Het verweer Voorbeeldclausules

Het verweer. Het verweer houdt zakelijk en samengevat het volgende in: 3.1 Bij klaagster is al jarenlang sprake van psychische problematiek in verband waarmee zij de praktijk regelmatig en laagdrempelig met diverse klachten benaderde. Klaagsters ziektegeschiedenis kenmerkt zich door uitgebreidheid en complexiteit waarbij verweerder als huisarts de gepresenteerde problemen serieus heeft geprobeerd te adresseren waarbij hij veel tijd heeft genomen voor huisbezoeken en gesprekken teneinde klaagster zo goed als mogelijk te helpen. Ondanks verweerders inspanningen bleef sprake van onoverbrugbare verschillen tussen klaagsters hulpvraag en de visie van verweerder en externe ingeschakelde deskundigen daarop. Met name ook, omdat voldoen aan al klaagsters wensen op medicamenteus gebied als medisch niet verantwoord en zinvol werd beoordeeld. Dit heeft geleid tot hele lastige situaties waarin verweerders grenzen steeds verder werden opgerekt en overschreden en door klaagster(s) familieleden herhaaldelijk met een klacht werd gedreigd en klaagster de praktijk heeft verlaten. 3.2 Verweerder herkent zich in het geheel niet in de door klaagster beschreven gang van zaken en deze wordt dan ook uitdrukkelijk betwist. Verweerder herkent zich niet in een verwijt dat hij klaagster niet zou hebben teruggebeld. Los van het feit dat klaagster niet aangeeft wanneer zij niet zou zijn teruggebeld waardoor verweerder zich niet deugdelijk kan verweren, blijkt uit de aantekeningen in het journaal dat frequent contact heeft plaatsgevonden en klaagster is beoordeeld wanneer dat nodig was. 3.3 Het is verweerder niet duidelijk wat klaagster verweerder verwijt met betrekking tot de ziekenhuis opname in december 2019 waarbij verweerder niet betrokken is geweest. In essentie was sprake van een opname wegens ernstige hyponatriemie (waarvoor klaagster al eens eerder opgenomen was geweest) ten gevolge van psychogeen braken in combinatie met overmatig (en op eigen initiatief) brufengebruik. Hoewel verweerder niet kan reageren op gebeurtenissen of mededelingen van anderen in het ziekenhuis waarbij hij niet betrokken is geweest, is hij wel geïnformeerd over de aldaar geconstateerde overmatige consumptie van benzodiazepinen in verband waarmee de behandelend IC-arts verweerder heeft verzocht hieraan aandacht te schenken en deze medicatie niet meer voor te schrijven. Dit is met klaagster besproken, waarbij mogelijk ook het woord verslaving is gebruikt om klaagster te doordringen van de ernst van het probleem. 3.4 Ve...
Het verweer. De bank heeft verweer gevoerd tegen de stellingen van de consument. Voor zover relevant zal de commissie bij de beoordeling daarop ingaan.
Het verweer. De verzekeraar heeft verweer gevoerd tegen de stellingen van de consument. Voor zover relevant zal de commissie bij de beoordeling daarop ingaan.
Het verweer. De uitvoerder heeft verweer gevoerd tegen de stellingen van de consumenten. Voor zover relevant zal de commissie bij de beoordeling daarop ingaan.
