. Betrokkene voert ter ondersteuning Ook echter als dat niet het geval zou zijn, is haar positie onhoudbaar en is feitelijke terugkeer van zijn standpunt aan haar niet verantwoord. Zij heeft deze consequentie van haar status als vrijgevestigde, tot het ziekenhuis toegelaten medisch specialist te aanvaarden. 4.5 Dit betekent dat het hier besproken onderdeel IV van de vordering niet toewijsbaar is. Dit geldt ook voor onderdeel II, dat ertoe strekt dat verweerster eiseres weer tot haar werkzaamheden toelaat. 4.6 De hier beschreven situatie deed zich ook op het tijdstip van de non-actiefstelling voor. Hieruit volgt dat de onderdelen I en III van de vordering evenmin kunnen worden toegewezen. 4.7 Aan de orde komt dan het (subsidiaire) onderdeel V, dat strekt tot een vergoeding naar billijkheid ter zake van de beëindiging van de toelatingsovereenkomst en tot een vergoeding wegens de aan de praktijk van eiseres verbonden goodwill. 4.8 Bij de beoordeling van het eerste deel van deze vordering dient te worden vooropgesteld dat een vrijgevestigde medisch specialist in geval van opzegging van de toelatingsovereenkomst op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking een daarvoor in die overeenkomst voorziene grond, in beginsel geen aanspraak heeft op een daaraan voorafgaande periode vergoeding wegens deze beëindiging van de relatie met het ziekenhuis. Ook dit volgt uit de aard van de rechtsverhouding tussen een ziekenhuis en een tot dat betrokkene nog “aspirant” was ziekenhuis toegelaten vrijgevestigde specialist. In bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien het ziekenhuis in een mate van betekenis schuld heeft aan het ontstaan of het voortduren van de gewichtige redenen die de opzegging hebben gerechtvaardigd, kan er niettemin grond zijn voor een vergoeding naar billijkheid. Dit maakt het nodig om, onder meer, te onderzoeken of aan verweerster in dit opzicht een verwijt van betekenis kan worden gemaakt. 4.9 In dit geval zijn de problemen binnen de maatschap ontstaan. Daarvan valt verweerster in beginsel geen verwijt te maken. Wel kan van verweerster worden verlangd dat zij zich binnen de grenzen van het redelijke inspant om de problemen binnen een maatschap van tot haar ziekenhuis toegelaten specialisten op te lossen. Dit geldt zeker ook in dit geval, nu het hier gaat om de positie van een anesthesioloog die intussen negentien jaren aan het ziekenhuis is verbonden en – in de woorden van verweerster zelf – vakinhoudelijk een uitstekende reputatie heeft en over wie, zoals verweerster desgevraagd ter zitting heeft verklaard, nooit klachten van patiënten zijn binnengekomen. Tot de inspanningen die van verweerster mochten worden verwacht kunnen pogingen behoren om te (doen) onderzoeken wat er speelt en om, zo nodig met bijstand van externe adviseurs, te bemiddelen tussen de leden van de maatschap. Voor dergelijke onderzoeken of bemiddelingspogingen geldt de eis dat zij objectief, met oog voor de belangen en posities van alle betrokkenen, worden uitgevoerd. 4.10 De geschilpunten binnen de maatschap, en vervolgens ook in de verhouding tussen de directie en eiseres, hadden deels een zakelijke component en betroffen deels (irritaties over) gedragingen over en weer. In de opzeggingsbrief van 19 juli 2013 zijn onder meer de volgende geschilpunten van min of meer zakelijke aard genoemd: afwijkingen door eiseres van het stafbeleid en medische protocollen, de wijze van besluitvorming binnen de maatschap (besluiten alleen met consensus of met meerderheid van stemmen?) en het al dan niet naleven van afspraken over de re-integratie van I. na haar ziekte. In dit verband heeft verweerster, ook buiten de opzeggingsbrief, bij NOAB (herhaling melding gemaakt van 20 november 2019 risico’s voor de patiëntveiligheid. 4.11 Ten aanzien van geen van deze geschilpunten, telkens op zichzelf beschouwd, is het Scheidsgerecht tot 6 december 2022)de bevinding gekomen dat er grond is voor een ernstig en algemeen verwijt aan eiseres. Betrokkene stelt Bij de kwestie betreffende het stafbeleid en de medische protocollen gaat het vooral om het binnentreden door eiseres in een operatiekamer tijdens de uitvoering van een operatie. Het Scheidsgerecht heeft niet kunnen vaststellen dat eiseres, gegeven ook haar verantwoordelijkheid voor haar eigen patiënten, in dit opzicht over de schreef is gegaan of zich op het standpunt dat medisch onverantwoord heeft gedragen. Ten aanzien van de vigerende Statuten interne besluitvorming heeft zij zich niet zo star opgesteld als de maatschap en overige reglementen vervolgens ook verweerster haar verwijten. Dit blijkt reeds uit haar in 2.14 aangehaalde brief en ook uit hetgeen zij in dit verband bij de mondelinge behandeling heeft verklaard. Er is geen klaarblijkelijke tegenspraak tussen de diverse brieven van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden eiseres over dit onderwerp. Ook ten aanzien van de rol gebeurtenissen op 1 november 2012, in het kader van de re-integratie van haar collega I., is niet met een voldoende mate van aannemelijkheid komen vast te staan dat aan eiseres een serieus verwijt kan worden gemaakt. Veeleer lijkt het erop dat hier sprake is geweest van een aspirant ongelukkig misverstand. De ontstane commotie lijkt minder ernstig te zijn dan verweerster heeft betoogd. Ook bij dit alles verdient opmerking dat er nooit patiëntklachten over het functioneren van eiseres zijn geweest. Concrete aanwijzingen voor enig gevaar voor de patiëntveiligheid zijn er evenmin, ook niet bij – bijvoorbeeld – de overdracht van patiënten. Dit staat uiteraard los van het algemene gevaar dat problemen in de samenwerking tot ernstige risico’s op dit vlak kunnen leiden. 4.12 In deze procedure, waarbij de maatschap geen partij is, kan niet worden vastgesteld of – en zo ja, in welke mate – aan de meerderheid van de leden van de maatschap verwijten zijn te maken met betrekking tot het ontstaan en het voortduren van het gebrek aan onderling vertrouwen. Wel concludeert het Scheidsgerecht dat verweerster niet heeft waargemaakt dat de omstandigheden die hebben geleid tot de gewichtige redenen waarop de opzegging is gebaseerd, in overwegende mate aan eiseres zijn toe te schrijven. In een dergelijk geval krijgt de in 4.9 beschreven eis inzake de van verweerster te vergen inspanningen een extra gewicht. 4.13 In beginsel heeft verweerster zich, door de inschakeling van eerst de extern e rapporteurs ▇. en K. en later de externe adviseur O., in voldoende mate van haar inspanningsverplichting gekweten. Bij de werkwijze van ▇., wiens rapportage klaarblijkelijk de doorslag heeft gegeven in de besluitvorming van verweerster, verdienen evenwel de navolgende drie aspecten de aandacht. In de eerste plaats heeft O. als een gegeven aanvaard dat er blijvende zakelijke meningsverschillen binnen de maatschap bestaan. Als hij het gelijk of ongelijk van de diverse partijen nader had onderzocht, zou hij ten opzichte aanzien van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, of meer van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3desbetreffende geschilpunten mogelijk tot een andere uitkomst zijn gekomen. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van In de tweede plaats is onduidelijk gebleven – ook na de mondelinge behandeling van deze zaak – hoe O. tot de klacht reeds aan partijen selectie van de door hem geïnterviewde personen is gekomen. Niet alleen heeft hij niet (met naam en toenaam) vermeld met wie hij heeft gesproken, maar ook blijft ongewis hoe de keuze voor deze personen is tot stand gekomen. Dit speelt vooral bij de snijders. Het staat vast dat er een kleine 30 snijdende specialisten zijn met wie eiseres heeft samengewerkt, terwijl O. blijkens zijn rapport met ‘enkele snijders’ heeft gesproken. Als dit juist degenen zijn die al eerder klachten over de samenwerking met of de houding van eiseres hadden geuit, getuigt de selectie niet van de objectiviteit die bij een dergelijk onderzoek past. In de derde plaats verdient opmerking dat eiseres niet de gelegenheid heeft gekregen schriftelijk te reageren op een concepttekst van het rapport. De rapporteur heeft haar wel, en mogelijk bij herhaling, telefonisch bepaalde passages uit zijn rapport voorgehouden, maar een dergelijke werkwijze staat niet op één lijn met het bieden van de mogelijkheid van een reactie op basis van de concepttekst als geheel. Buiten beschouwing laat het Scheidsgerecht dan nog dat de druk die de rapporteur, bij die telefonische nabespreking, op eiseres heeft gelegd om een vrijwillig vertrek te aanvaarden, niet goed bij zijn rol past. 4.14 Nu verweerster haar besluiten tot de non-actiefstelling en tot de opzegging in belangrijke mate op het rapport van ▇. (en de mede daardoor veroorzaakte opstelling van anderen, zoals het stafbestuur) heeft gebaseerd, kunnen gebreken in de rapportage, zoals het eerste en het tweede in 4.13 beschreven aspect, aan haar worden toegerekend. Ten aanzien van het derde aspect, inzake het hoor en wederhoor, geldt het volgende. Op O., als de opdrachtnemer van verweerster, rustte niet de verplichting om eiseres de gelegenheid te geven te reageren op de tekst van zijn conceptrapport. Het staat vast dat hij dat niet heeft gedaan. Verweerster zelf was wel verplicht om eiseres in voldoende mate in staat te stellen te reageren op de tekst van het rapport O. alvorens zelf op basis daarvan definitieve beslissingen jegens eiseres te nemen. Dit was temeer het geval nu eiseres tegenover O. niet op een conceptrapport heeft kunnen reageren. Het Scheidsgerecht stelt vast dat verweerster aan deze (verzwaarde) verplichting niet heeft voldaan. Uit het in 2.23 genoemde verslag blijkt immers dat de directeur pas in de bespreking waarin zij aan eiseres reeds de conclusie heeft meegedeeld dat partijen afscheid van elkaar zullen moeten nemen, het rapport O. aan eiseres heeft overhandigd. Hierin schuilt een aan verweerster te maken verwijt. Ook in dit opzicht gaat het Scheidsgerecht overigens voorbij aan de in 4.13, slot, aangestipte pogingen van O. om eiseres te bewegen tot een vrijwillig vertrek, nu namens verweerster ter zitting uitdrukkelijk is verklaard dat O. deze pogingen op eigen gezag, zonder medeweten van de directie, heeft ondernomen. 4.15 Deze overwegingen leiden niet tot het Tuchtcollege oordeel dat de ontstane situatie – een ernstig en onherstelbaar gebrek aan vertrouwen – geheel of in overwegende mate aan verweerster is toe te schrijven. Uitgangspunt is immers dat de problemen binnen de maatschap zijn ontstaan en dat verweerster daarvoor niet verantwoordelijk is. Een rode draad in veel van de kritiek op eiseres als persoon betreft haar eigenzinnigheid en haar gebrek aan soepelheid, die eraan in de weg staan dat zij berust in situaties die zij, in afwijking van haar collega’s, voor onjuist houdt. De inhoud en de toonzetting van haar brief van 18 april 2012 over de aan haar gegeven aanwijzing – waartegen zij overigens niet in beroep is gekomen – zijn hiervoor illustratief. Het Scheidsgerecht is niet in staat om in algemene zin te beoordelen of eiseres in de afzonderlijke kwesties die daarbij aan de orde zijn geweest, (veelal) het gelijk aan haar zijde heeft, maar is wel tot de conclusie gekomen dat eiseres de zaken af en toe onnodig op de spits heeft gedreven. Het risico van de mede daardoor ontstane wrijvingen, die tot verdere irritaties binnen de maatschap hebben geleid, moet in de verhouding tussen partijen in belangrijke mate bij eiseres blijven. 