Deelconclusie Voorbeeldclausules

Deelconclusie. De scenario-analyse zet een aantal beleidsopties af ten opzichte van een basispad. In dit basispad zijn reeds voor- ziene maatregelen opgenomen op het gebied van de fiscaliteit, de regulering van en het toezicht op de Wtt-sfeer, en de regulering van en het toezicht op ‘trustdiensten’ buiten de Wtt. Als gevolg van deze maatregelen is het de verwachting dat in het basispad de gereguleerde trustsector verder zal consolideren en in omvang zal afnemen. Voor sommige klanten zal de vraag naar trustdiensten afnemen, bijvoorbeeld omdat dit niet langer fiscaal aantrek- kelijk is of doordat hogere kosten voor compliance en toezicht deels op klanten omgeslagen worden. Sommige aanbieders zullen niet langer voldoende toekomstperspectief zien en hun trustvergunning inleveren. Een vraag is daarbij wat er tijdens deze consolidatie- c.q. krimpslag gebeurt met de doelvennootschappen die voorheen door zulke trustkantoren bediend werden. Hier bestaan in elk geval vier opties, namelijk i) beëindiging/opheffing van de doelvennootschap, ii) handhaving van de doelvennootschap in eigen beheer (en mogelijk afnemen van additionele diensten, bijvoorbeeld Wwft-diensten), iii) substitutie naar een (buitenlandse) gereguleerde aanbieder of iv) substi- tutie naar trustdienstverlening buiten de Wtt-sfeer (illegale trustdienstverlening). Substantiële marktkrimp en consolidatie van de sector vereenvoudigen het toezicht op witwasrisico’s, in de zin dat de toezichthouder met dezelfde capaciteit een groter aantal trustkantoren kan controleren en de ‘hooiberg’ waarin witwassers gevonden moeten worden kleiner wordt. Een kanttekening hierbij is dat dit enkel het gereguleerde deel van de markt betreft en dat een deel van de krimp van deze markt wordt verklaard door verschuiving van activiteiten naar eigen beheer of naar buiten de Wtt-sfeer. Zicht op deze groep neemt juist af, en de kans bestaat dat zich hier (nieuwe) witwasrisico’s concentreren. Een mogelijk remmende factor voor deze concentratie van (nieuwe) witwasri- sico’s buiten de Wtt-sfeer is dat in het basispad ook sprake is van aanvullend beleid op dit niet-gereguleerde deel van de markt. Dat kan helpen om ‘tegendruk’ te bieden voor substitutie naar het illegale segment van de markt, maar ook moet erkend worden dat het moeilijk is om een vergelijkbare toezichtsintensiteit buiten de Wtt-sfeer bin- nen de Wtt-sfeer te organiseren. Tegen deze achtergrond hebben we een aantal scenario’s verkend, die strekken van nadere wettelijke eisen aan gereg...
Deelconclusie. In het eerste hoofdthema zijn een aantal factoren aan bod gekomen die leidinggevenden hebben genoemd die van invloed zijn op hun manier waarop zij mobiliteit bevorderende HR-praktijken implementeren. Deze factoren zijn door alle leidinggevenden spontaan genoemd. Stimulerende beweegredenen voor het inzetten van mobiliteit bevorderende HR-praktijken zijn gelukkige werknemers die beter op hun plek zitten, positieve invloed op prestaties en inspiratie voor anderen om mobiel te worden. Een belemmerende beweegreden is dat leidinggevenden een beperkte bewegingsruimte hebben om mobiliteit bevorderende HR-praktijken in te zetten. Een stimulerende als belemmerende beweegreden wordt houding en gedrag van werknemers genoemd. Hierin wordt de mate waarin werknemers zelf actief met mobiliteit omgaan bedoeld. Dit heeft vervolgens invloed op de motivatie van leidinggevenden om de werknemers te ondersteunen.