Het verweer. Het verweer houdt zakelijk en samengevat het volgende in: 3.1 Op 4 april 2017 ▇▇▇▇▇ dochter telefonisch dat klaagster een aantal treden van een vlizotrap was gevallen. Er is direct spoedvisite gereden. Er was pijn bij palpatie sternum en ribben. Geen aanwijzing voor breuk in ribben/bovenbeen/arm/bekken. Waarschijnlijk wel pijnlijke kneuzingen. Klaagster gaf aan niet veel pijn te hebben. Verweerder gaf het advies te starten met paracetamol en als dit niet voldoende zou zijn te bellen voor sterkere pijnstillers. Later is gebeld en heeft verweerder naproxen als extra pijnstiller laten bezorgen. Medisch is hier een afweging gemaakt bij op dat moment geen aanwijzing voor ernstig letsel. Een rib of sternumfractuur op zich wordt ook behandeld met pijnstilling, identiek aan een contusie. Pijnstilling moet inwerken dus moest het effect van paracetamol even worden afgewacht. 3.2 Verweerder had er wellicht beter aan gedaan om klaagster door te sturen voor onderzoek en dan was de sternumfractuur eerder gevonden. Voor het beleid met pijnstilling maakt dit niet uit. Ook in het ziekenhuis is conservatief behandeld. Tijdens de opname in het ziekenhuis zijn de wervelfracturen ook niet direct gevonden. 3.3 Op 15 mei 2017 heeft verweerder tijdens een visite een gesprek met klaagster gevoerd. Hij heeft de inhoud niet als zodanig genoteerd, maar weet zich het nog goed te herinneren. Klaagster vertelde dat ze voelt dat dochters zich te veel zorgen maken, durven haar niet alleen te laten uit angst dat er iets gebeurt. Op 29 mei 2017 werd telefonisch contact opgenomen met de praktijk omdat klaagster nog veel pijn ervaart. Verweerder laat dan foto’s maken om uit te zoeken waarom klaagster nog zoveel rugpijn heeft. Hieruit bleek dat er 3 wervelfracturen aanwezig waren. Na overleg met de orthopeed heeft verweerder verwezen voor beoordeling door de specialist en zo mogelijk behandeling. De POH spreekt met klaagster op 29 mei 2017 (telefonisch). Ze geeft dan aan dat het allemaal niet zo dramatisch is als dochter doet voorkomen. Ze wil geen andere pijnmedicatie en afgesproken wordt later nogmaals contact op te nemen om met haar te praten. De specialist oordeelde dat een operatie niet mogelijk was en verwees klaagster voor korset en behandeling naar de pijnpoli. In deze periode zijn fysiotherapie, ergotherapie en een diëtiste betrokken geweest. Voorts hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden naar benauwdheid en hartfalen. Klaagster wordt in deze periode door de geriater, GGZ en de card...
Het verweer. 4.1. De makelaar en het kantoor van de makelaar voeren, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende verweer. 4.2. Zodra de makelaar door zijn opdrachtgevers op de hoogte was gesteld van het feit dat er een behandeling tegen boktor in het bijgebouw had plaatsgevonden, heeft hij vraag 12 van de vragenlijst dienovereenkomstig aangevuld. De makelaar verzet zich tegen het verwijt dat er diverse versies van de verkoopdocumentatie respectievelijk de vragenlijst in omloop zouden zijn. Dit is niet juist. Er is maar één wijziging in het vragenformulier aangebracht en die wijziging is ter gelegenheid van de ondertekening van de koopakte uitdrukkelijk met klagers besproken. Zij hebben toen niet alleen de koopakte ondertekend, maar ook die gewijzigde vragenlijst geparafeerd, inclusief de betreffende bladzijde. 4.3. De makelaar verwerpt het verwijt dat zijn standpunt niet steeds consistent is geweest: bij brief van 29 november 2017 van zijn gemachtigde is aangegeven dat de wijziging in de vragenlijst uitvoerig is besproken tussen koper, verkoper en de makelaar voordat de koopovereenkomst werd getekend en geparafeerd. Klagers zijn er, aldus de makelaar, op die wijze tijdens het tekenen van de koopakte duidelijk op gewezen dat de blokhut was behandeld tegen boktor. 4.4. In de periode, waarin de onderhandelingen werden gevoerd, was de makelaar niet op de hoogte van het boktorprobleem en heeft hij klagers daarop niet kunnen wijzen. Vraag 12 was immers door de verkopers aanvankelijk opengelaten. Op het moment van het opnemen van de woning en de bezichtigingen was de boktor niet zichtbaar. Was de makelaar op de hoogte geweest van het boktorprobleem, omdat de verkopers hem dat verteld hadden of omdat hij dat had geconstateerd, dan had hij dat aan de orde gesteld. 4.5. Omdat het om het bijgebouw gaat en er sprake was van een behandeling tegen boktor heeft de makelaar dit als een ondergeschikt punt gezien. Dat is de reden dat hij niet reeds voor de bijeenkomst ter ondertekening van de koopovereenkomst de kwestie bij klagers onder de aandacht heeft gebracht, maar pas ter gelegenheid van het tekenen. 4.6. De makelaar is van mening dat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de klacht ongegrond is.