4.16 Samenvattend komt het Scheidsgerecht tot het oordeel dat het gelijk ontstaan en het voortduren van de problemen die tot de opzegging hebben geleid, grotendeels voor rekening van eiseres zelf moeten blijven, maar dat er niettemin gronden van billijkheid zijn voor het toekennen van een vergoeding aan haar ten laste van verweerster. De in 4.11 en 4.14 vermelde omstandigheden, die een verwijt van betekenis jegens verweerster opleveren, rechtvaardigen een vergoeding ten bedrage van € 75.000,-. Het Scheidsgerecht gaat hierbij ervan uit dat het aandeel van eiseres in de winst van de maatschap over de jaren 2010-2012 gemiddeld ruim € 165.000,- per jaar heeft bedragen, maar in deze periode telkenjare is afgenomen. Het aan eiseres toegekende bedrag is aldus iets minder dan de zijde helft van betrokkene isdat gemiddelde jaarbedrag. Voor een verdere vergoeding wegens de opzegging bestaat geen grond. 5.44.17 Het tweede gedeelte van onderdeel V van de vordering van eiseres betreft een vergoeding wegens de aan haar praktijk verbonden goodwill. Er is geen grondslag voor een veroordeling van verweerster tot betaling van deze vergoeding aan eiseres. Als de andere leden van haar maatschap feitelijk haar praktijk hebben overgenomen of zullen overnemen, dienen zij de daarbij behorende, volgens de gebruikelijke maatstaven te berekenen, vergoeding aan eiseres te betalen. Als de andere leden, met instemming van verweerster, een opvolger van eiseres tot de maatschap toelaten, zal eiseres jegens deze opvolger aanspraak kunnen maken op de goodwillvergoeding. In de gegeven situatie, waarin de verstandhouding tussen eiseres en de grote meerderheid van de overige leden van de maatschap zeer verstoord is, ziet het Scheidsgerecht in het eerder besproken, aan verweerster te maken, verwijt reden voor de hierna in 5.2 te vermelden voorziening, maar niet voor een verdergaande voorziening. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel ligt op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, weg van verweerster om zich het belang van eiseres in deze zin aan te trekken dat zij zich moet inspannen voor een ordelijke afwikkeling van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn goodwillkwestie binnen de kring van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpenhaar ziekenhuis verbonden anesthesiologen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch 4.18 Bij deze uitkomst zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de partijen over en weer ingediende stukken/stellingen komt op enig punt in het Tuchtcollege niet toeongelijk gesteld. Indien klager persisteert bij zijn grieven, Op deze grond zal hij deze ter beoordeling aan worden bepaald dat elk van partijen de civiele rechter dienen voor kosten van de eigen rechtsbijstand dient te leggen. 5.7betalen. Het Tuchtcollege Scheidsgerecht acht termen aanwezig het redelijk om in deze bodemprocedure de kosten van het Scheidsgerecht voor rekening van verweerster te besluiten brengen. Het desbetreffende bedrag zal worden verrekend met het voorschot dat eiseres heeft gedeponeerd, met terugbetaling van het restant aan haar. Verweerster wordt veroordeeld tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting betaling van deze uitspraak. 5.8proceskosten aan eiseres. Hoewel Voor een veroordeling van verweerster in de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier kosten van het Tuchtcollege klager daaromtrent per ekort geding betreffende de non-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van actiefstelling (in de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijdenzaak 2013/28) bestaat geen grond. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Arbitraal Vonnis

De beoordeling. 5.1. De eerst te beantwoorden vraag is Accountantskamer toetst het handelen of het Tuchtcollege bevoegd is om nalaten van betrokkene aan de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendVerordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft in de eerste plaats naar voren gebracht dat klaagster 1 ruzie heeft gekregen met haar broer en vader en verzeild is geraakt in een civielrechtelijk geschil. Omdat klaagsters in dit geschil door de rechter in het ongelijk zijn standpunt aan gesteld, heeft betrokkene het gevoel dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op zij nu volgende is die een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013verwijt wordt gemaakt. 5.3. Gelijk De Accountantskamer overweegt dat voor het Tuchtcollege aan het slot indienen van een klacht een (persoonlijk) belang van een klager niet is vereist. Dat de klacht zou voortkomen uit onvrede bij klaagsters over de afloop van de mondelinge behandeling civielrechtelijke procedure, kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat de klacht niet-ontvankelijk is. Daarmee komt de Accountantskamer toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene isklachtonderdelen. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar is in beginsel aan klaagsters om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt kunnen leiden dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel a: niet vakbekwaam en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen.zorgvuldig handelen 5.5. Deze bepalingen, Klaagsters hebben gesteld dat betrokkene hen op 5 maart 2021 onjuist heeft geïnformeerd over het verzoek van de broer om de call-optie over te zetten naar de C.V. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇ ▇ begreep dit verzoek niet en heeft betrokkene om advies gevraagd. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft toen ten onrechte doen voorkomen dat de handtekening van klaagster 1 slechts een formaliteit was en dat de call-optie hoe dan ook zou overgaan op de C.V. Klaagster had haar medewerking echter kunnen weigeren en had kunnen onderhandelen met haar broer over een hogere verkoopprijs. Bij een juiste voorstelling van zaken had klaagster 1 de akte niet ondertekend. Volgens klaagsters heeft betrokkene ook ten onrechte gemeend dat de call-optie in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan het belang van klaagster 1 was. Om gebruik te kunnen maken van de Bedrijfsopvolgingsregeling was namelijk alleen nodig dat er wel degelijk sprake is zij minimaal vijf jaar eigenaar zou blijven van de aandelen. Een contractuele verplichting in de vorm van een verschil call-optie was dus niet nodig. De call-optie was alleen in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van het belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel broer. Hij kon na 22 november 2021 zelf beslissen of hij wel of niet gebruik zou maken van de call-optie. Omdat betrokkene volgens klaagsters niet beschikt over de vereiste (juridische) kennis om deze adviezen te geven, had zij zich moeten onthouden van het Tuchtcollege niet tot geven advies. Of zij had klaagsters moeten attenderen op de beperkingen om te voorkomen dat klaagsters het gegeven advies zouden interpreteren als een andere conclusiefeitelijke bewering. 5.6. Betrokkene heeft naar voren gebracht dat er bij klaagster 1 alleen onduidelijkheid bestond over de wijzigingen in de akte en niet over de gehele inhoud van de call-optie. De slotsom call- optie was in 2016 al notarieel gepasseerd en de notaris moet zich er destijds van hebben vergewist dat klaagster de inhoud en strekking van deze akte had begrepen. Ook is klaagster 1 volgens betrokkene bedreven in de effectenhandel en wist zij daarom wel wat de gevolgen waren van de call-optie. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇ ▇ begreep alleen niet goed waarom er een nieuwe overeenkomst nodig was. Betrokkene heeft uitgelegd dat alleen de naam van de contractspartij zou worden gewijzigd. Klaagster had volgens betrokkene geen economisch belang om de gewijzigde akte niet te tekenen. Als zij niet had getekend dan had de broer gewacht met de liquidatie van zijn vennootschap tot na de uitoefening van de call-optie, wat slechts enkele maanden uitstel zou hebben betekend. Daarbij heeft betrokkene erop gewezen dat het Tuchtcollege niet bevoegd accountantskantoor de broer ondersteunde bij de liquidatie en dat de broer al op 25 september 2020 is geïnformeerd dat de vennootschap pas na overdracht van de call-optie geliquideerd kon worden. De liquidatie die oorspronkelijk gepland stond voor het einde van 2020 is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die deze reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggenuitgesteld. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig De Accountantskamer overweegt dat de kern van dit klachtonderdeel is dat betrokkene klaagsters voorafgaand aan het ondertekenen van de gewijzigde akte van call-optie op 5 maart 2021 niet goed zou hebben geïnformeerd over hun onderhandelingspositie ten opzichte van de broer. Klaagsters hebben echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij op dat moment in de positie verkeerden om nog te besluiten onderhandelen over de verkoopprijs. De call-optie en de verkoopprijs van de aandelen waren immers al in 2016 notarieel vastgelegd. Daarnaast kan worden aangenomen dat de broer zijn persoonlijke vennootschap niet zou hebben geliquideerd als klaagsters de gewijzigde akte van call-optie niet hadden willen ondertekenen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de broer zich met betrekking tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van de liquidatie liet bijstaan door het accountantskantoor en het accountantskantoor de broer er al op had gewezen dat de call-optie zou vervallen als deze uitspraakniet voor de liquidatie zou zijn overgeheveld naar de CV. 5.8. Hoewel Verder wordt overwogen dat de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status reactie van betrokkene op de vragen van klaagsters niet kan worden gezien als een advies aan klaagsters. Betrokkene heeft geprobeerd uit te leggen dat alleen de contractpartij zou wijzigen en dat de call-optie verder (inhoudelijk) onveranderd zou blijven. Omdat betrokkene alleen uitleg heeft gegeven en geen advies heeft verstrekt, komt de Accountantskamer niet toe aan de beoordeling van de overige verwijten van klaagsters met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelichtgestelde onjuiste advisering. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijdenHet klachtonderdeel is ongegrond. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Tuchtrechtspraak Accountants

