BESLISSING VAN HET HOF Voorbeeldclausules

BESLISSING VAN HET HOF. Beoordeling 1. Het middel voert schending aan van artikel 187, tweede lid, Wet- boek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat het verzet van de eiser (1) Zie concl. OM. 984 ARRESTEN VAN CASSATIE 14.4.15 - N° 248 laattijdig is aangezien hij kennis heeft gekregen van de betekening van de bij verstek gewezen beslissing door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel en hij niet binnen een termijn van vijftien dagen na- dat hij in het buitenland onder voorwaarden in vrijheid werd gesteld, in verzet is gekomen; de invrijheidstelling van de eiser is slechts een tijdelijke maatregel in afwachting van een beslissing over zijn overle- vering; de buitengewone verzetstermijn na de betekening van een Eu- ropees aanhoudingsbevel begint slechts te lopen vanaf de daad- werkelijke overlevering aan België of vanaf een invrijheidstelling ten gevolge van een definitieve overleveringsbeslissing. 2. Artikel 4bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van over- levering tussen de lidstaten (hierna: Kaderbesluit Europees Aanhou- dingsbevel) bepaalt: 1. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrij- heidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de be- slissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is ver- meld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften: (…)
BESLISSING VAN HET HOF. Overwegende dat het bestreden arrest vaststelt dat de beslissing van 26 februa- ri 1997 van eiseres aangetast was door een materiële vergissing die aan haar te wijten was en dat zij op 1 oktober 1998 een nieuwe beslissing nam; Overwegende dat artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 april 1995 tot invoe- ring van het "handvest" van de sociaal verzekerde bepaalt dat wanneer vastge- steld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergis- sing, de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing neemt die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring; Dat het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt dat, onverminderd de toepas- sing van artikel 18, de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking heeft op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestaties kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht; Overwegende dat artikel 18 van dit handvest bepaalt binnen welke termijn de instelling van sociale zekerheid haar beslissing kan intrekken; dat het geen ter- mijn bepaalt vanaf wanneer de nieuwe administratieve beslissing uitwerking heeft en dienvolgens geen afbreuk doet aan de bepaling van artikel 17, tweede lid; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de nieuwe beslissing van eiseres van 1 oktober 1998, "waarbij wordt medegedeeld dat (verweerster) met ingang op 1 september 1996 geen recht heeft op kinderbijslag, slechts uitwerking heeft op 1 november 1998" omdat de vorige beslissing van 26 februari 1997 met "toeken- ning van een recht op kinderbijslag (...) aangetast was door een materiële vergis- sing (te wijten aan de beheerder van het dossier) en de aanvankelijke toegekende prestatie groter was"; dat het tevens oordeelt dat artikel 18 van het handvest niet ter zake dienend is vermits deze wetsbepaling "enkel de termijn bepaalt waarbin- nen een nieuwe beslissing kan worden genomen"; Overwegende dat het arrest aldus de aangewezen wetsbepalingen niet schendt; Dat het middel niet kan worden aangenomen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de voorziening; Veroordeelt eiseres in de kosten.
BESLISSING VAN HET HOF. 1. Vierde onderdeel Overwegende dat de administratieve geldboeten, bepaald bij de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 4 juni 1987 en 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorg- verleners bedoeld in artikel 37ter van de wet van 9 augustus 1963 en in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en tot bepaling van de administra- tieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften, administratieve sancties zijn in de zin van respectievelijk artikel 101 van de Z.I.V.-wet van 9 au- xxxxxx 1963 en 168 van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994; Overwegende dat een administratieve sanctie een strafsanctie kan zijn in de zin van artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van 19 december 1966; dat, om uit te maken of een administratieve sanctie een dergelijk karakter heeft, moet nagegaan worden of ze, 1. niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft; 2. een bepaald gedrag voorschrijft en op de niet-naleving ervan een sanctie stelt; 3. niet alleen maar een vergoeding van schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen; 4. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelf- dertijd preventief en repressief is; 5. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan; Dat, indien na afweging van deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke as- pecten de doorslag geven, de administratieve sanctie als een strafsanctie in de zin van de aangewezen verdragsbepaling moet worden beschouwd; Overwegende dat het arrest vaststelt dat de inschrijving in het verstrekkingen- register voorheen een voorwaarde was opdat de tegemoetkomingen konden toe- gekend worden en dat, omdat dit tot gevolg had dat, bij gebrek aan inschrijving, de tegemoetkomingen integraal teruggevorderd werden van de zorgverstrekkers en deze sanctie te zwaar werd bevonden, het bijhouden van een register als admi- nistratieve verplichting werd opgelegd aan de zorgverstrekker-kinesitherapeut; dat het arrest tevens vaststelt dat de bij koninklijk besluit bepaalde administratie- ve geldboeten, opgelegd voor het niet-nakomen van deze administratieve ver- plichting, geen alternatieven zijn voor strafsancties, zoals de administratieve geldboete opgelegd bij de wet van 30 juni 1971; Overwegende da...