Het verweer. De verzekeraar heeft de volgende verweren gevoerd.
Het verweer. 4.1. De makelaar voert, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende verweer. 4.2. Eerst enkele weken na ondertekening van de koop-/aannemingsovereenkomst is de ontsluiting van de achtertuin door klager en zijn partner bij de makelaar ter sprake gebracht. Er is dus geen sprake van dat de makelaar daarvan reeds voor het tekenen van de koop-/aannemingsovereenkomst op de hoogte was en/of in dit verband iets voor klager verzwegen zou hebben. Klager, althans zijn partner, verkeerde blijkbaar in de onjuiste veronderstelling dat er sprake zou zijn van een zijpad langs zijn woning naar de achtertuin, maar daarin heeft het bouwplan ook blijkens de tekeningen en de brochure, nooit voorzien. Ook niet vóór de aanpassing. Wel was voor die aanpassing sprake van een te vestigen erfdienstbaarheid aan de achterzijde ter ontsluiting van de tuinen, omdat er aanvankelijk sprake was van rijtjeswoningen zonder garages met als gevolg dat toegang tot de achtertuinen daarvan via een garage (of zijpaden langs de woningen) onmogelijk zou zijn. Na aanpassing van het plan was sprake van twee- onder-één-kap woningen met garage, zodat de achtertuinen via de garages konden worden ontsloten en een erfdienstbaarheid om ontsluiting achterlangs te realiseren niet langer nodig was (behoudens voor één middenwoning, zijnde bouwnummer [..], het buurpand van klager). Klager en zijn partner zijn voldoende en tijdig geïnformeerd en beschikten over alle relevante documentatie, zodat zij steeds exact van de situatie op hoogte waren. De makelaar bestrijdt met klem het verwijt dat hij bewust informatie zou hebben achtergehouden of valse informatie zou hebben verstrekt. 4.3. Omdat de erfdienstbaarheid was vervallen kon de medewerking van de buren niet afgedwongen worden, maar de makelaar veronderstelde dat de betrokken buren wellicht zouden willen meewerken aan een veel minder vergaand persoonlijk recht voor klager, om toch ontsluiting van zijn tuin aan de achterzijde te bewerkstelligen. De makelaar heeft vervolgens getracht klager van dienst te zijn door te proberen dit ten behoeve van hem te realiseren, maar stuitte daarbij tot zijn verrassing op grote weerstand bij de buren, die hun medewerking in stellige bewoordingen weigerden. 4.4. De makelaar betwist dat hem daarvan enig verwijt kan worden gemaakt. Hetgeen (een medewerkster van) de notaris heeft geschreven komt uiteraard niet voor rekening van de makelaar, de makelaar kende deze mail ook niet voordat klager die bij zijn klacht voegde, maar oo...
Het verweer. 8.1 De Staat voert – zakelijk en verkort weergegeven – het volgende als verweer. 8.2 Op grond van de RIA is sprake van een N-AE indien rollend materieel niet voldoet aan Als het gaat om structurele inzet van rollend materieel dat daaraan niet voldoet – zoals bij de TRAXX – is sprake van een Change of Requirements die kan leiden tot betaling van een hogere vergoeding door de Staat aan Infraspeed. Een Change of Requirements leidt tot een structurele wijziging van de toekomstige werkzaamheden en daarmee tot een structurele wijziging van de performance payments, anders dan de Compensation Event die slechts voorziet in de mogelijkheid van een (niet-structurele) schadevergoeding. Infraspeed had daarom de Change Procedure moeten ( doorlopen is bepaald dat Infraspeed geen werkzaamheden in verband met de Change in Requirements zal uitvoeren tenzij zij daartoe een ondertekend change certificate heeft ontvangen van de Staat
Het verweer. Beklaagde heeft verweer gevoerd. Bij de beoordeling van de klacht zal op het verweer worden ingegaan.