De beoordeling. 5.14.1. Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en, voor zover van toepassing, de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS). 4.2.1. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ stelt zich primair op het standpunt dat, voor zover hij bij het bestuur en/of beheer van de VvE betrokken is geweest, dit niet heeft plaatsgevonden in de uitoefening van zijn beroep als accountant maar als (mede)aandeelhouder en bestuurder van de holding. Hij stelt dat over deze werkzaamheden niet op grond van artikel 22, eerste lid van de Wtra bij de Accountantskamer kan worden geklaagd. 4.2.2. De eerst te beantwoorden Accountantskamer gaat voorbij aan dit verweer en overweegt hiertoe het volgende. Het gaat bij dit verweer om de vraag is of betrokkene zijn beroep als accountant heeft uitgeoefend, in het Tuchtcollege bevoegd is om van bijzonder of de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk professionele dienst als bedoeld in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van de VGBA. Van een professionele dienst is volgens dit artikel sprake als bij de werkzaamheden vakbekwaamheid als accountant wordt aangewend of kan worden aangewend. Werkzaamheden als het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat ledenfinancieel beheer voor de VvE, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 waaronder het jaarlijks opstellen van de statuten balans en de staat van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpenbaten en lasten van de VvE, liggen op het terrein van accountancywerkzaamheden en vergen daarom inzet en bekwaamheid zodra een accountant daarbij betrokken is. Voor zover het financieel beheer door medewerkers van [BV1] en/of VvE [BV3] is gedaan, geldt dat betrokkene daarvoor als (indirect) bestuurder van deze dochtermaatschappijen vaktechnisch verantwoordelijk is. Daarbij komt dat betrokkene zich ook persoonlijk met het financieel beheer en met name de kritiek daarop van (de gemachtigde van) klaagster heeft bemoeid. Uit de stukken blijkt dat hij in december 2020 een bespreking met de gemachtigde van klaagster heeft gevoerd naar aanleiding van haar commentaar op de conceptjaarrekening 2019. Nadien is door hem met haar hierover gecorrespondeerd. De klachten hebben mede op deze periode betrekking. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOABKlachtonderdeel a: een aspirant betrokkene heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan niet voldaan aan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, verplichting tot ondertekening van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusiejaarrekening 2019. 5.64.3.1. De slotsom is Accountantskamer begrijpt dit klachtonderdeel zo, dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen klaagster betrokkene verwijt dat [BV1], de bestuurder van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van VvE, de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege jaarrekening 2019 niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling voorafgaand aan de civiele rechter dienen voor te leggenledenvergadering van 22 februari 2021 heeft ondertekend. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Tuchtrechtspraak Accountants

De beoordeling. 5.1. De eerst Raad merkt op dat het aanbeveling verdient dat de makelaar de opdrachtverlening door de cliënt, anders dan in dit geval is gebeurd, schriftelijk vastlegt. Dan zijn de rechten en verplichtingen over en weer goed vast te beantwoorden vraag is of het Tuchtcollege bevoegd is om van stellen. Nu de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendniet specifiek op dit punt betrekking heeft laat de Raad dit verder rusten. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning Ter zitting is gebleken dat beklaagden zich hoofdzakelijk bezig houden met de woningmakelaardij en slechts in beperkte mate met verhuur van zijn standpunt bedrijfspanden. De Raad merkt op dat het in het algemeen niet wenselijk is wanneer een makelaar zich begeeft op een terrein waarop hij niet specifiek deskundig is. De problematiek die in deze klachtzaak speelt kan zich namelijk vooral voordoen bij de verhuur van bedrijfsruimte, indien in geval van verhuur aan een rechtspersoon de verhuurder extra zekerheid wenst door ook de ondernemer persoonlijk medeaansprakelijk te maken voor de huurbetalingen. De huurovereenkomst is in overleg tussen partijen opgesteld. Er is in opgenomen dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat huurder ook in privé aansprakelijk zou zijn voor de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien betaling van de rol huurpenningen zodat hij daarvoor aangesproken kan worden. In zoverre hebben beklaagden gedaan wat van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013hen verlangd werd. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot Het probleem zit hem in de wijze waarop beklaagden de borgstelling door de heer C. in de huurovereenkomst hebben vastgelegd. Deze tuchtzaak kan niet los worden gezien van de mondelinge behandeling beoogde aansprakelijkstelling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehoudenborg, is welke aansprakelijkstelling kennelijk in de visie van de advocaat van klaagster zou afstuiten op onvolkomenheden in het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene ishuurcontract. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel is voor de Raad bezwaarlijk om stellige uitspraken te doen over deze vragen, die op het terrein van de burgerlijke rechter liggen en betrekking hebben op een rechtsverhouding tussen partijen die niet alle in deze klachtprocedure betrokken zijn. Het is immers onduidelijk gebleven hoe de heer C. zelf tegen de kwestie aankijkt, terwijl opmerking verdient dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:89 van het Burgerlijk Wetboek slechts afbreuk aan de borgstelling kan worden gedaan vanwege het ontbreken van de handtekening van de echtgenote van C. als die echtgenote daar zelf een beroep doet. Zo lang dat laatste niet het geval is - en van het vernietigen van de borgstelling door de echtgenote is tot nu toe niet gebleken - is de borgstelling geldig. 5.5. De zaak raakt de - lastige - materie die geregeld is in artikel 1:88 lid 5 BW in samenhang met lid 1 onder c van dat artikel. Het is niet op voorhand ondenkbaar dat de omstandigheden aan de zijde van R. B.V. en de heer ▇., uiteindelijk grond zullen geven voor de conclusie dat de huurovereenkomst, inclusief persoonlijke borgstelling door bestuurder ▇., is verricht ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. In dat geval is het meetekenen door de echtgenote van C. niet nodig geweest. Het vragen van die handtekening zou wellicht een extra obstakel bij de totstandkoming van de huurovereenkomst hebben gevormd, welke, zo is ter zitting gebleken, na jaren leegstand tot stand is gekomen vanuit de overweging “beter iets dan niets”. 5.6. Voor wat betreft de ondertekening komt het de Raad voor dat een eventuele betwisting van de borgstelling door C. op de volgende bepalingen. Artikel 4grond dat hij slechts “als huurder” heeft getekend, lid 2, gezien in het licht van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt totale overeenkomst weinig kans op honorering bij de rechter zal maken. Al geldt ook hier weer: het is niet de Raad van Toezicht die dat “Aspiranten zijn degenen uiteindelijk beslist. 5.7. Al met al is onvoldoende gebleken dat beklaagden in het huurcontract een fout hebben begaan die hen tuchtrechtelijk verantwoordelijk maken omdat zij zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschapschuldig hebben gemaakt aan handelen of nalaten als bedoeld in artikel 31, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuteneerste lid, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6NVM. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggenwordt ongegrond verklaard. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Huurovereenkomst

De beoordeling. 5.14.1 Het verzoek van de stichting strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in de zin van een verandering van de omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te beëindigen. De eerst te beantwoorden vraag is of het Tuchtcollege bevoegd is om gestelde verandering van de ingediende klacht kennis omstandigheden bestaat hierin dat de leiding van het ziekenhuis het vertrouwen in verweerster heeft verloren als gevolg van drie incidenten, die hierna zullen worden besproken. Hoewel de stichting erkent dat verweerster een bekwaam medisch specialist op haar vakgebied is, hebben de incidenten wel geleid tot onrust op de werkvloer en bij de relaties van het ziekenhuis. Gebrek aan samenwerking is echter niet aan het verzoek tot ontbinding ten grondslag gelegd. Verweerster heeft terecht erop gewezen dat volgens de AMS voor de beëindiging van de arbeidsverhouding alleen reden kan zijn bij “klemmende omstandigheden”. Deze maatstaf wijkt echter niet wezenlijk af van die van artikel 7:685 BW, doch brengt mee dat niet te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendsnel van gewichtige redenen kan worden gesproken. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder 4.2 Het Scheidsgerecht is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat de drie incidenten niet kunnen rechtvaardigen dat de leiding van het gelijk ziekenhuis het vertrouwen in deze verweerster heeft verloren. De kern van het verwijt dat aan verweerster wordt gemaakt, bestaat hierin dat verweerster een eerdere waarschuwing en daarop volgende instructies van de zijde raad van betrokkene isbestuur heeft genegeerd, waardoor het bestuur in ernstige mate wordt gehinderd in de uitoefening van zijn taak en verantwoordelijkheid voor de goede gang van zaken. Bij geen van de incidenten is hiervan echter sprake geweest. De stichting heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat verweerster niet bereid zou zijn zich te gedragen zoals van een medisch specialist binnen een zorginstelling mag worden verwacht. In het bijzonder blijkt uit de drie incidenten niet dat verweerster een gebrek aan bereidheid heeft zich te voegen naar de in de organisatie bestaande regels en afspraken. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor 4.3 Wat het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake eerste incident betreft is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege Scheidsgerecht niet tot méér komen vast te staan dan dat verweerster zich op een andere conclusie. 5.6minder gelukkige wijze heeft uitgelaten over een mogelijke wijziging in de leiding van de afdeling. De slotsom Zelfs als de door de stichting gestelde en door verweerster betwiste versie van het gebeurde juist is, kan aan dit incident niet de ernst worden toegekend die de stichting daarin ziet. Het incident is bovendien al geruime tijd geleden geschied. Het feit dat de stichting heeft gemeend aan verweerster een waarschuwing te moeten geven, waarbij verweerster zich heeft neergelegd, kan na zo veel tijd geen gewicht meer in de schaal werpen, zeker nu niet gebleken is dat het Tuchtcollege deze waarschuwing berustte op meer dan alleen dit incident, dat op zichzelf een zo zware maatregel niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggenrechtvaardigde. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Arbitraal Vonnis