BESLISSING VAN HET HOF. Beoordeling Eerste middel Vierde onderdeel 1. Krachtens artikel 1134, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan tot wet. Krachtens artikel 1134, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek moeten overeenkomsten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht. 2. De omstandigheid dat een partij een gevolg van de overeenkomst miskent en aldus de overeenkomst niet te goeder trouw uitvoert, laat de rechter niet toe te oor- delen, in strijd met artikel 1134, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, dat de weder- partij als sanctie aanspraak kan maken op een voordeel uit de overeenkomst zonder vast te stellen dat aan de voorwaarden die de overeenkomst aan de toekenning van dat voordeel stelt, is voldaan. 3. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt dat voor overeenkomsten is neergelegd in artikel 1134, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek, kan de rechter die vaststelt dat een partij die een recht dat de overeenkomst haar toekent heeft uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon, het recht tot zijn normale uitoefening herleiden of het herstel opleggen van de schade die door het misbruik is teweeggebracht. 4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - binnen de eiseres een systeem van variabele wedde bestaat; - de algemene voorwaarden van dit systeem voor het boekjaar 2014 werden vast- gelegd in een bonus plan, FY14 ES Sales Compensation Sales Incentive Plan, en de bijzondere voorwaarden voor de verweerder in een individuele ‘sales letter’; - de eiseres terecht stelt dat de toekenning van deze bonus onderworpen is aan een aantal voorwaarden en het algemene bonusplan in dit verband bepaalt dat om commissieloon te kunnen ontvangen, de werknemer actief betrokken moet zijn bij de deal en dat de betaling van het commissieloon gewijzigd kan worden op basis van het niveau van de bijdrage van de verkoper; - de eiseres het recht heeft te oordelen of aan die voorwaarden voldaan is; - de eiseres stelt dat zij eenzijdig heeft beslist om slechts 25% van de commissie uit te betalen na de vaststelling dat de bijdrage van de verweerder ondermaats zou zijn geweest; - uit de uiteenzetting van de feiten die hebben geleid tot de beslissing van de eise- res om het commissieloon te verminderen, zoals die ondersteund wordt door di- verse verklaringen, inderdaad blijkt dat tijdens de uitvoering van het...
BESLISSING VAN HET HOF. Eerste middel:
BESLISSING VAN HET HOF. A. Over het cassatieberoep dat op 27 oktober 2006 op de griffie van het Hof van Beroep te Brussel is ingesteld onder het nummer 247 van de minuten van die griffie : Over het middel : De beroepen beschikking heeft gezegd "dat er grond is om uit het bevel tot aanhouding de verwijzing weg te laten naar artikel 28 van de Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis alsook de redenen die op die bepaling betrekking hebben" en heeft de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser bevolen. Het bestreden arrest bevestigt deze beschikking en zegt dat de eiser in voorlo- pige hechtenis blijft. De eiser verwijt de appelrechters dat zij het voormelde artikel 28 hebben ge- schonden door te beslissen dat "het een bevel tot aanhouding betreft dat niet is uitgevaardigd wegens feiten waarvoor [de eiser] in vrijheid was gesteld, doch voor andere feiten waarvoor [de eiser] nooit werd gedetineerd noch in verden- king gesteld". Enerzijds bepaalt het voormelde artikel 28 de gevallen waarin tegen de in vrij- heid gelaten of gestelde inverdenkinggestelde een bevel tot aanhouding voor het- zelfde feit kan worden uitgevaardigd. Het vindt geen toepassing wanneer, in de loop van eenzelfde gerechtelijk onderzoek en na de voorlopige invrijheidstelling van de inverdenkinggestelde, een tweede bevel tot aanhouding tegen hem wordt uitgevaardigd, gegrond op andere feiten dan die waarop het eerste bevel tot aan- houding was gegrond, zelfs zo die feiten al eerder bekend waren. Te dezen was de eiser voorlopig aangehouden voor andere feiten dan die wel- ke het eerste bevel tot aanhouding tegen hem verantwoordden. Anderzijds zijn de onderzoeksgerechten die de wettigheid van het bevel tot aanhouding moeten nagaan, bevoegd om de redenen ervan te verbeteren, hetzij door de onjuiste reden door een juiste reden te vervangen, hetzij door de eventu- ele vergissingen in dat bevel te verbeteren. Noch de beschikking van de raadkamer noch het bestreden arrest hebben de aangeklaagde onregelmatigheid overgenomen. Overigens verwijt de eiser het arrest dat het t.a.v. de omstandigheden van de zaak niet vaststelt welke gegevens de ernstige aanwijzingen van schuld kunnen rechtvaardigen. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters, met een conclusie, het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld heeft betwist. Naar luid van artikel 23, 4°, van de Wet betreffende de voorlopige hechtenis, moeten de onderzoeksgerechten, in hun beslissingen tot...