Deelconclusie. Op dit moment kan de samenstellend accountant gebruik maken van twee toepassingen die door blockchain technologie worden ondersteunt. De eerste is documentatievastlegging op basis van timestamping. De tweede toepassing is betaling via een smart contract. Beide systemen hebben geen toegevoegde waarde voor de accountant. Hierdoor wordt geconcludeerd dat blockchain geen rendabele toepassing is voor de mkb-accountant tijdens het samenstelproces. In verschillende papers wordt een beeld geschetst van een ideale situatie, waarin blockchain een grote rol speelt voor de administratie van een onderneming. Experts schetsen een situatie waarin alle transacties via blockchain lopen en hiermee automatisch met elkaar verbonden zijn. Ten gevolge zijn stakeholders in staat om de financiële gegevens van een onderneming realtime in te zien. Een jaarrekening is niet meer nodig op deze manier. Dit betekent dat het werk van de samenstellend accountant niet langer nodig is. Echter, is het geschetste beeld te optimistisch, gezien de barrières die blockchain op dit moment nog kent. Ondernemingen zijn niet enthousiast om financiële gegevens op transactieniveau openbaar te maken. Identiteit van gebruikers is op dit moment niet met zekerheid vast te stellen. Daarnaast ontbreekt governance en enige vorm van wet- regelgeving. Dit betekent dat blockchain geen impact heeft op het samenstelproces van de mkb-accountant. Zelf kunnen zij er nog geen gebruik van maken en de technologie is nog niet operationeel voor ondernemingen.
Deelconclusie. Ieder sectoraal afsprakenstelsel of regietoepassing kan worden geplaatst in een van de bovengenoemde categorieën. Op basis daarvan kan vervolgens worden vastgesteld: 1. of, en zo ja op welke wijze er ruimte bestaat voor het uitoefenen van regieactiviteiten; en 2. welke afspraken er moeten worden gemaakt om de leemten te vullen ten aanzien van waarborgen voor de burger, zoals doelbinding en proportionaliteit. De te maken afspraken/op te stellen spelregels bespreken wij in hoofdstuk 5. Voorafgaand daaraan wordt in hoofdstuk 4 eerst de generieke wet- en regelgeving besproken die vaak van toepassing zal zijn op sectorale afsprakenstelsels en regietoepassingen.
Deelconclusie. Om tot een rechtsgeldig ontslag op staande voet te komen, zijn nog steeds drie vereisten van belang, te weten het bestaan van een dringende reden, onverwijlde opzegging en gelijktijdige mededeling van de dringende reden. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Hierbij is het niet noodzakelijk dat de werknemer een verwijt kan worden gemaakt. De arbeidsovereenkomst dient wel zo spoedig mogelijk te worden opgezegd, zodat aan de voorwaarde van onverwijldheid wordt voldaan. De mededelingseis van artikel 7:677 BW ziet op het mededelen van de reden van het ontslag aan de wederpartij, zodat deze weet waar hij aan toe is. Om tegen het ontslag op staande voet te ageren, had de werknemer op basis van het oude ontslagstelsel verschillende mogelijkheden, waaronder het inroepen van de vernietigbaarheid of de schadeplichtigheid van het ontslag op staande voet. Tussen deze twee opties kon een eenmalige keuzewisseling plaatsvinden. De mate waarin de mogelijke acties van de werknemer door de invoering van de WWZ zijn gewijzigd, komt in hoofdstuk 4 aan bod.
Deelconclusie. Het doel van dit literatuuronderzoek is het onderzoeken van de gevolgen van de oplopende leeftijd binnen de Schoonmaak- en Glazenwassersbranche op de productiviteit. Aan de hand van bestaande literatuur is getracht de volgende vragen te beantwoorden: 1. Wat zijn de belangrijkste factoren die veranderen met leeftijd waardoor de fysieke belastbaarheid van de medewerker vermindert? 2. Wat zijn de meest bepalende determinanten van werklast? 3. Wat zijn de belangrijkste fysische omstandigheden die de belastbaarheid van de medewerker beïnvloeden? 4. Wat voor modererend effect heeft belastbaarheid op de relatie tussen werklast en productiviteit? 5. Wat voor modererend effect hebben regelmogelijkheden en sociale ondersteuning op de relatie tussen werklast en productiviteit? De bevindingen uit het literatuuronderzoek zijn samengevat in het onderstaande model (zie Figuur 2).
Deelconclusie. In de waterparagraaf (paragraaf 5.8) wordt aangegeven hoe rekening is gehouden met het beleid van het Waterschap in het plan.