De beoordeling. 5.14.1. De eerst te beantwoorden vraag is Het handelen en/of het Tuchtcollege bevoegd is om van nalaten waarop de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Klachtonderdeel a: betrokkene heeft met de afgifte van haar verklaring gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van professionaliteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, omdat zij geen onderzoek heeft gedaan naar de kwaliteit van de omzet en het verdienvermogen van het kantoor te [plaats6], zij haar waardeoordeel op slechts één vergelijking heeft gebaseerd en een daaraan voorafgaande periode verdere onderbouwing van haar waardering ontbreekt, terwijl zij kennis droeg van het conceptrapport van de bindend adviseur waarin de waarde op 70% van de omzet is vastgesteld. 4.2. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft als verweer aangevoerd dat haar handelen niet onder het tuchtrecht valt omdat geen sprake was van een betaalde opdracht, maar alleen een verzoek om informatie. De advocaat van eisers wilde niet de koopovereenkomsten van de portefeuille [plaats6] aan de rechtbank overleggen en wilde alleen informatie over de marktwaarde. Zij heeft geen algemeen oordeel gegeven over de marktwaarde van een [bedrijfsnaam1]-kantoor. 4.3. De Accountantskamer is van oordeel dat het verweer van betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (dat zij voor haar brief niet is betaald, geen doel treft. Die omstandigheid doet namelijk niet ter zake. Een accountant is op grond van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich artikel 42 van de Wet op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden accountantsberoep ten aanzien van zijn beroepsuitoefening onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde en enig ander handelen of nalaten dat in strijd is met het belang van de rol uitoefening van het accountantsberoep. Dit artikel maakt geen onderscheid tussen betaalde en onbetaalde dienstverlening. De brief valt onder de beroepsuitoefening van betrokkene waarop zij tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. 4.4. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft ter zitting verklaard dat zij wist dat tussen de voormalige leden van de maatschap een gerechtelijke procedure aanhangig was. Zij wist of behoorde te weten dat haar brief in die procedure zou worden overgelegd. Dat volgt onder meer uit haar verweerschrift waarin zij heeft geschreven: “…de advocaat van de tegenpartij van klager wilde niet de koopovereenkomsten van de portefeuille uit [plaats6] in de zaak inbrengen maar wilde slechts informatie over de marktwaarde. Dat heb ik toegelicht in productie 1 van de klager.” 4.5. Uit de vaste rechtspraak van de Accountantskamer volgt dat een accountant die weet of behoort te weten dat zijn rapport in een gerechtelijke procedure zal worden overgelegd, ervoor dient te zorgen dat zijn rapport de waarheidsvinding door de rechter niet belemmert. Van een belemmering is sprake indien de inhoud van het rapport onjuist of onvolledig is, de bevindingen of conclusies van het rapport een deugdelijke grondslag ontberen of het rapport ten onrechte geen duidelijke voorbehouden of beperkingen bevat. Deze regel geldt ook voor de brief van 12 juni 2020 omdat betrokkene daarin een standpunt heeft ingenomen inzake de marktprijs van een aspirant ten opzichte klantenportefeuille en zij de brief in haar hoedanigheid van accountant-administratieconsulent (“AA”) heeft ondertekend. 4.6. De Accountantskamer is van oordeel dat de brief de waarheidsvinding door de rechter belemmert. In de brief heeft betrokkene immers geschreven dat “de conclusie” is, dat de marktprijs voor “een” klantenportefeuille van “een[bedrijfsnaam1]-vestiging 100% van de omzet bedraagt. Deze conclusie is zo geformuleerd dat die voor de marktprijs van alle klantenportefeuilles van een gekwalificeerd (senior) lid [bedrijfsnaam1]-vestiging geldt, hoewel die conclusie berust op de verkoop van NOABslechts één klantenportefeuille. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen Betrokkene heeft dus een uitspraak gedaan over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOABtotale populatie van klantenportefeuilles terwijl die uitspraak op slechts één geval is gebaseerd. Verder In de hierboven (rov. 2.5.) gedeeltelijk geciteerde Regeling is de klacht ingediend voordat marktwaarde van het klantenbestand op 100% van de jaaromzet gesteld, maar er staat bij dat die “100% wordt behaald bij een tevreden klant, waar de werkzaamheden up-to-date zijn en aan de kwaliteitsnormen voldoen.” Deze vooronderstelling bij een waarde van 100% van de jaaromzet ontbreekt in de brief. Dat klemt te meer nu de bindend adviseur in zijn conceptrapport (gemotiveerd) de waarde van de klantenportefeuille in kwestie op 70% van de omzet heeft vastgesteld, en betrokkene volwaardig NOAB-lid is gewordenhad dat moeten laten meewegen of minst genomen moeten vermelden. Klager daarentegen stelt zich op Betrokkene heeft over de marktprijs een te stellige uitspraak gedaan. Zij had het standpunt dat ook woord conclusie niet mogen gebruiken, omdat zij daarmee een zekerheid suggereert die niet op een aspirant van NOAB deugdelijke grondslag berust. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft nagelaten in de Gedrags- brief de beperkingen op te nemen die op haar onderzoek en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht haar conclusie van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar hoewel artikel 4, lid 1, 15 van de Statuten NOABVGBA haar daartoe verplichtte. Uit wat hiervoor is overwogen volgt, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3dat die beperkingen er zeker waren. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ had Handreiking 1127 “Opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen” kunnen volgen. Dan had zij kunnen vaststellen dat bijvoorbeeld in paragraaf 4.5 van de mondelinge behandeling Handreiking wordt geadviseerd de reikwijdte van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehoudenopdracht, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk de uitgevoerde werkzaamheden, de uitkomsten en de eventuele beperkingen in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel die uitkomsten op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6te nemen. De slotsom is dat betrokkene het Tuchtcollege fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid niet bevoegd heeft nageleefd. Klachtonderdeel a. is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggendan ook gegrond. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Tuchtrechtspraak Accountants

De beoordeling. 5.13.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of de tussenpersoon is tekortgeschoten in zijn zorg- plicht en, zo ja, of hij op grond daarvan gehouden is tot vergoeding van de door de consument geleden schade. 3.2 De commissie stelt voorop dat de rechtsverhouding tussen de tussenpersoon en de consument moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 van het Burgerlijk Wetboek (hierna ‘BW’). Op de tussenpersoon rust als opdrachtnemer een zorgplicht in die zin dat de tussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en een redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht.1 De algemene zorgplicht uit dit arrest van de Hoge Raad is ingevuld in de jurisprudentie. 1 Zie overweging 3.4.1 in Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122, te vinden op ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇.▇▇. Als uitgangspunt geldt dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantie- tussenpersoon mag worden verwacht dat hij beschikt over de nodige deskundigheid en vakkennis, dat hij de financiële belangen van zijn klanten naar beste weten en kunnen behartigt en dat hij zijn klant op zorgvuldige wijze adviseert. Neemt de tussenpersoon niet de vereiste zorg in acht, dan is hij aansprakelijk voor de schade die de consument als gevolg daarvan lijdt. De eerst te beantwoorden vraag is of het Tuchtcollege bevoegd is om zorgplicht van de ingediende klacht tussenpersoon geldt niet alleen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst maar ook erna. De zorgplicht vergt een voort- durende bemoeienis door de tussenpersoon met de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Een tussenpersoon mag dus in beginsel niet stil blijven zitten wanneer hij tijdens de looptijd van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning neemt van zijn standpunt aan feiten of omstandigheden die meebrengen dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking hem beheerde verzekeringen mogelijk aanpassing behoeven.2 3.3 De consument verwijt de tussenpersoon dat hij hem geen passende verzekering heeft op een daaraan voorafgaande periode geadviseerd en dat betrokkene nog “aspirant” was hij bij NOAB (het afsluiten van 20 november 2019 tot 6 december 2022)de inboedelverzekering heeft verzuimd hem te waarschuwen voor de gevolgen van onderverzekering voor de uitkering bij schade. Betrokkene De tussenpersoon verweert zich tegen deze verwijten van de consument en stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten consument een zo laag mogelijke premie en overige reglementen een zo laag mogelijk eigen risico wilde. Dit blijkt volgens de tussenpersoon uit het aanvraagformulier van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien van 23 januari 2013 en de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelichtvan 24 januari 2013. Wellicht had klager, indien De tussenpersoon geeft aan dat hij die wetenschap wel eerder wens heeft uitgevoerd. De commissie passeert dit verweer. Als al wordt aangenomen dat de tussenpersoon de wens van de consument juist heeft verwoord, wat geenszins zeker is, is daarmee nog niet het verwijt van de consument weerlegd dat de tussenpersoon hem onvoldoende heeft gewezen op het risico van onderverzekering en het gevolg ervan bij schade aan de inboedel. Het lag op de weg van de tussenpersoon de consument deugdelijk over onderverzekering te informeren, zodat hij een juiste voorstelling van zaken had verkregenen zich een geïnformeerde keuze kon maken, ook zelf kunnen ontdekken als de consument een goedkope oplossing wenste. 3.4 De tussenpersoon stelt verder dat betrokkene vanwege hij de consument wel degelijk vóór het ontbreken aangaan van een de verzekering twee keer heeft gewaarschuwd voor het indienen risico van onderverzekering, namelijk op het aanvraagformulier en in zijn e-mail van 24 januari 2013. De commissie overweegt dat in beide documenten weliswaar twee keer staat dat er geen garantie tegen onderverzekering is, maar deze formulering is onvoldoende concreet en specifiek om als waarschuwing voor het risico van onderverzekering te gelden. Met name ontbreekt een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen uitleg van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijdenrisico van onderverzekering en de consequentie van onderverzekering voor de uitkering onder de verzekering bij een eventuele schade. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Bindend Advies