BESLISSING VAN HET HOF. Beoordeling
BESLISSING VAN HET HOF. Beoordeling 1. De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, de artikelen 127, 128, 129, 130, 131, 135, 223 en 235bis Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht van verdediging, het contradictoir karakter van de regeling van rechtspleging voor de on- derzoeksgerechten en hun motiveringsplicht: het arrest oordeelt dat de kamer van inbeschuldigingstelling enkel kan beslissen tot buitenver- volgingstelling wanneer de overschrijding van de redelijke termijn het recht op een eerlijk proces onmogelijk maakt; het sluit uit dat de lou- tere overschrijding van de redelijke termijn leidt tot onontvankelijk- heid van de strafvordering; het rechtsherstel waartoe het arrest beslist en dat erin bestaat dat het onderzoeksgerecht de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt terwijl de vonnisrechter dit gegeven in aan- merking moet nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak, biedt geen voldoende daadwerkelijke rechtshulp; voor het onderzoeksgerecht zijn er maar twee mogelijkheden om rechtsherstel te bieden, ofwel op- schorting, ofwel de vaststelling van de overschrijding met verwijzing naar de vonnisrechter die bij de beoordeling van de grond van de zaak dit gegeven in aanmerking zal nemen; indien een inverdenkinggestelde niet instemt met opschorting is naar het oordeel van het arrest alleen de vaststelling van de overschrijding en verwijzing naar de feitenrech- (1) Zie Cass. 7 januari 2015, AR P.13.1834.F, AC 2015, nr. 10.
BESLISSING VAN HET HOF. Overwegende dat, krachtens artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek, indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwe- gend belang ontdekt, zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van het debat kan vragen; Dat, krachtens artikel 773 van dit wetboek, de aanvraag in handen van de rech- ter wordt gedaan door middel van een verzoekschrift, waarin het nieuwe stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting, en dat, na vervul- ling van de formaliteiten van dit artikel, de rechter uitspraak doet op stukken; Overwegende dat deze wetsbepalingen weliswaar vereisen dat de inhoud van het verzoekschrift en de samen met dat verzoekschrift neergelegde stukken de rechter de mogelijkheid bieden de invloed van het nieuwe stuk of feit op het ge- schil te beoordelen, meer bepaald of deze van overwegend belang zijn, maar niet vereisen, zoals het bestreden arrest het doet, dat de vermelde gegevens geïnven- tariseerd zouden worden, dat uitdrukkelijk zou worden gesteld dat de gegevens van overwegend belang zouden zijn en dat er geen uitgebreid commentaar over die gegevens zou worden gegeven; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat eiser op 11 augustus 2003 een verzoekschrift tot heropening van het debat heeft neergelegd; Dat de appèlrechters het verzoek tot heropening van het debat verwerpen om- dat "er immers in het verzoekschrift melding wordt gemaakt van nieuwe gege- vens, die echter niet door bijgevoegde stukken werden gestaafd en ook niet geïn- ventariseerd werden, terwijl evenmin werd gesteld dat deze stukken van overwe- gend belang zijn, zodat het Hof niet kan nagaan of er wel degelijk nieuwe stuk- ken en/of gegevens zijn die het verzoek zouden kunnen verantwoorden" en "er bovendien uitgebreid over die gegevens uitleg en commentaar wordt gegeven terwijl artikel 773 van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat het nieuw stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting"; Dat de appèlrechters, door op die gronden te oordelen "dat bij gebreke aan cor- recte toepassing van de regels betreffende het verzoek tot heropening der debat- ten, het verzoek niet kan ingewilligd worden", de artikelen 772 en 773 van het Gerechtelijk Wetboek schenden; Dat het middel in zoverre gegrond is; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ver- nietigde arrest; Houdt de kosten aan en laat de beslissing...
BESLISSING VAN HET HOF. Met toepassing van de artikelen 1079, 1080 en 1114, eerste lid, van het Gerech- telijk Wetboek, moet, ook in strafzaken, het verzoekschrift tot intrekking van een arrest van het Hof, door een advocaat bij het Hof van Cassatie ondertekend zijn. Het verzoekschrift dat alleen door de eiser is ondertekend, is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de vordering tot intrekking. Veroordeelt de eiser in de kosten. 10 oktober 2007 – 2° Kamer – Voorzitter: de x. xx Xxxx, afdelingsvoorzitter – Verslag- gever: de x. Xxxxxxx – Gelijkluidende conclusie van de x. Xxxxxxxxxxxxx, advocaat-ge- neraal.