Deelconclusie. In deze deelrapportage binnen het onderzoek naar de oplopende leeftijd in de Schoonmaak- en glazenwassers branche zijn de bevindingen van de tijdsstudie uiteengezet. Oudere deelnemers hebben significant minder tijd nodig voor het uitvoeren van vier taken (dweilen, stofzuigen, toilet schoonmaken en vegen met de handveger) tijdens de tijdsstudie. Dit gaat tegen de aanname in dat oudere deelnemers, als gevolg van lichamelijk achteruitgang, langer nodig hebben voor hun taken, en daarmee minder productief zijn. Het optreden van een HWE en de mogelijkheid om sneller te werken door ervaring en routine zijn hier mogelijke verklaringen voor. Bij bestudering van de metingen van de overige vier taken en de toiletruimtes is geen significant verschil gevonden. Daarnaast zijn er geen (grote) verschillen te onderscheiden in de verdeling tussen primaire, secundaire en tertiaire taken tussen jongeren en ouderen. Als gevolg hiervan kan de aanname dat ouderen meer tijd nodig hebben voor hun taken, en daarmee minder productief zijn, dan jongeren niet bevestigd worden. Dit komt overeen met de tendens in de focusgroepen. Dat ouderen sneller zijn dan jongeren kan, als gevolg van de wisselende significantie, eveneens niet bevestigd worden. Het aantal seconden per taak en clusterruimte varieert daarnaast sterk per individuele meting. Dit kan verklaard worden door de observatie dat de duur van een taak sterk beïnvloed wordt door de grote van het schoon te maken object en de staat van het object. Dit bevestigt nogmaals het belang van het in acht nemen van de grote en staat van objecten tijdens aanbestedingstrajecten en de uitvoer hiervan. Déhora wijst erop dat ondanks de valide opzet van de tijdstudie een aantal zaken de betrouwbaarheid van de resultaten beïnvloed kunnen hebben. Ten eerste zijn 15 deelnemers slechts een heel klein deel van de gehele Schoonmaak- en Glazenwassersbranche en heeft de tijdstudie enkel in de ‘algemene schoonmaak licht’ plaatsgevonden. Hierdoor kan een vertekend beeld van de gehele branche zijn ontstaan en zijn de resultaten slechts in beperkte mate generaliseerbaar. Binnen de huidige scope en onderzoeksopzet was het echter niet mogelijk meer deelnemers te verkrijgen. Daarnaast kan het spreiden van de 15 deelnemers over de verschillende sub sectoren ervoor gezorgd hebben dat de metingen niet vergelijkbaar zijn. Desondanks is Déhora ervan overtuigd dat de 2496 individuele taken en goed indicatie hebben gegeven waarop vervolgonderzoek verder kan bouwen. Ten ...
Deelconclusie. Wat zijn de aard en omvang van de Nederlandse trustsector? De aard van de trustsector De omvang van de sector
Deelconclusie. Na inwerkingtreding van de WWZ is de mogelijkheid een werknemer op staande voet te ontslaan blijven bestaan op grond van artikel 7:677 BW. Een werknemer kan naar aanleiding van een dergelijk ontslag, ook op basis van het nieuwe ontslagstelsel, de vernietigbaarheid inroepen. Op die manier kan wedertewerkstelling worden gevorderd en een loonvordering worden ingesteld. Deze vernietigbaarheid dient voortaan wel in rechte en binnen twee maanden te worden ingeroepen. Een andere wijze waarop hij zijn rechten geldend kan maken bij een onterecht ontslag, is door het vorderen van een schadevergoeding. Deze schadevergoeding kan bestaan uit een billijke vergoeding, een transitievergoeding of een vergoeding voor de ten onrechte niet in acht genomen opzegtermijn. Bij een vordering tot schadevergoeding is cumulatie van de verschillende soorten vergoedingen mogelijk. De mogelijkheid van keuze te wisselen tussen een beroep op de vernietigbaarheid en de schadeplichtigheid is nog steeds aanwezig in de WWZ. Verder is het ex artikel 7:683 BW sinds de invoering van het nieuwe ontslagstelsel ook mogelijk hoger beroep en cassatie in te stellen tegen een ontbindingsbeschikking, een vernietiging van de onverwijlde opzegging en een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Deze rechtsmiddelen hebben geen schorsende werking. 167 Artikel 7:683 lid 4 BW jo. artikel 7:682 lid 6 BW. 168 Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 115. ▇▇▇ ▇▇▇ ▇▇▇ ▇▇▇▇ 23 februari 2016, ECLI:NL:GHDA:2016:435.