De beoordeling. 5.14.1. De eerst te beantwoorden vraag is Het handelen en/of het Tuchtcollege bevoegd is om van nalaten waarop de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennend. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning van zijn standpunt aan dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Klachtonderdeel a: Klager heeft bij de onderneming [BV2], waarvoor betrokkene verantwoordelijk is, een daaraan voorafgaande periode B.V. besteld en daarvoor betaald zonder dat deze door betrokkene is geleverd. 4.2.1. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene nog “aspirant” was in zijn verweerschrift en ter zitting gemotiveerd heeft toegelicht hoe de gang van zaken bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien oprichting van de rol B.V. voor klager is verlopen. De Accountantskamer heeft geen reden om te twijfelen aan deze toelichting. Klager heeft weliswaar contact opgenomen met [BV2] voor de levering van een aspirant ten opzichte B.V., maar de contacten tussen klager en [A] over de oprichting van een gekwalificeerd (senior) lid B.V. zijn door [A] aan betrokkenes toezicht onttrokken. [A] heeft buiten betrokkene om contact opgenomen met [B] en [C] om hen als oprichter respectievelijk bestuurder van NOABde voor klager op te richten B.V. te laten optreden. En Eerst nadat [BV3] was opgericht en klager eiste dat verhindert - aldus grote financiële verplichtingen zouden worden aangegaan namens [BV3] heeft [A] betrokkene - op de hoogte gesteld van wat is voorgevallen. ▇▇▇▇▇▇▇▇ betrokkene als middellijk bestuurder van [BV2] in beginsel vaktechnisch verantwoordelijk was voor de werkzaamheden die [A] als stagiair voor [BV2] verrichtte, gaat deze vaktechnische verantwoordelijkheid niet zo ver dat hij ook verantwoordelijk moet worden gehouden voor werkzaamheden die, zoals naar hier moet worden aangenomen, aan zijn toezicht zijn onttrokken. 4.2.2. Aangezien niet is komen vast te staan dat betrokkene een rol heeft gespeeld bij de oprichting van een B.V. voor klager en hij er daarom vaktechnisch niet voor verantwoordelijk kan worden gehouden, kan betrokkene niet worden verweten dat hij de B.V. niet aan klager heeft geleverd. 4.2.3. Klachtonderdeel a is daarom ongegrond. Klachtonderdeel b: Een medewerker van betrokkene heeft klager afgeperst door van hem te eisen dat hij zes maanden lang € 6.000 aan [BV1] zou betalen. 4.3.1. De Accountantskamer stelt vast dat [BV3] door [A] is doorverwezen naar [BV1] voor het verkrijgen van aanvullende diensten en dat klager met succes zou kunnen klagen over de periode opdrachtbevestiging hiervoor voor akkoord heeft getekend. Vervolgens is vanuit [BV1] een bedrag van ruim € 6.000 gefactureerd. 4.3.2. Klager heeft niet aangetoond dat betrokkene nog aspirant was bij NOAB. Verder is hem heeft afgeperst en dat naast de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen stelt zich gefactureerde werkzaamheden die zijn verricht op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, basis van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013voor akkoord ondertekende opdrachtbevestiging nog andere bedragen in rekening zijn gebracht. Klachtonderdeel b mist dan ook feitelijke grondslag. 5.34.3.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, Klachtonderdeel b is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene isdaarom ongegrond. 5.4. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt naar het oordeel van het Tuchtcollege niet tot een andere conclusie. 5.6. De slotsom is dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9. Op grond van al het vorenstaande dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Appears in 1 contract

Sources: Complaint Procedure

De beoordeling. 5.1. De eerst In zijn vonnis van 14 november 2016 heeft het Scheidsgerecht geoordeeld dat de opdracht van ver- weerster aan de vakgroep om ervoor zorg te beantwoorden vraag is of het Tuchtcollege bevoegd is om dragen dat eiser niet meer zou worden ingezet in de pa- tiëntenzorg, in combinatie met de blokkering van de ingediende klacht kennis toegangspas en de blokkering van de bevoegd- heden in de geautomatiseerde systemen, kan worden beschouwd als een definitieve ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis van verweerster in zin van artikel 15 lid 7 van de maatschapsovereen- komst. Daardoor is de maatschap tussen de leden van de vakgroep orthopedie geëindigd. Verweer- ster was in de procedure die heeft geleid tot dat vonnis geen partij. Zij heeft in deze procedure be- twist dat zij een maatregel heeft getroffen tegen eiser die kwalificeert als een definitieve ontzegging van de toegang. Voor de onderbouwing van die stelling heeft zij verwezen naar haar eindverantwoor- delijkheid voor de kwaliteit van de zorg in het ziekenhuis. Volgens verweerster heeft zij de leden van de vakgroep orthopedie vanuit die eindverantwoordelijkheid alleen willen aanspreken op hun indivi- duele verantwoordelijkheid. Dat is de verantwoordelijkheid van de hulpverlener in de zin van artikel 7:453 BW. Om die reden heeft zij de leden van de vakgroep een opdracht gegeven om de kwaliteit van zorg te nemenwaarborgen en heeft zij alleen vanwege de overname van de patiëntgebonden activiteiten van eiser door anderen de toegangspas van eiser laten blokkeren. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendVan een maatregel gericht tegen eiser was volgens verweerster daarom geen sprake. 5.2. Betrokkene voert ter ondersteuning Het is niet in geschil dat verweerster eiser en de overige orthopeden mag aanspreken op hun indivi- duele verantwoordelijkheid als hulpverlener voor de kwaliteit van zijn standpunt aan zorg. Dat neemt echter niet weg dat het verweerster is geweest die op of omstreeks 22 januari 2016 met de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht betrekking heeft op een daaraan voorafgaande periode dat betrokkene nog “aspirant” was bij NOAB (van 20 november 2019 tot 6 december 2022). Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien instemming van de rol VMS en het F. een aantal feitelijke gedragingen heeft verricht waarmee zij heeft bewerkstelligd dat er defini- tief een einde is gekomen aan de werkzaamheden van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOABeiser in haar ziekenhuis. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat klager met succes zou kunnen klagen over Verweerster heeft de periode dat betrokkene nog aspirant was bij NOABorthopeden niet slechts aangesproken op hun individuele verantwoordelijkheid. Verder is Zij heeft de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is gewordenorthope- den geen keuze gelaten. Klager daarentegen stelt zich op het standpunt dat ook op een aspirant van NOAB de Gedrags- A. moest meteen vertrekken en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, I. c.s. moest zijn werkzaamheden overne- men. De optelsom van de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot feitelijke gedragingen van verweerster kwalificeert dan ook als een defini- tieve ontzegging van de mondelinge behandeling toegang in de zin van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehouden, is het Tuchtcollege van oordeel dat het gelijk in deze aan de zijde van betrokkene is. 5.4maatschapsovereenkomst. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen lid zijn van de vereniging. Aspiranten zijn onderworpen aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, van de meergenoemde Statuten, in dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOAB: een aspirant heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid van NOAB noch zijn -voor zover thans van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Het door klager in dit verband opgevoerde artikel 4, lid 1, van de statuten NOAB leidt Die optelsom kwalifi- ceert naar het oordeel van het Tuchtcollege Scheidsgerecht ook als een opzegging van het individueel deel aan A.. Het resultaat van de feitelijke gedragingen is immers materieel hetzelfde als het rechtsgevolg van de rechtshandeling van opzegging. Het is niet tot relevant of verweerster, zoals zij heeft gesteld en eiser heeft betwist, de bevoegdheden van eiser in de geautomatiseerde systemen bij vergissing heeft ge- blokkeerd. ▇▇▇▇▇ heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk onweersproken aangevoerd dat een andere conclusieeventuele vergissing nooit is hersteld. ▇▇▇▇▇ heeft alleen de op 22 januari 2016 reeds via zijn e- mailaccount verzonden en ontvangen e-mails alsnog ter beschikking gesteld gekregen. 5.3. Voormeld oordeel wordt niet anders door de brief van de gemachtigde van verweerster van 28 januari 2016 bij de beoordeling te betrekken. In die brief, geschreven in reactie op een bericht van de ge- machtigde van ▇▇▇▇▇, staat dat verweerster op en omstreeks 22 januari 2016 alleen een voorzorgs- maatregel heeft willen treffen, alsmede dat alleen een dringend verzoek aan de vakgroep is gedaan om eiser “zolang de problemen niet zijn opgelost” niet in te zetten in de patiëntenzorg. Deze verwij- zing naar de oplossing van de problemen is onvoldoende om te concluderen dat verweerster de toe- gang slechts tijdelijk heeft ontzegd en dat geen sprake is geweest van opzegging met onmiddellijke ingang van het individueel deel. Verweerster heeft in dezelfde brief immers de conclusies en aanbeve- lingen van de onderzoekscommissie volledig overgenomen. Zij heeft niet, ook op geen enkel moment na 28 januari 2016, aan eiser bericht dat zij nog mogelijkheden zag voor herstel van de verstoorde verhoudingen binnen de maatschap of dat de toegang slechts was ontzegd voor de duur van de arbi- trale procedure tussen de leden van de vakgroep. Het enkele feit dat verweerster het individueel deel niet met zoveel woorden en bij aangetekend schrijven heeft opgezegd, maakt niet dat haar handelin- gen materieel niet als zodanig kunnen worden gekwalificeerd. 5.4. Uit het voorgaande volgt dat verweerster op of omstreeks 22 januari 2016 aan A. definitief de toe- gang heeft geweigerd en dat zij het individueel deel zonder inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van zes maanden feitelijk heeft opgezegd. 5.5. ▇▇▇▇▇ had op grond van artikel 15 van het individueel deel binnen dertig dagen beroep kunnen instel- len bij het Scheidsgerecht tegen de opzegging. Verweerster heeft om die reden betoogd dat eiser niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Dat betoog wordt verworpen. De termijn van artikel 15 begint pas te lopen na de verzending van het aangetekend schrijven waarin de gronden voor de opzegging zijn vermeld. Dat schrijven heeft verweerster niet verzonden. De termijn is dus niet gaan lopen. Verweerster is zich bovendien steeds op het standpunt blijven stellen dat geenszins spra- ke was van een situatie als bedoeld in artikel 15 van het individueel deel. Ook om die reden komt haar naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toe op de termijn van dertig dagen. 5.6. De slotsom stelling van eiser dat de opzegging van het individueel deel zowel formeel als inhoudelijk in strijd is dat het Tuchtcollege geweest met hetgeen partijen daarover zijn overeengekomen, slaagt. Verweerster heeft eiser immers niet bevoegd is om kennis te nemen tevoren gehoord. Zij heeft ook de overeengekomen opzegtermijn van zes maanden niet in acht genomen. Opzegging zonder inachtneming van de ingediende klacht en zal zich om opzegtermijn kan alleen op grond van een drin- gende reden die onverwijld aan eiser is medegedeeld. Dat van een dringende reden onbevoegd verklarensprake was heeft verweerster niet gesteld. Aan een inhoudelijke beoordeling Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling met zoveel woorden erkend dat er voor onmiddellijke opzegging van het individueel deel geen aanleiding was. Ook de over en weer ingediende stukken/stellingen komt onder- zoekscommissie heeft niet geconcludeerd dat de aanwezigheid van eiser in het Tuchtcollege niet toeziekenhuis acuut moest worden beëindigd. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling De onderzoekscommissie heeft voorgesteld aan de civiele rechter dienen orthopeden nog een termijn van drie weken te gunnen om alsnog in onderling overleg een vertrekregeling overeen te ko- men, dan wel opdracht te geven voor bindende arbitrage. Verweerster heeft nog wel gesteld dat zij niet meer lang kon wachten, omdat het uitkomen van het rapport, en dan met name de conclusie dat een vertrek van ▇▇▇▇▇ uit het ziekenhuis onontkoombaar was, een potentieel risicovolle situatie voor de patiëntveiligheid opleverde. Het conflict tussen de orthopeden sleepte echter al jaren en de con- clusie dat eiser uit de maatschap zou moeten vertrekken en dat een goede samenwerking niet meer mogelijk was had I. c.s. al in april 2015 getrokken. Tegen deze achtergrond heeft verweerster met de enkele verwijzing naar het uitkomen van het rapport en ongewenste groepsvorming onvoldoende gemotiveerd dat zij eiser, zelfs zonder hem te leggenhoren, zo ongeveer op staande voet de toegang tot het ziekenhuis moest weigeren. De conclusie moet dan ook zijn dat verweerster onrechtmatig heeft ge- handeld door aan eiser definitief per 22 januari 2016 de toegang tot haar ziekenhuis te ontzeggen zonder dat sprake was van individueel disfunctioneren en zonder hem tevoren te horen. 5.7. Uit het voorgaande volgt dat verweerster in beginsel aansprakelijk is voor de inkomensschade die eiser heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het noodgedwongen vertrek uit de praktijk in het ziekenhuis van verweerster per 22 januari 2016. Dat is dezelfde schade waarvoor eiser I. c.s. aanspra- kelijk heeft gesteld. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om Scheidsgerecht heeft deze schade in het vonnis van 14 november 2016 bere- kend over de periode tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd (in 2024) en begroot op een bedrag gelijk aan de managementvergoeding gedurende twee jaar. Het Scheidsgerecht heeft gerekend vanaf 22 januari 2016. Daarom is bij de begroting van de schade van eiser rekening gehouden met het ver- lies van het winstaandeel in de maatschap gedurende de periode vanaf 22 januari 2016 tot aan de da- tum van het vonnis van 14 november 2016. Omdat verweerster in beginsel gehouden is dezelfde schade te besluiten vergoeden als I. c.s. zijn zij hoofdelijk verbonden en kon eiser kiezen van wie hij vergoeding van de gehele schade vorderde. Dat volgt uit artikel 6:102 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vanwege eigen schuld van eiser aan de duurzame ontwrichting van de samenwerking binnen de maatschap is in de verhouding tot openbaarmaking I. c.s. geoordeeld dat eiser de schade voor een gedeelte van 50% zelf moet dragen. Eiser kan op grond van het bepaalde in artikel 6:102 lid 2 BW van I. c.s. en verweer- ster in totaal niet meer vorderen dan hem zou zijn toegekomen, indien voor de omstandigheden waarop de vergoedingsplicht berust, slechts één persoon aansprakelijk zou zijn geweest. Dat brengt in dit geval mee dat eiser alleen een geanonimiseerde samenvatting aanvullende vergoeding van deze uitspraakinkomensschade van verweerster kan eisen indien zijn eigen draagplicht voor de gehele inkomensschade op minder dan 50% moet worden begroot. Dat is niet het geval. Integendeel, in de relatie tot verweerster moet de eigen schuld van ▇▇▇▇▇ aan zijn inkomensschade gewaardeerd worden op 100%. Ter toelichting wordt het volgende overwogen. 5.8. Hoewel De inkomensschade is ook een gevolg van omstandigheden die aan verweerster zijn toe te rekenen, maar deze vallen in de klacht verhouding tot de omstandigheden die aan eiser zelf zijn toe te rekenen in het niet. Gelet op de conclusies van de onderzoekscommissie en de ernstig en duurzaam verstoorde ver- houdingen tussen eiser en de overige leden van de maatschap orthopedie is het zeer onwaarschijnlijk dat eiser zonder de onrechtmatige gedragingen van verweerster na 22 januari 2016 nog veel langer feitelijk in het ziekenhuis zou hebben kunnen werken en een volledig winstaandeel zonder aftrek van kosten van waarneming zou hebben kunnen genieten. Verweerster had op grond van de aanbevelin- gen van de onderzoekscommissie immers na een termijn van ongeveer drie weken rechtmatig kun- nen overgaan tot een tijdelijke ontzegging van de toegang voor de duur van de arbitrageprocedure, al dan niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaardcombinatie met een opzegging van het individueel deel met inachtneming van de opzeg- termijn. ▇▇▇▇▇ heeft gesteld dat hij binnen de stichting overgeplaatst had kunnen worden naar een an- der ziekenhuis. Die stelling is ongeloofwaardig. Hij heeft deze stelling tegenover de bevindingen van de onderzoekscommissie over de opstelling van de orthopeden in andere ziekenhuizen van de stich- ting ook niet concreet onderbouwd. Zonder de gewraakte gedragingen van verweerster zou eiser langer recht hebben gehouden op zijn winstaandeel. Daar staat echter tegenover dat hij dan op grond van het individueel deel in beginsel de kosten van de waarneming voor eigen rekening had moeten nemen. Daar komt nog bij dat eiser in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Scheidsge- recht de inkomensschade van eiser op hetzelfde bedrag zou hebben begroot indien de maatschap niet op 22 januari 2016 zou zijn geëindigd, acht maar pas op 14 november 2016 door een vonnis van het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig Scheidsgerecht zou zijn ontbonden, en eiser voor de duur van de procedure op non-actief zou zijn ge- steld. Het is aannemelijk dat de inkomensschade in dat geval op een lager bedrag zou zijn begroot. ▇▇▇▇▇ kan niet aan verweerster verwijten dat hij geen oordeel van arbiters heeft gekregen over de ge- volgen van een einde van de maatschap per 14 november 2016. Het is zijn eigen beslissing geweest om te gelasten berusten in de maatregel en om geen poging te doen om die maatregel in (een arbitraal) kort geding van tafel te krijgen. Verder is van belang dat het door klager betaalde bedrag I. c.s. is geweest, en dus niet verweerster, die aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerdde bereidheid tot het onverschuldigd doorbetalen van de managementvergoeding gedurende zes maanden als voorwaarde heeft verbonden dat een definitieve vertrekregeling tot stand zou komen. Het Tuchtcollege is in de verhouding tot verweerster voor risico van eiser dat die definitieve regeling er niet is ge- komen en dat I. c.s. zich vervolgens, nadat in de arbitrale procedure incidenten waren opgeworpen en door eiser om aanhouding was gevraagd, op het standpunt heeft hierbij met name van belang geoordeeld gesteld dat klager diverse verzoeken aan NOAB zijn aanbod was verval- len. I. c.s. heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen vonnis van de tuchtklacht en het voldoen 14 november 2016 voldaan. Bij deze stand van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijdenzaken is er dan ook geen aanleiding om verweerster tot vergoeding van enige inkomensschade te veroordelen. 5.9. ▇▇▇▇▇ heeft wel voldoende aangetoond dat hij ook immateriële schade heeft geleden als gevolg van het feit dat hij niet is gehoord en dat de opzegtermijn van zes maanden niet in acht is genomen. I. c.s. is niet veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade. Door eiser niet te horen op haar voorgenomen besluit, heeft verweerster eiser de kans ontnomen om overleg te voeren over een voor hem mogelijk minder schadelijke route of over minder schadelijke en zo mogelijk gezamenlijke com- municatie. De plotselinge en acute verwijdering uit het ziekenhuis, zonder dat sprake was van indivi- dueel disfunctioneren, was in ieder geval onnodig diffamerend en schadelijk voor de goede naam van eiser. Daarvoor dient eiser door verweerster gecompenseerd te worden. De omvang van de immate- riële schade heeft eiser begroot op € 5.000. Hij heeft deze begroting mede gebaseerd op de parallel die door derden wordt getrokken tussen zijn situatie en de situatie van J.. Dat die parallel wordt ge- trokken is ongelukkig. Dat heeft ook verweerster erkend. Verweerster heeft echter geen mededelin- gen aan derden gedaan op grond waarvan die parallel is getrokken en kan dus ook niet aansprakelijk worden gesteld voor de schade die eiser daardoor lijdt. Alles afwegende, ook redenen van billijkheid, zal het Scheidsgerecht de immateriële schade begroten op de helft van het gevorderde bedrag, der- halve op een bedrag van € 2.500 en verweerster veroordelen tot betaling van dit bedrag. 5.10. Verweerster dient eiser ook te compenseren voor de geleden immateriële schade door een medede- ling op haar intranet te plaatsen. ▇▇▇▇▇ heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij daarbij belang heeft. De tekst van de rectificatie zoals gevorderd kan echter niet worden toegewezen. Verweerster kan niet worden verplicht om melding te maken van een vonnis van het Scheidsgerecht dat is gewe- zen in een procedure waarbij zij geen partij is geweest. Verweerster kan ook niet worden verplicht om mede te delen dat er voor een ‘dergelijke maatregel’ als toegangsontzegging geen enkele grondslag of rechtvaardiging bestond. Op grond van al de vaststaande feiten was er immers voldoende aanleiding om eiser, indien hij er niet in zou slagen binnen drie weken overeenstemming te bereiken over een vertrekregeling, voor de duur van de arbitrale procedure op non-actief te stellen. Verweerster kan wel veroordeeld worden om de volgende mededeling op haar intranet te plaatsen. 5.11. Partijen worden over en weer in het vorenstaande ongelijk gesteld. Gelet op deze uitkomst dient verweerster aan eiser de helft van de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de helft van de kosten voor rechtsbij- stand te worden beslist als hierna is vermeldbetalen, alsmede de helft van de kosten van het Scheidsgerecht. De gevorderde verklaring voor recht wordt achterwege gelaten omdat eiser daarbij geen afzonderlijk belang heeft.

Appears in 1 contract

Sources: Arbitraal Vonnis

De beoordeling. 5.15.1.1. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft ter zitting van de Accountantskamer verklaard dat hij bij de door hem verrichte werkzaamheden Standaard 4400N en niet de internationale Standaard ISRS 4400 heeft toegepast. 5.1.2. De eerst te beantwoorden vraag is Accountantskamer toetst het handelen of het Tuchtcollege bevoegd is om nalaten van betrokkene aan de ingediende klacht kennis te nemen. Klager beantwoordt deze vraag bevestigend, betrokkene ontkennendVerordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Nadere voorschriften controle- en overige Standaarden (NV COS). 5.25.1.3. De Accountantskamer zal de klachtonderdelen hierna achtereenvolgens bespreken. De Accountantskamer zal de klachtonderdelen d en f vanwege de verwevenheid van deze beide klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. Ook zal de Accountantskamer de klachtonderdelen l en m vanwege de verwevenheid van deze beide klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. Klachtonderdeel a: Betrokkene voert ter ondersteuning heeft niet integer gehandeld. 5.2.1. Uit de toelichting op dit klachtonderdeel in hoofdstuk 4 van zijn standpunt aan het klaagschrift blijkt dat de op 5 december 2022 door klager ingediende klacht dit klachtonderdeel betrekking heeft op een daaraan voorafgaande periode drietal verwijten die klager betrokkene maakt. Klager stelt dat betrokkene nog “aspirant” bepaalde door de onderneming aangeleverde informatie, die betrekking had op de management fees, zonder onderzoek heeft overgenomen, dat betrokkene het door [C] benoemde lid van geschillencommissie [E] (hierna: [E]) aangeleverde auditprogramma, onderbouwingen en bewijzen heeft overgenomen en dat betrokkene heeft gerapporteerd in een sheet die is aangeleverd door [E]. 5.2.2. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft in zijn rapportage vermeld dat hij zich gebaseerd heeft op informatie die afkomstig was van het management van de onderneming. Hij heeft geen onderzoek gedaan naar de management fees. Wel heeft hij door bankrekeningen en aangiftes omzetbelasting door te nemen vastgesteld dat geen management fees zijn gefactureerd. 5.2.3. De Accountantskamer is van oordeel dat er geen reden is waarom betrokkene zich, gezien zijn opdracht, niet mocht baseren op de door het management van de onderneming verstrekte informatie. De Accountantskamer overweegt dat het uitbrengen van een bindend advies over de ontvlechting van de onderneming de verantwoordelijkheid was van de geschillencommissie en niet van betrokkene. De opdracht waarvoor betrokkene was ingeschakeld had een beperkte omvang. Voor een goede uitvoering van deze opdracht was noodzakelijk dat betrokkene contact had met het management van de onderneming voor het verkrijgen van toegang tot de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke stukken. Omdat klager niet meer feitelijk actief was binnen het management, moest voor het verkrijgen van deze stukken wel contact worden opgenomen met [C], die wel over de gevraagde stukken kon beschikken. Niet is gebleken dat betrokkene hierdoor gehandeld heeft in strijd met enig fundamenteel beginsel. 5.2.4. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft zijn onderzoek verricht aan de hand van een aan hem aangeleverde opstelling. Dit stond hem vrij. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft toegelicht dat een door hem gebruikte sheet met informatie die hij diende na te kijken was aangeleverd door de geschillencommissie. Of deze sheet oorspronkelijk is opgesteld door [E] is betrokkene niet bekend. De Accountantskamer kan uit het voorgaande niet afleiden dat betrokkene door gebruik te maken van deze sheet gehandeld heeft in strijd met enig fundamenteel beginsel. 5.2.5. Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdeel a ongegrond is. Klachtonderdeel b: ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ is betrokken bij NOAB (of in verband gebracht met informatie die materieel onjuist, onvolledig of misleidend is. 5.3.1. De Accountantskamer overweegt dat zonder nadere toelichting niet te begrijpen valt wat klager betrokkene in dit klachtonderdeel verwijt. Klager heeft dit klachtonderdeel weliswaar toegelicht in hoofdstuk 5 van 20 november 2019 het klaagschrift, maar deze toelichting is uiterst summier en verwijst naar de voorgaande hoofdstukken van het klaagschrift. Ook bij de behandeling van de zaak op de zitting van de Accountantskamer is een toelichting achterwege gebleven. Een dergelijke algemene verwijzing is naar het oordeel van de Accountantskamer onvoldoende concreet. 5.3.2. Klachtonderdeel b is daarom ongegrond. Klachtonderdeel c: Betrokkene heeft geen maatregelen getroffen om zijn werkelijke betrokkenheid aan de beoogde gebruikers van de informatie kenbaar te maken. 5.4.1. Uit de toelichting op dit klachtonderdeel in hoofdstuk 6 van het klaagschrift blijkt dat [D], het namens klager benoemde lid van de geschillencommissie, een nadere toelichting wenste van betrokkene op een waardesheet. Hij verwijt betrokkene dat deze niet heeft gereageerd op de op 10 februari 2020 door [D] gestelde vraag of bepaalde waarderingen afkomstig waren van [E] of van betrokkene. 5.4.2. De Accountantskamer stelt vooreerst vast dat de e-mail van [D] van 10 februari 2020 niet geadresseerd is aan betrokkene, maar aan de andere leden van de geschillencommissie. Wel is betrokkene in cc meegenomen. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ maakte geen deel uit van de geschillencommissie en de voorzitter had hem bericht dat een opstelling van waardes was gemaakt. Betrokkenes opdracht beperkte zich tot 6 december 2022)het doen van onderzoek naar een aantal punten die van invloed zouden kunnen zijn op de waardering. De waardering zelf vond plaats door de geschillencommissie. De Accountantskamer is van oordeel dat hier, anders dan klager heeft betoogd, geen sprake was van een onjuiste voorstelling van betrokkenes betrokkenheid bij bepaalde informatie. Van strijd met artikel 10 van de VGBA is dan ook geen sprake. 5.4.3. Klachtonderdeel c is daarom ongegrond. Klachtonderdeel d: Betrokkene is niet objectief en onafhankelijk geweest. Klachtonderdeel f: Betrokkenes onafhankelijkheid is tekortgeschoten. 5.5.1. Uit de toelichting op klachtonderdeel d in hoofdstuk 7 en uit de toelichting op klachtonderdeel f in paragraaf 8.1 van het klaagschrift blijkt dat deze klachtonderdelen betrekking hebben op het onderhouden van zakelijke en vriendschappelijke betrekkingen met [C] door betrokkene. Ook heeft klager zich op het standpunt gesteld dat betrokkenes echtgenote en de echtgenote van [C] vriendinnen zijn. Klager stelt zich op het standpunt dat de vigerende Statuten en overige reglementen betrokkene door deze vriendschappelijke betrekkingen in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van NOAB een uitdrukkelijk voorbehoud inhouden ten aanzien objectiviteit, meer in het bijzonder met artikel 11 van de rol van een aspirant ten opzichte van een gekwalificeerd (senior) lid van NOABVGBA. En dat verhindert - aldus betrokkene - dat Ook stelt klager met succes zou kunnen klagen over de periode zich op het standpunt dat betrokkene nog aspirant was bij NOABgehandeld heeft in strijd met de regelgeving inzake de onafhankelijkheid van accountants. 5.5.2. Verder is de klacht ingediend voordat betrokkene volwaardig NOAB-lid is geworden. Klager daarentegen ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ stelt zich op het standpunt dat ook op geen sprake was van een aspirant zodanige zakelijke of vriendschappelijke betrekking met [C] dan wel met zijn echtgenote dat sprake zou zijn van NOAB een bedreiging voor zijn objectiviteit dan wel onafhankelijkheid. 5.5.3. Ten aanzien van het betoog van klager dat betrokkene gehandeld heeft in strijd met de Gedrags- regelgeving inzake de onafhankelijkheid van accountants, overweegt de Accountantskamer dat de regels met betrekking tot de onafhankelijkheid van accountants zijn neergelegd in de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO). Op grond van het bepaalde in artikel 2 van de ViO geldt deze verordening alleen voor assurance-opdrachten waarop de Nadere voorschriften controle- en Beroepsregels, alsmede het tuchtrecht overige standaarden (NV COS) van toepassing zijn, ter onderbouwing waarvan hij verwijst naar artikel 4, lid 1, van . Omdat de Statuten NOAB, zoals deze luiden per 1 juli 2013. 5.3. Gelijk het Tuchtcollege aan het slot van de mondelinge behandeling van de klacht reeds aan partijen heeft voorgehoudenbetrokkene verstrekte opdracht geen assurance-opdracht is, is het Tuchtcollege bepaalde in de ViO hierop dan ook niet van oordeel toepassing. Van handelen in strijd met de regelgeving inzake de onafhankelijkheid van accountants is dan ook geen sprake. 5.5.4. De Accountantskamer overweegt verder dat het gelijk in beginsel aan een klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat een accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Betrokkene heeft gemotiveerd bestreden dat sprake was van een zakelijke relatie met [C]. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft weliswaar bevestigd dat hij namens drie aandeelhouders van de investeringsholding [BV1] ([BV1]) heeft gecorrespondeerd over een consortiumlening, maar deze aan de zijde van werkzaamheden verrichtte betrokkene is. 5.4niet enkel namens [C], maar ook namens ▇▇▇▇▇▇ en een derde aandeelhouder. Dit gegeven vormde dan ook geen bedreiging voor betrokkenes objectiviteit. Het Tuchtcollege grondt haar oordeel op de volgende bepalingen. Artikel 4, lid 2, van de hiervoor bedoelde Statuten NOAB bepaalt gegeven dat “Aspiranten zijn degenen die zich bekwamen voor het gewoon lidmaatschap, maar geen betrokkene en [C] lid zijn van de verenigingdezelfde golfclub is op zichzelf genomen onvoldoende om daaruit te concluderen dat sprake was van zodanige vriendschappelijke betrekkingen tussen betrokkene en [C] dat deze een bedreiging vormden voor betrokkenes objectiviteit. Aspiranten ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft onweersproken toegelicht dat hij en [C] lid zijn onderworpen aan de statuten, reglementen van verschillende golfkringen binnen deze club en besluiten dat deze kringen niet op dezelfde dagen spelen. 5.5.5. Het gegeven dat betrokkenes echtgenote en [C]’s echtgenote als leden van de vereniging die op hen van toepassing zijn verklaard.” Verder houdt artikel 9, lid 1, golfclub wat frequenter contact met elkaar hebben gehad en dat zij in 2017 allebei (samen met andere leden van de meergenoemde Statutengolfclub) hebben deelgenomen aan een toernooi in Trinidad, is op zichzelf genomen evenmin voldoende om aan te nemen dat sprake was van een bedreiging voor betrokkenes objectiviteit. In dit verband overweegt de Accountantskamer dat niet ieder contact in de privésfeer – en zeker niet ieder privécontact van een familielid - meebrengt dat “Leden zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de vereniging.” Tenslotte bepaalt artikel 1 van het Reglement Tuchtrechtspraak NOAB dat leden, zoals verwoord in artikel 4, lid 1 van de statuten van NOAB aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. 5.5. Deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat er wel degelijk sprake is van een verschil in aanpak bedreiging voor de objectiviteit van een aspirant ten opzichte accountant. Niet gebleken is dat het contact tussen de beide echtgenotes zodanig was, dat dit een bedreiging vormde voor betrokkenes objectiviteit. 5.5.6. De klachtonderdelen d en f zijn daarom ongegrond. 5.6.1. Uit de toelichting op dit klachtonderdeel in hoofdstuk 8 van een gekwalificeerd (senior) lid het klaagschrift blijkt dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op het in de visie van NOAB: een aspirant klager negeren van klagers input bij het verrichten van zijn werkzaamheden voor de geschillencommissie en dat hij niet getracht heeft geen stemrecht noch overigens rechten en plichten; om tot objectieve waarheidsvinding te komen. 5.6.2. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene zijn werkzaamheden heeft verricht in overeenstemming met de instructies die hij moet zich nog bekwamen voor een gewoon lidmaatschap en is uitdrukkelijk geen lid ontvangen heeft van NOAB noch zijn -voor zover thans de voorzitter van belang - anderszins statuten, reglementen en besluiten op hem als aspirant de geschillencommissie. Hij heeft gecommuniceerd met de voorzitter van toepassing verklaard. Onder die omstandigheden kan de aspirant in een casus als deze niet tuchtrechtelijk worden aangesprokencommissie. Het ligt op de weg van klager om zijn stelling dat betrokkene zijn input heeft genegeerd met concrete feiten te onderbouwen. Klager heeft echter niet concreet aangegeven welke input van zijn kant betrokkene heeft genegeerd. Klager heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene op dit punt is tekortgeschoten. 5.6.3. Klachtonderdeel e is daarom ongegrond. Klachtonderdeel g: Betrokkene is niet zorgvuldig en transparant geweest. 5.7.1. De Accountantskamer stelt vast dat dit klachtonderdeel slechts summier is toegelicht in paragraaf 8.2 van het klaagschrift. Uit deze summiere toelichting blijkt dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op het vaststellen van rente in rekening-courant. Klager stelt zich op het standpunt dat betrokkene ten onrechte gerekend heeft met een rentepercentage van 7,75% en niet met de door klager in dit verband opgevoerde de [bank1] ([bank1]) gehanteerde wettelijke rente van 3,78%. Uit artikel 7 lid 4, lid 1aanhef en onder b, van de statuten NOAB leidt naar tussen klager en [C] gesloten ‘partnership agreement’ volgt volgens klager dat moet worden aangesloten bij de wettelijke rente in [land1]. 5.7.2. Betrokkene heeft toegelicht dat hij voor wat betreft het oordeel rentepercentage 7,75% is uitgegaan van het Tuchtcollege niet tot percentage dat was overeengekomen in een andere conclusieovereenkomst van geldlening waarbij zowel klager als [C] als ‘guarantor’ optraden. 5.65.7.3. De slotsom is Accountantskamer stelt vast dat het Tuchtcollege niet bevoegd is om kennis te nemen klager niet, althans onvoldoende, heeft toegelicht waarom artikel 7 lid 4, aanhef en onder b, van de ingediende klacht en zal zich om die reden onbevoegd verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling ‘partnership agreement’ hier volgens hem van de over en weer ingediende stukken/stellingen komt het Tuchtcollege niet toe. Indien klager persisteert bij zijn grieven, zal hij deze ter beoordeling aan de civiele rechter dienen voor te leggen. 5.7. Het Tuchtcollege acht termen aanwezig om te besluiten tot openbaarmaking van een geanonimiseerde samenvatting van deze uitspraak. 5.8. Hoewel de klacht niet in al haar onderdelen gegrond wordt verklaard, acht het Tuchtcollege desondanks termen aanwezig om te gelasten dat het door klager betaalde bedrag aan griffierecht ad € 500 aan klager zal worden gerestitueerd. Het Tuchtcollege heeft hierbij met name van belang geoordeeld dat klager diverse verzoeken aan NOAB heeft gedaan om uitsluitsel te verkrijgen over de exacte status van betrokkene met betrekking tot het aspirantschap casu quo het volwaardig lidmaatschap van betrokkene, maar telkens daarop onvoldoende duidelijke antwoorden gekregen; eerst kort voor de zitting heeft de griffier van het Tuchtcollege klager daaromtrent per e-mail ingelicht. Wellicht had klager, indien hij die wetenschap wel eerder had verkregen, ook zelf kunnen ontdekken dat betrokkene vanwege het ontbreken van een voor het indienen van een tuchtklacht benodigd gekwalificeerd lidmaatschap, niet onderworpen was aan het tuchtrecht, hetgeen hem wellicht het indienen van de tuchtklacht en het voldoen van het daarvoor verschuldigde griffierecht had kunnen doen vermijden. 5.9toepassing is. Op grond van de tekst van deze bepaling van de, enkel in conceptvorm overgelegde, ‘partnership agreement’ is aannemelijk dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op betaling voor door de moedervennootschappen ingekochte aandelen en niet op de situatie waarop dit klachtonderdeel volgens de toelichting daarop betrekking heeft. 5.7.4. Klachtonderdeel g is daarom ongegrond. Klachtonderdeel h: Betrokkene heeft niet aangegeven hoe hij is omgegaan met alternatieven. 5.8.1. Uit de toelichting op dit klachtonderdeel in paragraaf 8.3 van het klaagschrift blijkt dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op een drietal punten waarop volgens ▇▇▇▇▇▇ een alternatieve benadering mogelijk was. Deze punten zijn door betrokkene in het klaagschrift aangeduid als, respectievelijk, alternatief 1, alternatief 2 en alternatief 3. 5.8.2. Ten aanzien van alternatief 1 overweegt de Accountantskamer dat betrokkenes opdracht betrekking had op het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden. Daarvan mocht hij uitgaan. Betrokkene maakte geen deel uit van de geschillencommissie en waarderingskwesties, zoals de waardering van de door klager in alternatief 1 genoemde ‘partnership’, vielen buiten de aan hem verstrekte opdracht. Betrokkene heeft onweersproken aangegeven dat hij het bedoelde alternatief 1 niet kende en hij hoefde voor wat betreft deze waardering dan ook niet met dit alternatief rekening te houden. 5.8.3. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft ten aanzien van de documenten waarnaar klager bij de onderbouwing van zijn alternatieven 2 en 3 heeft verwezen, verklaard dat deze documenten hem niet bekend waren en dat hij geen relatie ziet met de door hem te onderzoeken punten. Klager heeft daarop niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene de desbetreffende documenten ten tijde van het verrichten van zijn werkzaamheden wel kende. Hiermee kon betrokkene daarom geen rekening houden. Onbesproken kan blijven of deze documenten al dan niet verband hielden met de door betrokkene te verrichten werkzaamheden. 5.8.4. Klachtonderdeel h is daarom ongegrond. Klachtonderdeel i: In de door betrokkene opgestelde rapportage is niet aangegeven waarop hij zich heeft gebaseerd en of deze volledig is. 5.9.1. Uit de toelichting op dit klachtonderdeel in paragraaf 8.4 van het vorenstaande klaagschrift blijkt dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op de volledigheid van de informatie waar betrokkene zich op heeft gebaseerd. 5.9.2. ▇▇▇▇▇▇▇▇▇▇ heeft ter zitting verklaard dat het door hem opgestelde conceptrapport op een tweetal ondergeschikte punten na overeenkomt met de definitieve versie van het rapport. Betrokkene heeft de definitieve versie van het rapport niet kunnen vinden. De Accountantskamer zal, gelet op deze verklaring van betrokkene, bij de beoordeling van dit klachtonderdeel uitgaan van de bij het verweerschrift aangeleverde tekst van het conceptrapport. 5.9.3. De Accountantskamer overweegt dat Standaard 4400N.35 vastlegt wat een rapport dient te worden beslist bevatten. Zo bepaalt Standaard 4400N.35, aanhef en onder ‘opdracht’, sub b, dat een rapport een beschrijving dient te bevatten van het doel waarvoor de overeengekomen specifieke werkzaamheden zijn uitgevoerd. In het conceptrapport, met bijlage, is in algemene zin toegelicht op welke informatie betrokkene zijn bevindingen heeft gebaseerd. De Accountantskamer is evenwel van oordeel dat de in het conceptrapport vermelde informatie op een aantal onderdelen onvolledig is: Voor wat betreft het onderdeel “CONTRACTS: management fees invoices received and payments by Factor Plus and CCB” is niet aangegeven om welke management fees het gaat en van wie de rekeningen afkomstig zouden moeten zijn. Ook is niet vermeld wat de bron is van de informatie in dit onderdeel, en waarom geen aanvullende werkzaamheden zijn verricht in relatie tot de volledigheid van de management fees. Wel wordt in onderdeel 4 van het conceptrapport vermeld dat alle rekeningen zijn aangesloten met de bankafschriften, maar niet duidelijk is om welke bankrekening(en) het dan gaat. Het onderdeel “[NV1] buy-out [autoverhuurbedrijf] / [autoleasebedrijf] and use of funds 100k dividend”, onder vraag en antwoord 17 van het conceptrapport, luidt als hierna volgt: Accountantskamer stelt vast dat betrokkene niet heeft aangegeven op basis van welke informatie deze vraag is vermeld.beantwoord. Voor wat betreft onderdeel “UNPAID DIVIDENDS/UITKERINGEN NK: calculation and verification to banks statements“ onder vraag 24 “Has the compounded interest been calculated correctly”, oordeelt de Accountantskamer dat uit het conceptrapport plus bijlage niet blijkt om welk rentebedrag het gaat, op welke informatie dit bedrag is gebaseerd en wat de norm is voor de berekening van de samengestelde rente. De Accountantskamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat betrokkene onvoldoende heeft weergegeven op welke informatie hij zich heeft gebaseerd. Betrokkene heeft in zoverre gehandeld in strijd met het fundamentele be

Appears in 1 contract

Sources: Tuchtrechtspraak Accountants